Ralph Miliband en het socialisme vandaag

Jan Blommaert

Afbeelding

In een vorig artikel besprak ik de merkwaardige rel in Groot-Brittanie, waarin Ralph Miliband centraal stond. De Marxist Miliband zou een ‘landverrader’ geweest zijn, althans volgens de Daily Mail. Ik gaf aan dat de keuze voor Miliband als schietschijf voor rechts wel bijzonder ongelukkig was, want Miliband stond buitengewoon afkerig tegenover het Stalinisme en de Sociaaldemocratie van Labour. Hij paste dus niet in het plaatje van de Rooie Schurk die onze democratie naar de haaien wil helpen en onze welvaart wil vergooien. Hij beleed en ontwikkelde een heel orthodox socialisme dat gedragen was door morele argumenten – de bevrijding van de mens – en dat in de eerste plaats een volwaardige democratie moest zijn. Ik wil in wat volgt dit punt nog even verdiepen, en ingaan op Milibands kritiek op de Sociaaldemocratie. Zijn opmerkingen hebben immers relevantie voor vandaag.

Een onafhankelijk socialist

Ralph Miliband noemde zichzelf graag een “independent socialist”: een socialist die zich niet gebonden voelde, intellectueel evenmin als politiek, door partijen en andere gevestigde belangengroeperingen. Hij zou zijn analytische standpunten nooit aanpassen aan de prioriteiten van de dag, noch aan de strategie van anderen. Hij was een tijdje – vrij kort – lid van Labour maar verliet de partij onder invloed van zijn eigen analyse ervan. Labour bood geen hoop op een socialistische maatschappij, zo had hij geoordeeld. Hij bleef wel levenslang intense contacten houden met mensen uit de linkervleugel van Labour, zoals Tony Benn; maar die contacten verzoenden hem niet met Labour als parlementaire machine, en nog minder met Labour als een strategisch instrument voor de uitwerking van een socialistische samenleving.

Zijn boek uit 1961, Parliamentary Socialism, had de geschiedenis van Labour geschetst als een geleidelijke maar radicale verwijdering tussen proletariaat en partij; een stroom artikels in, onder andere, The Socialist Register en The New Left Review vulden zijn analyses nog aan. Wie deze oudere teksten herleest – sommige van zijn kritieken stammen al van 1957 – staat versteld van hun actualiteitswaarde.

Ik zal in wat volgt drie punten aanhalen die Miliband herhaaldelijk ontwikkelde in zijn kritiek van Labour. We zullen zien dat ze nog steeds van toepassing zijn. De drie punten passen in een ruimere analyse, uiteraard, en die analyse komt erop neer dat de strategie van de macht zoals die door Labour sinds het begin van de 20ste eeuw werd ontwikkeld – pogen zo vaak mogelijk bestuursbevoegdheid te verwerven – Labour heeft omgevormd tot een partij van de status-quo. Meer nog: tot de partij van de status-quo, die de belangen van elites verzekert en het kapitalisme doorheen een aantal zware crisissen helpt.

De kleine politiek

Een eerste punt van kritiek is dat de Sociaaldemocratie, wanneer ze aan de macht is, kleine maatregelen voorstelt als ‘socialisme’. Met andere woorden: Labour argumenteert dat ze ‘socialistisch’ beleid voeren wanneer ze een waslijst van piepkleine en niet-fundamentele ingrepen kan voorleggen, die het ‘het leven voor de mensen beter maken’. Eerder dan structurele ingrepen, die het kapitalisme afbouwen en een socialistische samenleving bouwen, laat Labour de kapitalistische structuren intact – incluis de structuren die armoede en ongelijkheid genereren – en verzorgt ze een dun laagje vernis van ‘sociale’ maatregelen die dan metonymisch voor het ‘hele’ socialisme staan.

Die maatregelen zijn evenwel doorgaans conjunctureel (denk even aan subsidies en toelagen allerhande, zoals voor zonnepanelen, isolatie aan woningen en zo meer) en dus makkelijk op te doeken of terug te schroeven wanneer er een neerwaartse knik in de conjunctuur komt, of wanneer een conservatieve regering het roer overneemt. In zoverre Labour structurele ingrepen heeft gedaan, zijn deze ingrepen door-en-door kapitalistisch van aard, en zelfs gericht op het wegwerken van bepaalde ‘onvolkomenheden’ in het kapitalisme die dan, ironisch, vaak door vroegere Sociaaldemocratische regeringen waren ingevoerd. We kunnen hier denken aan beperkingen op het stakingsrecht of, zoals de SPD in Duitsland, de verregaande flexibilisering van de arbeidsmarkt. In beide gevallen gaat het om ingrepen die de structuur van het arbeidsveld veranderden, ten voordele van het kapitaal, en die dus de macht van de arbeiders op diepgaande en blijvende manier ondermijnde.

Miliband onderstreepte dat de waslijst aan kleine maatregelen op geen enkele manier gelijk kon staan aan ‘socialisme’, omdat socialisme een structurele hervorming van de diepe mechanismen in de samenleving inhoudt. Labour, en met Labour ook allerhande andere Sociaaldemocratische partijen, gaven al heel vroeg de ambitie op om de samenleving structureel te veranderen, en hielden daardoor ook heel vroeg op te bestaan als echte ‘socialistische’ partijen. Hun aanspraken op die term zijn uitsluitend cosmetisch en retorisch, en dienen enkel electorale belangen: stemmen ter linkerzijde halen.

Dit werd, en wordt, vanzelfsprekend ontkend vanuit Labour zelf. Maar Miliband zegt daarover dat labour nooit socialistisch zal worden wanneer het niet beseft, en toegeeft, dat het niet socialistisch is. Men moet Labour dan ook blijven ondervragen over het socialistische kaliber van hun beleid en voorstellen; en als deze niet structureel ingrijpen op de machinerie van het kapitalisme, dan hebben ze niets met socialisme te maken, wel met een ‘sociaal gecorrigeerde markteconomie’ of andere eufemismen voor simpel kapitalisme.

De eenheid van links

Een andere constante in het beleid van Labour, waarvoor Miliband geduld noch begrip had, was de voortdurende oproep om ‘de linkerzijde niet te versplinteren’. Van zodra Labour vanuit de linkerzijde onder vuur kwam te liggen werd dit argument bovengehaald: linkse kritiek op Labour is nergens goed voor want ze verzwakt het ‘linkse front’, en dus Labour, en zou zo de ‘linkse zaak’ eerder schaden dan baten.

Miliband verwerpt dit argument op eenvoudige empirische gronden. Telkens dit soort van conflicten optrad in de geschiedenis van Labour diende de oproep tot linkse eenheid maar een enkel doel: de linkse kritiek smoren en de krachten links van de partij aan banden te leggen. Objectief kwamen dergelijke oproepen tot eenheid dan ook telkens nadelig uit voor de linkerzijde: terwijl vakbonden tot kalmte en geduld werden aangemaand werden de vleugels van die vakbonden geknipt; terwijl Marxisten opgeroepen werden om de linkse eenheid vooral niet te breken werd hun invloed binnen de partij kordaat uitgeschakeld.

En waarom? Zoals hier boven aangegeven, was Miliband helemaal niet van oordeel dat er behoefte was aan linkse solidariteit met Labour. Labour was immers geen socialistische partij. En wanneer de linkerzijde socialistische kritiek had, dan was het doelwit daarvan vaak, en geheel terecht, de Labour partij, niet de Tories. Oproepen tot ‘linkse eenheid’ vanuit Labour kwamen daarom al te vaak neer op links dat de rechtse hegemonie moest aanvaarden. En dat, zo beklemtoonde Miliband keer op keer, kwam telkens met een hoge prijs voor links, niet voor Labour.

De sociaaldemocratische sirenenzang was dan ook iets wat volgens Miliband geen enkele invloed mocht hebben op een linkse politieke strategie. De analyse van politieke posities mag zich niet baseren op het gebruik van termen als ‘socialistisch’, maar moet de grondslagen van beleid en ideologie als bakens nemen. Elke andere analyse is zinloos, en elke vorm van frontvorming daardoor gevaarlijk.

Natie vervangt klasse

Een derde punt waarmee Miliband zeer grote moeite had was de manier waarop Labour geleidelijk aan haar binding met het proletariaat opofferde voor een vage loyauteit tegenover de natie. Labour – en denk nu even aan Tony Blair – had z’n mond vol van ‘Britain’, niet van de ‘working class’. De politieke eenheid-van-actie was de natie en niet de klasse, en dit was zowel analytisch als politiek een kapitale blunder voor Miliband.

Analytisch was het een blunder omdat de ‘natie’ enkel als abstractie kan optreden; de concrete natie heeft geen enkele vorm van organieke of sociale eenheid, want ze is verdeeld langsheen alle sociologische parameters: klasse, geslacht, leeftijd en zo meer. Een beleid baseren dat ‘de natie’ moest vooruithelpen riep dan ook meteen de vraag op : welk deel van die natie? Dus, wanneer Blair opriep om ‘Britain’ beter te maken dan was de vraag: welk ‘Britain’? Wiens ‘Britain’?

Politiek was het een blunder omdat het antwoord op de vorige vraag duidelijk was: elk beleid dat de natie boven reële sociale formaties stelt zal in werkelijkheid bepaalde sociale formaties bevoordelen, in de regel de leidende klassen en de elites. Men beweert dus ‘Britain’ vooruit te helpen, maar men helpt enkel het kapitaalkrachtige deel van ‘Britain’ vooruit. Het particuliere belang wordt zo verheven – valselijk verheven – tot algemeen belang, en dit heeft een effect op de publieke opinie en op de mogelijkheden tot tegenkracht. Immers, wie zich tegen maatregelen verzet die ‘Britain’ vooruit willen helpen, kan het verwijt krijgen tegen ‘Britain’ te zijn. Blair speelde dit verwijt overigens constant uit, en hij was uiteraard niet de enige.

Een socialistische partij, volgens Miliband, is een partij die een organische band heeft met een sociale klasse, het proletariaat. Dit proletariaat streeft vanuit z’n verdrukking en marginalisering naar universele waarden: gelijkheid, vrijheid, emancipatie, rechtvaardigheid. Zich afkeren van deze klasse, en de organische politieke band ermee opgeven, betekende het opgeven van die universele waarden en het vervangen ervan door particuliere, gesitueerde belangen – die van de burgerij en het kapitaal, wier politieke horizon korter en agenda beperkter zijn dan die van het proletariaat. Ook dit was, dan, een centraal argument voor Miliband om Labour niet langer als ‘socialistische’ partij te aanvaarden.

En vandaag?

De drie punten die ik hier heb behandeld zijn nog steeds relevant, ook al schreef Miliband ze ruim een halve eeuw geleden uit. Het retorische gebruik van politieke etiketten – ‘socialistisch’, maar even goed ‘liberaal’ of zelfs ‘democratisch’ – kan nooit volstaan als bepaling van een politieke positie. Het is niet omdat een partij of beleidsmaker zichzelf ‘socialistisch’ noemt dat dit ook zo moet erkend worden. Men verdient die kwalificatie op heel andere gronden dan door ze simpelweg op te eisen.

Die heel andere gronden voeren ons terug naar datgene wat Miliband, samen met Marx, constant benadrukte: doe de analyse. Politieke posities moet men onderzoeken aan de hand van duidelijke vragen: wiens belangen worden hier gediend? Hoe verhoudt deze maatregel of dit voorstel zich tegenover een ideologie of een basisprogramma? Welke principes drijven het beleid en de maatregelen aan? En enkel aan het einde daarvan kan men zeggen waar deze of gene partij moet gesitueerd worden – links, rechts of tussenin. Er is geen shortcut voor analyse.

Miliband was genadeloos in zijn kritiek, en in mijn vorige stuk heb ik daarvoor de redenen gegeven: hij was een uiterst orthodox en principieel socialist, wiens maatstaf stabiel bleef doorheen z’n leven. Terwijl anderen aan het twijfelen gingen aan hun beginselen of uitgangspunten – bijvoorbeeld in de context van de val van de Muur – bleef Miliband ze beklemtonen. Socialisme had voor hem immers een universele waarde, en niet enkel als agenda voor politieke strategie maar ook, of meer nog, als mensbeeld en maatschappijbeeld. Die laatste waren niet op te offeren aan trends, tijdelijke populariteit, of de grillen van de tijd. Ze bleven overeind, en het feit dat ze nooit in een staat of door een regering waren gerealiseerd was een reden voor hem om hun waarde te blijven beklemtonen. Geef niet op wat waardevol is, gewoon omdat het niet haalbaar lijkt. In de ogen van je tegenstrevers, welteverstaan.

Advertenties

Is Paul De Grauwe de nieuwe linkse Nostradamus?

Robrecht Vanderbeeken

Afbeelding

Eric De Bruyn houdt het als moegestreden partijvoorzitter van Rood voor bekeken, zo vernamen we in een interview op Apache.be. Onderweg naar de nooduitgang roept hij professor Paul De Grauwe nog snel op om een partij te starten. De linkse kopman stelt zijn hoop dus op een linksliberaal betoog?

De Grauwe, als lokale acoliet van de nu zo populaire Nobelprijswinnaar Economie Paul Krugman, wordt tegenwoordig blijkbaar ook door een bepaald soort links opgevoerd als ‘de man met een oplossing’. Hij leert ons namelijk hoe wij over enig uitstel van sociaaleconomische executie kunnen onderhandelen binnen een markteconomie gericht op winstbejag. Ook de zogenaamde ‘Keynesianen’ gaan er immers vanuit dat de God met de onzichtbare hand bestaat en dat het neoklassieke economische model werkt. Als de overheid toch maar de geldkraan even zou willen open draaien, dan kan de consumptiecultuur weer wat verder sputteren, lustig potverteren in tijden van astronomische staatsschuld. Na ons, de zondvloed.

Als wat ‘links’ heet vandaag dan zo verontwaardigd met de handen in haar zit omdat ‘de mensen het allemaal niet meer begrijpen’, dan komt dat dus vooral omdat ‘linkse’ politici zelf continu één groot postmodern rookgordijn aanblazen. Met als gevolg dat journalisten nog moeilijk anders kunnen concluderen dat het onderscheid tussen ‘links’ en ‘rechts’ niet meer lijkt te bestaan.

Eén voordeel van deze De Grauwiaanse ‘investeringspolitiek’, althans voor rechtse beleidsmakers, is dat mensen niet meteen en masse misnoegd de straat op trekken en speculanten intussen voldoende tijd vinden om hun buit ietwat veilig te stellen. Zodat zij toch zeker op het bovenste dek zitten van de Titanic van de 21ste eeuw: de Grote Recessie.

‘Links’ heeft het bijgevolg vooral aan zichzelf te danken dat het kritisch potentieel voor een tegenbeweging continu wegstroomt. En dat is eigenlijk nog de grootste schande. 

Het publiek debat

Diezelfde dag dat het interview met De Bruyn verscheen, wijst Jan Blommaert er tijdens het Gentse Feestendebat ‘Hoe Durven Ze?’ op dat onze publieke opinie vastzit in een erg smalle bandbreedte. Er is wel veel ruimte om heel wild out of the box te denken aan de rechterzijde – allerhande ‘creatieve’ en ‘innovatieve’ voorstellen voor de brute afbraak van de verzorgingsstaat – en dat passeert doorgaans als een welopgevoed en goed bedoelde discussie. Maar aan de linkerzijde is er amper tot geen marge: wie daar de bandbreedte niet respecteert, wordt meteen weggezet als populist. Of met Pol Pot platgeslagen. De grote nachtmerrie is niet zozeer de structurele crisis die vanaf 2007 uit de VS over de wereld heen rolt, maar het feit dat wij, zoals in een slechte B-film, van de ene nachtmerrie wakker worden in een nog grotere nachtmerrie: onze politieke klasse en hun hofhouding aan opiniemakers blijven weigeren om het centrale probleem onder ogen te zien. Dat probleem luidt: onze verzorgingsstaat valt simpelweg niet te redden binnen het huidige kapitalisme. Het kapitalisme frontaal in vraag durven stellen, dat blijft helaas het Grote Taboe. Het zou allemaal een gevaarlijk anachronisme, zelfs regressie richting de Goelag zijn. Bijgevolg resten er ons twee opties tot collectieve zelfmoord:

  • via een rechtsliberaal besparingsbeleid de verzorgingsstaat zelf ontmantelen – aderlatingen op een ziek lichaam – of
  • via een linksliberale investeringspolitiek tijd kopen via staatsleningen zodat de verzorgingsstaat (en de staat tout court) op termijn helemaal niet meer te reanimeren valt.

‘Sorry’, blijven lachen, helaas geen genezing in aanbieding. Wel euthanasie versus palliatieve zorgen. 

Wake-up calls genoeg

‘Onze verzorgingsstaat valt simpelweg niet te redden binnen het huidige kapitalisme’. We lezen in de kranten over gore rampen in Bangladesh die niet duidelijker de uitbuiting kunnen illustreren, of dat er minstens 25.000 miljard dollar in offshore belastingparadijzen staat geparkeerd. Een bedrag, nota bene, tweemaal zo groot als de staatsschuld van de eurolanden. Maar we leggen de puzzel desondanks toch liever niet samen. We zouden het allemaal ‘genuanceerd’ en ‘afzonderlijk’ moeten bekijken, liefst versnipperd tussen het kabaal van de media door, dat de aandacht voortdurend weggekaapt met vermaak over het zogezegd ‘ideologie-vrije’  Tomorrowland, met steriele non-debatten over de rol van de Koning of ‘onze’ onafhankelijkheid, of met ‘linkse’ vrijzinnige pastoors die onder het mom van een religiestrijd een laffe cultuurstrijd willen voeren.

Nochtans hoeven we er niet aan te twijfelen: wake-up calls genoeg in voorraad. In zijn kersvers en snedig boek ‘Never Let a Good Crisis Go to Waste’, (2013, Verso) toont de Amerikaanse politieke filosoof Philip Mirowski haarfijn aan dat diegenen die verantwoordelijk zijn voor de crisis niet alleen nog op post zijn, maar hun macht enorm hebben versterkt. Het is met andere woorden aftellen tot de volgende crash. Heel wat nieuwe bubbels zijn nu al volop in de maak. De draaideur tussen politieke mandaten en topfuncties in de bankensector draait vandaag nog zwierig verder, meer gesmeerd dan ooit, in de VS maar zeker ook in Brussel.

Onze economische ‘experts’ geraken intussen van zichzelf overtuigd dat de aarde inderdaad plat is en het centrum van het heelal. Want kijk, nadat Ben Bernanke in de Verenigde Staten als voorzitter van de Federal Reserve maanden geleden de geldkraan maximaal opendraaide en de zakenelite zo massaal de zakken wist te vullen, zou de kabbala van de economische grafiekjes toch wel enige beloftevolle prospectus geven. Stel u voor, er zijn zelfs een paar jobs bijgekomen. Champagne! Indien al dat geld rechtstreeks naar jobcreatie was gegaan, had men wel met andere cijfers kunnen zwaaien, maar dit terzijde. Zelfs 007 zou hier niet zomaar mee weg geraken.

De rechtsliberale regendans

Wat is die bandbreedte bij ons dan juist? Aan de rechterkant hebben we bijvoorbeeld de baas van Trends, Johan Van Overtveldt, alsook de ‘onafhankelijke’ onderzoekers van Itinera, zoals Ivan Van de Cloot die uit volle borst het austerity-evangelie hebben verkondigd. Maar ze ontkennen dat nu omdat zij al enkele maanden in zwaar weer zitten aangezien ondermeer het IMF zelf heeft toegegeven dat hun besparingsbeleid Griekenland nog meer de dieperik in heeft geduwd. Plots beweren deze heren nu dat zij als volbloed monetaire economen altijd en alleen maar hebben gezegd dat de euro gewoon geen goed idee was. Daar schieten we nu natuurlijk een heel eind mee op: stop de persen, voorpaginanieuws.

Deze ERT-tafelridders die strijden tegen de vakbonden en onze ‘linkse’ overheid, proberen nu als Calimero’s hun gezicht te redden met allerlei schijnbewegingen: zij zijn helemaal geen doodgravers van onze welvaartsstaat, zij zouden nu zelfs gecriminaliseerd worden voor hun opinie, ze zouden ook helemaal niet neoliberaal zijn.

Dat woord ‘neoliberaal’ verwijst naar een verzorgingsstaat voor banken en beleggers, ons huidig beleid dus. Het zou trouwens helemaal niet in het echt bestaan. Althans, zo worden wij er in de commerciële media met regelmaat aan herinnerd door reclamejongens als Guillaume Van der Stighelen in zijn Knack-reeks ‘Foute woorden’. Laten we het woord ‘neoliberaal’ anders gewoon begraven bij ‘allochtoon’? Opgelost.

Het opbod in cynisme kan niet op nu deze tafelridders zich rancuneus hebben vastgebeten in de hoop dat ook hun criticasters ook ongelijk hebben: er is nog lang geen verbetering in zicht, de EU is nog altijd compleet ongeloofwaardig bezig, zij hebben het toch altijd al gezegd nietwaar? Scepticisme als reddingsboei helaas ter compensatie van het verlies aan hun geloofwaardigheid. Alsook die van die media die als spreekbuis van deze neoliberale alchemisten dienden. Vandaar wellicht dat Van de Cloot & co na hun complete afgang als ‘expert’ ook vandaag weer altijd maar opnieuw voor het voetlicht worden gebracht. Een gemediatiseerd expert is natuurlijk pas afgeschreven zodra die ook uit de media verdwijnt. 

Vakbonden aan de totempaal

Wat is dan de mantra van dit ‘Team Besparen’? De overheid moet ontmanteld worden, als pasmunt voor de private economie. ‘Loonlast’ is het grote probleem en iedereen moet een bejaarde flexwerker worden. Dat heet dan vooruitgang, want ‘groei’. Maar groei voor wie? En het redt die ellendige euro, maar wiens euro is dat dan nog?

De vakbonden worden uiteraard hard aangepakt, want dat is momenteel dé grote groepsdans van misleiding: men pakt de vakbonden niet alleen aan omdat die een ware tegenkracht (in spe) vertegenwoordigen, maar vooral omdat men zo kan doen alsof zij en alleen zij hét probleem zijn.

De vakbonden zouden dus niet alleen de sleutel tot de oplossing in handen hebben en nu uitermate onverantwoord tegenwerken. Meer nog, zij zouden het enige echte probleem zijn. Waarmee men dan vooral, met de artificiële creatie van dit mechanisme van blokkering, de aandacht van mechanismen van oorzaken wil afleiden: de systeemcrisis, de overproductie in zowat alle productiedomeinen, de oververzadigde consumptiecultuur, de vlucht van het kapitaal in lucratieve kunstmatige financiële markten en andere luchtkastelen, de parasitaire structuren van een bezittende klasse die elke economische poging tot heropleving al onmiddellijk in hun voordeel afleiden, enzovoort.

Er zou, kortom, niets mis zijn met ons economisch model. Om de internationale concurrentie aan te kunnen, moeten ‘gewoon’ die lonen eindelijk eens fel naar beneden en dan kan het pleziertreintje van onze wegwerpcommerce nog een halte verder puffen, ook al staat het klimaat op ontploffen. Dat dit beleid bijvoorbeeld meteen de lokale koopkracht wegveegt en binnen de eigen logica dus zichzelf stokken in de wielen steekt, daar heeft men geen oren naar, want er zou simpelweg geen ‘alternatief‘ zijn. 

De linksliberale offercultus

Dan de overzijde van de bandbreedte: Nostradamus De Grauwe, die zoals Keynes het al in de jaren 1930 zei, herhaalt dat de overheid in tijden van recessie net het geld moeten laten rollen. Want dan trekt de economie wel vanzelf aan, aldus De Glazen Bol van London School of Economics. Maar wat als die economie al compleet overtrokken en uitgerokken is? Men gaat er tussendoor ook zo maar eventjes vanuit dat een staatsschuld geen probleem is, nooit eigenlijk, want een staat zou niet failliet kunnen gaan? Tenminste, zolang de verhouding bbp en de rente van die schuld maar goed zit, zo gaat de voodoo-spreuk, zou alles prima zijn. Maar het is dus géén probleem dat een staat tot in het oneindige een zwaar belastingbeleid moet voeren om vooral zijn schulden aan banken af kunnen te betalen? Dat is dan geen hold-up op onze maatschappij? Geen eeuwige wurgsex voor sadisten?

De Keynesiaanse nieuwlichters beseffen maar al te goed dat bedrijven op een berg geld zitten, ruim 3.000 miljard euro, en dit niet in de reële economie willen investeren. De vrije markt blijkt ook voor hen te onstabiel te zijn. Men wil privaat kapitaal nu daarom charmeren met een civiele uitverkoop: ‘solden jongens, neem maar allemaal mee aan halve prijs zolang de voorraad strekt, op is op’.

De veronderstelling dat ‘investeerders’ automatisch over de brug zullen komen is helaas pure speculatie, één grote gok: alles of niets. Want speculanten stellen bijvoorbeeld de tweecijferrendementen van de financiële markten als norm. Het zou volgens de liturgie van de winstmaximalisatie immers van zwakzinnigheid getuigen om voor iets minder te gaan: irrationeel, pure verspilling, spuwen in het gezicht van de Geldgod. En natuurlijk weten al die spindoctors van beleggingsfondsen zelf ook wel dat er structurele sociaaleconomische problemen zijn die je met méér staatsschuld niet oplost maar enkel vooruit schuift. Zij weten, kortom, ook dat niet Keynes maar de Tweede Wereldoorlog een einde maakte aan de Grote Depressie.

Veel eilanden vormen een archipel

Laten we nu eindelijk het beest bij de horens nemen: geen vlucht in de eigenhandige ontmanteling van de verzorgingsstaat – uw moeder als hoer verkopen – of leven op krediet op kosten van vadertje Staat, maar mobiliseren inzake daadwerkelijke structurele sociaaleconomische hervormingen. Zoals de vermaatschappelijking van onze economie zodat die effectief terug van ons wordt. Zoals herverdeling van rijkdom om een halt toe te roepen aan de stuitende diefstal ervan en zoals een politiek die de concurrentie radicaal aangaat met het heersende, suïcidale marktconforme denken, individueel en collectief.

Heel haalbaar allemaal, tenminste, als ook de ‘linkse’ valse profeten, vanwege incompetentie, uit koudwatervrees, mei ’68-depressie, opportunisme of wat dan ook, eindelijk eens zouden stoppen met roepen dat het zou allemaal zo complex zou zijn, of dat men toch vooral geen eenvoudige schema’s mag gebruiken.

Termen als ‘grootkapitaal’ en ‘proletariaat’ zouden moeten ‘hertaald’ worden want ze zouden uit het tijdperk van de dinosaurussen dateren. Liberale lakeien juichen deze semantische stammentwisten achteroverleunend en met veel leedvermaak toe. Hoewel Darwin en Marx tijdgenoten zijn, kost het een breed publiek intussen blijkbaar minder moeite om te geloven dat wij van het pantoffeldiertje afstammen, dan dat de accumulatie van kapitaal en miserie hand in hand gaan.

Begin vorige eeuw wist links wat te doen en had men ook een kritische massa maar wachtte men op het juiste moment. Vandaag weten we dat het nu het moment is, en links weet na een pijnlijke geschiedenis wat we vanaf nu wel en wat we vooral niet moeten doen. Collectief, democratisch en stap per stap tegengas geven, maar de kritische massa ontbreekt. Ondermeer omdat links zichzelf een identiteitscrisis laat aanpraten. En dat gaat dan dikwijls om een geprivilegieerde generatie die hun pensioen nog wel zullen halen en hebben.

Een tegenbeweging bouw je daarentegen op door op de scheurtjes in het homogene neoliberale discours te wijzen, zelf voortdurend gaten te slaan, op de breuklijntjes te duwen tot die samenlopen, tot dat duidelijk wordt dat het au fond om één en dezelfde politieke strijd gaat. Parallel met die bewustwording is defensief geweld essentieel, zoals de filosoof Alain Badiou dat noemt: negeer die staat, al die politici die ons vooral niet representeren. Laten we zelf de mouwen oprollen, alternatieven uitbouwen waar de huidige politieke klasse geen vat op heeft en zo uiteindelijk zichzelf aan de kant zet. Zoals de solidariteitsbeweging in Polen.

Kleine eilandjes van verzet – van activisme, burgerlijke ongehoorzaamheid, onafhankelijke media, eigen banken of gewoon van heterodoxie – vormen een archipel: een bondgenootschap waarin duidelijk wordt dat niet alleen ‘ik’ dat ben maar dat ‘wij’ woedend zijn en het anders kunnen en zullen doen. En dat wij in dat bondgenootschap veel plezier vinden, wetende dat de macht van de grote getallen niet tegen te houden is. Een kwestie van kiezen: vrije keuze en geen zoveelste keuze voor vrijblijvendheid.

‘Moed is besmettelijk’, zeggen ze bij Wikileaks. Laat moed geen rechts privilege zijn, gewoon omdat zij vandaag amper tegenwind krijgen.

(Robrecht Vanderbeeken is filosoof)

“Ralph Miliband haatte zijn land”: Een vreemd maar nuttig debat

Jan Blommaert

Afbeelding

Begin oktober 2013 brak een wat vreemde rel uit in Groot-Brittannië. Het was het seizoen van de grote partijcongressen, en het congres van Labour – geleid door Ed Miliband – werd algemeen als een succes beschouwd. De rechtse Britse pers gaf dan ook tegengas: The Daily Mail publiceerde een artikel waarin de vader van de Labour-leider, Ralph Miliband, gekruisigd werd als een landverrader, iemand die Groot-Brittannië naar de hel wenste. Miliband had ooit in zijn dagboek geschreven dat hij de Britten een rabiaat nationalistisch volkje vond; en in zijn geschriften had hij zich herhaaldelijk laatdunkend uitgelaten over de grote Britse politieke en sociale instellingen. Nog erger was echter dat Ralph Miliband een radicaal Marxist was, iemand die Engeland dus tot een Stalinistisch werkkamp wou omvormen. En dat verklaarde dan meteen waarom zijn zoon met recht en reden “Rooie Ed” mocht genoemd worden: de Stalinistische strategie was hem met de moedermelk ingegeven.

Ed Miliband reageerde heftig, en er ontstond niets minder dan een oorlog tussen Labour en de Britse tabloidjournalistiek. Inmiddels, weken later, gaat die oorlog nog altijd voort. Terwijl het debat natuurlijk wat van z’n heftigheid heeft verloren, is het inmiddels uitgegroeid tot een waar links-rechts gevecht waarin grootheden van weerskanten (denk aan Theodore Dalrymple versus Tariq Ali) zich moe maken. Inmiddels, en dat is pure winst natuurlijk, is de belangstelling voor het werk van Ralph Miliband spectaculair gestegen – wie bij Amazon boeken van hem wil bestellen moet twee keer zo lang wachten als normaal.

De kernvraag

Dit debat gaat over een heel interessante vraag: zijn Marxisme en socialisme goed voor de samenleving? Concreter in dit bewuste geval: had een linkse rakker zoals Ralph Miliband het beste voor met Groot-Brittannië?

In dit debat neemt de rechterzijde vaak en snel de positie in van het historische gelijk: Fukuyama achterna, wordt er verklaard dat socialisme voor eens en voor altijd zijn nutteloosheid heeft bewezen toen de Sovjetunie ineenklapte, en dat elke vorm van Westers socialisme evengoed nergens toe heeft geleid. Socialisme is een boodschap uit het verleden, en daarmee uit. Dat maakt dan ook meteen het standpunt van zoon Ed en z’n Labour partij anachronistisch en idioot: wie vandaag nog socialisme bepleit, die is de pedalen kwijt.

Deze rechtse mantra wordt weerlegd, interessant genoeg, door vaak zeer lucide analyses van Ralph Milliband als een atypisch socialist. En op die manier krijgen we plots, in een tijdsgewricht waarin dit soort kansen niet voor het grijpen liggen, een bijzonder stimulerende dialoog over de brede waaier van benaderingen die onder het etiket ‘socialisme’ schuil gaan. Dat, kameraden, is een nuttig debat.

Wie was Miliband?

Een eerste reden waarom Miliband als socialist uit de band springt is zijn levensloop. Inmiddels is bekend geworden dat Ralph Milibands vader met zijn gezin vanuit Oost-Europa naar Brussel emigreerde, en dat Ralph daar in 1924 als joodse Belg geboren werd. Het avonturenverhaal van de vlucht naar Groot-Brittannië is inmiddels ook voldoende bekend – vader en zoon raakten op het laatste schip naar Engeland terwijl de Duitse troepen in mei 1940 door België rolden. Ook het feit dat Ralph tijdens de oorlog dienst nam bij de Belgische sectie van de Royal Navy, en zo deelnam aan de landing in Normandië, is bekend. Miliband behoorde tot die miljoenen vrijwilligers die zich tijdens de oorlog verbeten met de wapens tegen de Nazi’s keerden.

De eigenaar van de Daily Mail, daarentegen, stond destijds aan de verkeerde kant. De reactionaire Lord Rothermere liet zich in de pagina’s van zijn krantje uitdrukkelijk lovend uit over de fascistische zwarthemden van Mosley, en Rothermere flirtte openlijk met Hitler. De vraag wie nu echt de landverrader was, is achteraf dan ook niet moeilijk te beantwoorden.

Na de oorlog werd Miliband docent aan de London School of Economics, de plaats van waar Hayek zijn neoliberale economie had ontwikkeld. Als student van Harold Laski ontpopte hij zich tot een briljant lesgever die op handen werd gedragen door zijn studenten (incluis studenten die men bezwaarlijk links kon noemen), en tot een toonaangevende politiek wetenschapper wiens werk wijd en zijd werd geciteerd (zie Newman 2003; Blackburn 1994 voor een beknopte levensloop).

De heterodoxe-orthodoxe socialist

Een tweede reden waarom Miliband moeilijk te blameren is in de termen die de Daily Mail op hem toepaste, ligt in zijn heterodoxe, of juist orthodoxe?, socialistische standpunten. Miliband behoorde tot wat men de New Left is gaan noemen: een generatie Britse (of in Groot-Brittannië werkende) intellectuelen die vanaf 1956 een reeks vernieuwingen ontwikkelde in de socialistische theorievorming. Hij behoorde tot de oorspronkelijke redactie van de New Left Review en The Socialist Register en was daarnaast ook medewerker van zowat elk socialistisch en Marxistisch tijdschrift van toen en later. Zijn naam hoort in het lijstje van namen met E.P Thompson, John Saville, Eric Hobsbawm, Stuart Hall, Tom Nairn, Perry Anderson, Robin Blackburn en vele anderen (zie Kerry 1995).

De ruggengraat van de New Left werd gevormd door mensen die actief waren binnen de Britse Communistische Partij en/of de linkervleugel van Labour. De Sovjet-inval in Hongarije in 1956 schiep een dissidentie binnen die partijen (vooral bij de Communisten), omdat het Panzerkommunismus niet te rijmen viel met de socialistische idealen, en omdat men er na de destalinisering onder Khruschev van uit ging dat Stalinistische methoden eindelijk tot het verleden behoorden. Het verzet hiertegen schiep een ruimte voor wat ze zelf een ‘nieuwe’ linkse positie noemden: een socialisme dat zich afkeerde, praktisch zowel als theoretisch, van het Stalinisme en het neostalinisme van het Warschaupact zowel als van de reformistische en al te pragmatische politiek van het parlementaire Labour. Daarbij werd gezocht naar theoretische verdieping en vernieuwing – de ontdekking van Gramsci, bijvoorbeeld, kwam vanuit de New Left – en naar internationalisering. Wat dit laatste betreft: de New Left Review werd snel een forum voor tiersmondistische socialistische theorie waarin figuren zoals Tariq Ali aan de oppervlakte kwamen. En tenslotte bewoog de New Left zich tevens boven de grenzen van de politiek-theoretische Partikelforschung, en liet ze alle mogelijke vormen en gradaties van orthodoxie en revisionisme toe. We vinden er Ernest Mandel broederlijk naast Andre Gorz.

Miliband, die overigens nooit lid was van de Communistische partij maar wel kortstondig van Labour, kan men dan ook moeilijk model doen staan voor een Stalinistische stereotype van socialisme. Hijzelf was buitengewoon scherp en kritisch voor de regimes in Moskou en Beijing (zie bijvoorbeeld Miliband 1989) omdat hij daarin zeer verregaande afwijkingen zag van wat socialisme zou moeten zijn. Evenmin kan men hem de fouten en vergissingen van de Labourpartij aanwrijven, want hij was net de meest rabiate criticus van het parlementair socialisme zoals dat door Labour werd beoefend (Miliband 1961).

Zijn kritiek was in belde gevallen gelijklopend. Zowel het staatssocialisme van Stalin en Mao als de parlementaire en reformistische tactiek van Labour, hadden hun band met de massa’s verloren en konden  op geen enkele wijze beweren dat ze de historische emanaties en vertegenwoordigers van het proletariaat waren. In allebei de gevallen werd de band tussen partij en proletariaat louter retorisch gehanteerd, terwijl de politieke praktijk aantoonde dat beide vormen van ‘socialisme’ een oligarchisch regime werden, waarin de belangen van bevoorrechte elites, niet die van het gehele volk, werden gediend.

Om het echte ‘socialisme’ in actie te zien moest men dan ook niet naar de Volksrepublieken kijken, want daar was het werkelijke socialisme simpelweg nooit ingevoerd. Om die redenen – het feit dat ze een karikatuur van socialisme aanvielen als ware het een echt socialisme – lachte Miliband ook de kritieken van mensen zoals Hayek en Schumpeter weg.

Miliband was wat dat betreft bijzonder rechtlijnig in zijn interpretaties van socialisme. Socialisme was een machtsvorm waarin de meerderheid van het volk – de arbeidende massa – de macht had genomen en via die macht een geheel nieuwe samenleving uitbouwde, die er zowel economisch als sociaal, cultureel en politiek geheel anders uit zag. Democratie zou geen dekmantel meer zijn voor de belangen van een leidende kaste, maar een emanatie van het belang van iedereen: de ware “macht bij het volk” die de semantiek van “democratie” uitmaakt. Socialistische partijen, derhalve, moesten werkelijk en wezenlijk, dus aantoonbaar, een basis hebben in, en legitimiteit ontlenen aan, het georganiseerde proletariaat. Syndicale organisaties waren daarom voor hem van groot belang, en een socialistische partij moest voor hem, concreet in Groot-Brittannië, een partij zijn die de vakbonden politiek vertegenwoordigde. De geleidelijk moeilijk wordende relatie tussen Labour en de Britse vakbonden was dan ook iets wat bij Miliband op geen genade kon rekenen. Een socialist heeft de opdracht, de plicht, om de steun van het proletariaat te verdienen en om te zetten in beleid dat de belangen van het proletariaat dient.

Compromissen in die zone van de waarheid waren onmogelijk voor Miliband, en hij was dan ook vaak heel scherp tegenover linkse denkers die onder druk van politieke verschuivingen meenden de socialistische strategie te moeten aanpassen, of die er van uit gingen dat de klassieke socialistische analyse niet langer van toepassing was op de Sovjetunie en het China van Mao (zie bijv. Miliband 1975, 1983a).

Een uitgepuurd socialisme

Om diezelfde reden verwierp hij Fukuyamas pronunciamento over het einde van het socialisme (Miliband 1992). Het ineenstorten van de Sovjetunie en z’n satellietstaten betekende op geen enkele manier het failliet van het socialisme, en evenmin kon het als bewijs dienen van de fatale zwakten van de Marxistische theorie. Geen van beide was immers effectief toegepast in de Sovjetunie evenmin als in het China van Mao. Om het eenvoudig te houden: geen van beide systemen had het socialisme als democratische samenleving gestalte kunnen geven. Dat democratische doel – centraal in het werk van Marx, zie bijvoorbeeld De Achttiende Brumaire van Louis Bonaparte – werd opzij geschoven voor een tiranniek systeem dat zich op het volk beriep maar dat volk op elke mogelijke wijze onderwierp en monddood maakte. Wat dan het kapitalistisch-democratische model betrof, datgene wat Fukuyama als het enig resterende model bezag in de dagen na de val van de Muur, dat zou steeds verder uitgehold worden door klassentegenstellingen en uiteindelijk even goed in een tiranniek systeem eindigen. Hoe verder het kapitalisme zich ontwikkelde, hoe scherper de klassentegenstellingen werden, en hoe meer de heersende klassen beroep zouden moeten doen op staatsgeweld om de sociale orde te bewaren.

Het hoofdargument in Milibands socialisme is moreel. Enkel een socialistische democratie, een democratie van gelijken waarin het algemeen belang volledig samenvalt met het particuliere belang, is in staat een rechtvaardige samenleving te garanderen waarin uitbuiting en verdrukking op welke grond ook – klasse, ras, geslacht enzovoort – uitgesloten waren. Dat soort samenleving zou niet (noteer: NIET) door een volledig publieke planeconomie in Sovjetstijl gedragen worden; neen, ze zou worden aangedreven door een

“gemengde economie, maar dan een waarin het relatieve aandeel van de publieke en de private economie uit het kapitalisme zou worden omgekeerd. In een socialistische democratie staan de voornaamste instrumenten van economische activiteit onder een of andere vorm van publieke, sociale of coöperatieve eigendom, met het hoogst mogelijke niveau van democratische participatie en controle” (1992: 112).

Ook op dit punt was hij dus heterodox precies omdat hij zo orthodox was: een planeconomie waarin elke vorm van economische activiteit door de staat wordt beheerd is, op z’n best, een apocriefe uitvinding van regimes, maar niet iets waarvoor men bij Marx uitgebreide argumenten kan vinden. ‘Planning’ was voor Miliband niets meer dan het type van overheidsregulering die de werkelijk bestaande kapitalistische economieën nu even goed kenmerkt, en waar het kapitalisme alle baat bij heeft. Een socialistische economie zou een aanzienlijke ruimte laten voor de markt, maar zou tegelijkertijd een ruimer geheel aan regulering inhouden dan nu binnen een neoliberaal kapitalisme het geval is. Die regulering zou in zijn meest wezenlijke vorm de verdrukkende en uitsluitende eigenschappen van de vrije markt moeten tegengaan: een essentieel aspect van economische activiteit zou op ieder ogenblik menswaardigheid moeten zijn. Hetzelfde gaat uiteraard ook op voor privaat eigendom. Er is geen enkele socialistische regel die privaat bezit verbiedt; waar socialisme zich tegen keert is tegen het uitbuitende en verdrukkende karakter van de accumulatie ervan. Als privaat eigendom de publieke welvaart schaadt en andere mensen ontmenselijkt, dan moet ze worden beteugeld.

Betekent socialisme dan een almachtige staat? Neen, zegt Miliband: het betekent weliswaar een staat die daadkrachtig en sterk is, maar die op elk aspect van z’n handelen gecontroleerd wordt door de civiele samenleving en het democratische systeem. De liberale vrijheden – gelijkheid voor de wet, vrijheid van meningsuiting, religie en zo voort – zijn de kern van een socialistische democratie, maar die vrijheden worden veel ernstiger genomen, uitgebreid en verdiept in vergelijking met het huidige kapitalistisch-democratische systeem. Terwijl de liberale vrijheden nu snel afglijden naar een systeem van privileges voor de enen en vrijheidsberoving voor de anderen, zal een socialistische democratie precies die klassen-dimensie van de democratie overstijgen en de beloften van de liberale staat en samenleving waarmaken.

Voor Miliband bewees de val van de Sovjetunie dan ook geen enkele wijze het failliet van het socialisme, want het ‘reëel bestaand socialisme’ was nooit uitgetest. Wat er volgens hem bewezen was, was dat tirannieke systemen uiteindelijk ten onder gaan aan hun eigen interne contradicties. Het einde van de Sovjetunie was dan ook niet, zoals Fukuyama beweerde, het einde van de geschiedenis; het was een al bij al uiterst positieve nieuwe ontwikkeling in de geschiedenis, die vanzelfsprekend simpelweg voort gaat.

Hij haatte zijn land

Dat was het socialisme dat Miliband voorstond en in honderden artikelen hartstochtelijk bepleitte. Het is een uiterst orthodox socialisme, dat enkel heterodox lijkt omdat de socialistische doctrines (zoals ze werden uitgevoerd in de Sovjetunie en China) volstrekt afweken van de socialistische theorie. Niet Miliband was derhalve een ‘revisionist’ – de ware revisionisten bevonden zich in het Kremlin en gelijkaardige cenakels, en het waren die revisionisten die door middel van de kolchozen, de goelag en de KGB een ‘socialisme’ hebben geschapen dat als historische fout de twintigste eeuw is gaan domineren.

Aan het andere uiteinde van het spectrum zag Miliband even goed een historische fout. Labour en z’n parlementair socialisme was vanaf de allereerste greep naar de macht – de regering van Ramsay MacDonald in 1924 – razendsnel in de richting van klassencollaboratie afgegleden. Dat betekent dat de socialistische regeringen even goed behoeders werden van de privileges van een aristocratie en een burgerij, die in Groot-Brittannië, meer dan elders, een schaamteloos elitair samenlevingsmodel  hadden uitgebouwd. Terwijl ze de historische kans hadden op een ‘grote kuis’ in de Britse klassen-samenleving, gingen de Labour regeringen scrupuleus te werk in het in stand houden van alle fundamenteel onrechtvaardige aspecten van die samenleving. En wat de Labour politici betrof: “ter wille van het smeer likt de kat de kandeleer”. Socialistische politici wentelden zich met genoegen in de aandacht die ze kregen van de Britse high society en van het Koningshuis; ze kraaiden van plezier wanneer ze in de ridder- of adelstand werden verheven; en ze gedroegen zich als staatslui nog elitairder en arroganter dan hun conservatieve tegenhangers. Lid worden, via politieke mandaten, van de leidende klassen in Groot-Brittannië betekende voor Labour politici, vaak mensen van bescheiden komaf, een shortcut naar de traditionele Britse elites, waarin ze zich snel en graag nestelden. Miliband kon genadeloos scherp zijn (soms op het amusante af) in zijn beschrijvingen en veroordelingen daarvan.

Hij haatte dat. Hij haatte dus, inderdaad, een deel van zijn land: het deel dat bewust en onbewust de sociale en economische ongelijkheid in stand hield en zelfs opvoerde als het wezen zelf van het land; het deel waarin de aristocratie en de hogere burgerij als vanzelfsprekend gunsten aan mekaar uitdeelden; het deel waarin de sociale mobiliteit van laag naar hoog bijzonder moeilijk en traag verloopt. Hij haatte de fundamentele onrechtvaardigheid en ongelijkheid die doorheen het weefsel van de Britse samenleving liepen en lopen.

Vermits dat deel van de Britse samenleving ook het deel was van mensen zoals Lord Rothermere – een puissant rijke en reactionaire aristocraat en ondernemer – ligt het voor de hand dat deze laatste vond dat mensen zoals Miliband zijn land haatten. Dat land was echter niet het Groot-Brittannië dat Milliband voor ogen had: zijn land was een land waarin iedereen op voet van gelijkheid rechten en plichten genoot, en waarin rechtvaardigheid en billijkheid de grote wettelijke en institutionele kaders bepaalden. Miliband haatte dus het elitaire Groot-Brittannië dat werd geregeerd door zichzelf bedienende elites; hij was evenwel een vurig patriot voor wat dat andere Groot-Brittannië betrof.

Het orthodoxe karakter van Milibands socialisme is af te lezen, onder andere, uit zijn gebruik van ‘klasse’. Hij was een doorgedreven en uitmuntend klasse-analist (zie bijvoorbeeld Miliband 1983b), en terwijl evoluties in het kapitalisme diverse Marxistische en andere theoretici tot belangrijke kwalificaties van het begrip ‘klasse’ dreven (toegepast, doorgaans, op de arbeidersklasse) hield Miliband zonder verpinken vast aan het klasse-begrip en de klassenstrijd. Ook als klassen van structuur, gedragsvormen en ideologie veranderen blijven ze analytisch belangrijke begrippen. Het is dus niet omdat de arbeidersklasse het consumptiegedrag van de burgerij heeft aangenomen dat ze geen arbeidersklasse meer is, en het zelfde geld wanneer een groot deel van de arbeidersklasse uit werklozen – niet ‘arbeidende’ mensen – bestaat. Groot-Brittannië werd ten tijde van Thatcher tot een klasseloze samenleving uitgeroepen – iedereen was nu kleine zelfstandige. Voor Miliband was deze kwakkel een handig instrument om de linkerzijde te destabiliseren en de rechterzijde een nieuwe pseudo-analytische adem te geven. Onder het vernis van Thatchers middenstands-maatschappij woekerden de klassentegenstellingen echter verder en dieper dan ooit: het industriële proletariaat, mijnwerkers op kop, werd gecastreerd, haar vakbonden verpletterd; stedelijke armoede en precariaat namen een hoge vlucht, en militarisme nam samen met law and order hand om hand toe. Intussen ontstond aan razende snelheid een nieuwe rente-kapitalistische elite – de Richard Bransons en Alan Sugars van die generatie – die speculatieve rijkdommen van een nooit eerder geziene omvang wist te vergaren. Groot-Brittannië een klasseloze samenleving? Miliband zag precies het tegendeel. En hij zag tevens een nog acuter nood aan klassenanalyse, klassenmobilisatie en klassenstrijd: in een zich snel dualiserende samenleving is het opgeven van de meest potente analytische instrumenten om dualisering te beschrijven niets minder dan een vergissing van historisch formaat.

Wanneer Labour zich onder Blair tot New Labour omdoopte, de politieke invloed van de vakbonden binnen de partij beëindigde en vooral good for business wenste te zijn, dan zag Miliband daarin geen historische koerswijziging maar net continuïteit, de culminatie van een traject dat heel de twintigste eeuw omvatte. In die evolutie nam Labour stapje voor stapje afstand van haar organieke binding met een klasse, het proletariaat, een koos ze steeds meer voor een natie – het Britse middenklasse zelfbeeld. Blair greep de kans die Thatcher had geboden met beide handen aan: juist ja, er waren geen klassen meer, er waren enkel nog hardwerkende, ordelievende en vlot consumerende ‘mensen’ – Britten of, in een ander jargon, ‘cliënten’ van de overheid – die door Labour moesten bediend worden. Labour gaf de notie ‘klasse’ simpelweg op en verving haar door constructies ontworpen op de tafels van de marketingmanagers. Miliband kon er niet mee lachen. Zeker niet wanneer zijn twee zonen Ed en David enthousiaste ‘Blairites’ werden en zo een politiek steunden (en uitvoerden) die, volgens hun vader, op geen enkele manier nog met de kleur ‘rood’ kon aangeduid worden. Men kon terecht spreken van Rooie Ralph, maar niet van Rooie Ed of David.

Is socialisme goed voor jou?

In de nasleep van het debat over de Daily Mail en Miliband werd duidelijk dat de rechterzijde zich in de voet had geschoten. De redacteurs van de Daily Mail bleken zo weinig beslagen inzake de politieke geschiedenis van links dat ze precies de foute figuur als doelwit voor hun vitriool kozen: iemand die volstrekt niet, op geen enkele manier, kon worden afgeschilderd als een Beria of een Molotov. Ze kozen als doelwit iemands wiens leven en werk volkomen in het teken stond van een streven naar sociale rechtvaardigheid, gelijkheid, menswaardigheid, en tegen tirannie, uitbuiting, verdrukking en ongelijkheid. Milibands socialisme was een uitgepuurd, uiterst orthodox socialisme, dat hij nooit louter demagogisch hanteerde maar telkens weer onderbouwde met een verbluffende empirische feitenkennis. Het was niet naïef, en ook al spreekt er een romantische bevlogenheid uit zijn insistentie op de mogelijkheid van een socialistische strategie, ook in tijden waarin dit utopisch lijkt, de argumenten die hij biedt zijn telkens weer overtuigend.

In een van zijn allerlaatste publicaties herhaalde hij zijn centrale these: enkel socialisme is in staat een rechtvaardige samenleving te bouwen, en zo de beloften van het liberalisme te vervullen. Het kapitalisme heeft die beloften slechts zeer gedeeltelijk gerealiseerd: voor geprivilegieerde delen van de samenleving.  Enkel socialisme zou heel de samenleving democratiseren. In die zin was socialisme deel van een oudere traditie van democratisering, maar ze was er de meest ontwikkelde tak van (Miliband 1994: 3-4). Fundamenteel conflictgeladen tegenstellingen in de samenleving – klassentegenstellingen – hebben maar twee mogelijke uitwegen: socialisme of geweld. En Miliband zag in 1994 – de tijd van de oorlog in Joegoslavië en van de genocide in Rwanda – een overdaad aan geweld, die de objectieve behoefte aan socialisme steeds groter maakte. Want enkel wanneer de fundamentele tegenstellingen geneutraliseerd kunnen worden bereiken we – en let op het woord – sociale harmonie, een samenleving waarin macht niet langer nodig was en waarin “gesocialiseerd individualisme” het civiele opvoedingsmodel uitmaakte (1994: 4). Iedereen zou alle individuele rechten hebben, net omdat eenieder ‘geïntegreerd’ zou zijn, ten volle geïntegreerd, in een samenleving van gelijken. Miliband beklemtoonde de nood, de behoefte aan dit streven en doel, en benadrukte dat dit streven en doel precies het beste in de mens zou vrijmaken. Vermits dit doel nog nooit bereikt was, en de geschiedenis dus nog lang niet ten einde liep, moest dit streven voortgezet worden.

Vandaag in 2013 lijkt het doel verder dan ooit weg. We leven in een neoliberale orde die elk aspect van de samenleving doordringt en onderwerpt aan een economische logica die waarde verwart met prijs. De intellectuele afstand tussen het socialisme dat Miliband bepleitte, en de wereld waarin we nu leven, is immens. Maar het debat over Milliband had een merkwaardig gevolg: duizenden mensen kregen plots opnieuw belangstelling voor wat hij te zeggen had. De verweerde boeken van Miliband zijn aan een nieuw leven begonnen, en wie ze leest ontdekt er een socialisme dat fundamenteel afwijkt van de standaard-verbeelding die doorheen de laatste twee decennia over dit thema is gaan heersen. We ontdekken er een samenlevingsmodel en een mensbeeld waarin velen, zeer velen, zich graag herkennen, en dat velen, zeer velen, het nastreven waard vinden. Zoals eerder gezegd: door te schieten op Miliband – net hij – schoot de Britse reactionaire pers zichzelf in de voet.

De herontdekking van dit socialisme is dus niet enkel nodig – Miliband zou dit vast beklemtonen – maar tevens mogelijk.  Al was het maar om de fenomenale en catastrofale ideeën-armoede die thans heerst te compenseren met een reeks gedachten en methoden die nu meer dan ooit als vreemd en afwijkend zullen ervaren worden, maar die een kritisch onderzoek moeiteloos zullen doorstaan. Laat me meteen ook aanstippen dat wie bij Milliband goede en nuttige standpunten vindt best nog wat verder kan lezen. Er is buitengewoon veel nuttig werk, vol uiterst precieze voorstellen en analyses, dat bestofte boekenrekken vult, met namen die velen nu vergeten zijn. Want als de socialistische traditie een hoofdkenmerk had, dan was het de nadruk op de grondige analyse van de huidige toestand – een analyse die elke vorm van actie vooraf moest gaan, omdat ze elke vorm van actie mogelijk dan wel onmogelijk maakte. Het was analyse die mensen mobiliseerde en tot actie bracht. In een tijd waarin velen staan te trappelen om in actie te schieten maar vaak machteloosheid ervaren als het erop aankomt te verklaren waarvoor of waartegen, en waarom, men actie voert – in die tijd is dit beginsel van bijzonder groot belang.

Om bij te lezen

Blackburn, Robin, 1994, “Ralph Milliband 1924-1994”. New Left Review  206: 15-22

Kenny, Michael, 1995, The First New Left: British Intellectuals After Stalin. London: Lawrence & Wishart

Miliband, Ralph, 1961, Parliamentary Socialism: A Study in the Politics of Labour. London: Merlin Press

Miliband, Ralph, 1975, “Bettelheim and Soviet experience”. New Left Review 91: 57-66.

Miliband, Ralph, 1983a, “The new revisionism in Britain”. New Left Review 150: 5-26.

Miliband, Ralph, 1983b, “State power and class interests”. New Left Review 138: 57-66.

Miliband, Ralph, 1989, “Reflections on the crisis of Communist regimes”. New Left Review 177: 27-36.

Miliband, Ralph, 1992, “Fukuyama and the socialist alternative”. New Left Review 193: 108-113.

Newman, Michael, 2003, Ralph Milliband and the Politics of the New Left. London: Monthly Review Press

Nuttige links over het debat

http://www.theguardian.com/commentisfree/2013/oct/03/ralph-miliband-british-values-daily-mail

http://pjmedia.com/ronradosh/2013/10/12/how-david-horowitz-revealed-the-truth-about-ralph-milibands-legacy-what-it-should-teach-the-british-left/

http://www.telegraph.co.uk/news/politics/ed-miliband/10356298/Memo-to-Ed-Miliband-My-Marxist-father-was-wrong-too.html

http://www.counterpunch.org/2013/10/18/ralph-miliband/print

Rerum Novarum Manifest van de Vooruitgroep

Add your thoughts here… (optional)

Jan Blommaert (en z'n gedachten)

Afbeelding

Het ACW staat, meer dan ooit, op een kruispunt van wegen

“Het graan blijft staan, ook na de orkaan”. Met die bemoedigende woorden besloot Patrick Develtere , voorzitter van het ACW, zijn toespraak op een feestviering van Rerum Novarum op 9 mei laatstleden.

De christelijke arbeidersbeweging stond de jongste maanden inderdaad in het oog van de storm. De beschuldigingen vanuit rechtse hoek, uitvergroot in de media, waren niet mals: schriftvervalsing, belangenvermenging, financieel gesjoemel, fiscale fraude, gebruik van de bedenkelijke notionele intrestaftrek. De geloofwaardigheid van de grootste sociale beweging in dit land kreeg een harde klap.

Het laat weinig twijfel dat de N-VA en cs. gebruik hebben gemaakt van een onfraai financieel beleid van het ACW om een regelrechte aanval in te zetten op een wijdvertakt middenveld dat, als belangrijke medebeheerder van sociale zekerheid, een stevige hinderpaal vormt voor een doorgedreven “sanerend” neo-liberaal beleid.

De leiding van het ACW beseft dat…

View original post 1.117 woorden meer

1 Mei manifest van de Vooruitgroep

Add your thoughts here… (optional)

Jan Blommaert (en z'n gedachten)

Samen met andere delen van de wereld kreunt Europa onder een crisis die de grondvesten van de samenleving aantast. Toch roept men in dit land dat de verkiezingen van 2014 moeten gaan over de staatkundige toekomst van België, of beter die van Vlaanderen.

Onze aandacht als kiezer zou niet mogen gaan naar onze toekomst als werkloze, zieke, gepensioneerde, alleenstaande ouder, laagopgeleide jongere, of onze toekomst als onderwijzer, vrachtwagenchauffeur, postbode, ambtenaar, bakker of verpleegkundige. Onze aandacht zou moeten uitgaan naar onze toekomst als Vlaming, punt uit. Als we dat doen, zo klinkt het, dan zal het allemaal wel los lopen met ons als werkende, werkloze, zieke, gepensioneerde, alleenstaande ouder, laagopgeleide jongere.

We zouden ons bij dit alles ook niet bezig mogen houden met de grote maatschappelijke tegenstellingen en ongelijkheden: die tussen rijk en arm, man en vrouw, inboorling en inwijkeling, arbeid en kapitaal, links en rechts. Evenmin als over…

View original post 1.092 woorden meer

Welke democratie?

Karim Zahidi

Afbeelding

Het begrip “democratie” is een begrip of concept dat door filosofen weleens wordt aangeduid als een “essentially contested concept”. Met andere woorden, het is een begrip of concept waarvan de betekenis geen eenduidige invulling heeft. Dat het concept geen eenduidige betekenis heeft, moge duidelijk zijn. Franco verwees naar zijn dictatoriale regime als een “organische democratie”, Noord-Korea heeft officieel een democratische volksrepubliek, … . Wat we ook mogen denken van deze regimes, het minste wat we kunnen zeggen is dat ze onderling weinig gemeenschappelijkheid vertonen en wezenlijk verschillen van wat vandaag in het Westen democratisch wordt genoemd. Het feit dat zulke diverse regimes zichzelf omschrijven als democratisch, geeft niet alleen aan dat er geen eensgezindheid is over wat het nu precies betekent om democratisch te zijn, het geeft ook aan dat “democratisch” gebruikt wordt als een normatief concept. De term “democratie” heeft dus naast een (gelimiteerd?) descriptief gebruik, vooral een normatieve functie gekregen. Slechts weinigen zullen vandaag versleten willen worden als antidemocratisch, en het aantal politieke bewegingen of partijen dat zichzelf expliciet anti-democratisch noemt, is nagenoeg onbestaande (althans in het Westen).

Dit alles wijst erop dat een discussie over de betekenis van het begrip “democratie”, geen discussie is die plaats vindt op een politiek neutraal terrein. Stel je even voor dat Kim-Jong-Il  met Franco de discussie zou aangaan over het democratisch karakter van hun respectieve regimes. We zouden dergelijke discussie waarschijnlijk tragikomisch vinden en we zouden er waarschijnlijk weinig mee opschieten om enige duidelijkheid te krijgen in wat nu de precieze betekenis van “democratie” is. Maar één ding zou een dergelijke discussie wel duidelijk maken: de beide discutanten zouden gewoon naast elkaar praten en geen enkele “common ground” hebben op basis waarvan ze zouden kunnen discussiëren. Het zou dus geen discussie zijn waarbij de ene de andere voor de voeten zou kunnen werpen dat zijn kieswetgeving mankementen vertoont of iets dergelijks, het zou gaan om een clash tussen twee radicaal verschillende politieke programma’s.

Dergelijke imaginaire discussie, zal u terecht opmerken, heeft weinig te maken met democratie, en ik ben het daar mee eens, maar ze geeft wel aan dat de invulling ervan zelf onderdeel uitmaakt van een legitieme politieke strijd. En dat de invulling die men geeft aan het begrip, deel uitmaakt van een ruimer politiek project. Als groeperingen het oneens zijn over de de vraag of een bepaald politiek bestel democratisch is (of in welke mate het democratisch is), betekent het vaak dat ze een andere conceptie van democratie hanteren. Er is dus niet noodzakelijk een gemeenschappelijke begrip (met nodige en voldoende voorwaarden waaraan een politiek systeem moet voldoen om een democratie te zijn). Ik denk dat het belangrijk is om dat voor ogen te houden.

Dit betekent ook dat de opmerkingen, die ik vandaag formuleer over de staat van onze democratie, niet neutraal zijn, maar ingebed zijn in een breder politiek ideologisch kader. Als ik vandaag uitspraken doe over democratie, is het dus niet vanuit de veronderstelling dat ik een politiek neutraal begrip hanteer dat door iedereen gedeeld wordt, en dat eventuele meningsverschillen bijgevolg enkel te maken hebben met nuanceverschillen.

Om de discussie wat meer vorm te geven, is het daarom nuttig om de reikwijdte ervan  aan te geven. Ik zal stilzwijgend veronderstellen dat iedereen het er over eens is dat een democratie maar beter gebaseerd is op een rechtsstaat (onafhankelijke rechterlijke macht, gelijke rechtsbehandeling, bescherming minderheden, enz…). Niet iedereen is het daar echter over eens. Vooral populistisch rechts durft het daar wel eens moeilijk mee hebben (denk aan de uitspraken door Vlaams Belang leden naar aanleiding van het proces tegen deze partij; denk aan de uitspraken van Wilders over de rechterlijke macht in Nederland). Maar een rechtsstaat is nog geen democratie en dus is de discussie over de democratie door deze veronderstelling verre van uitgeput.

De discussie over de democratie kan niet worden gereduceerd tot een debat over politieke instituties. Uiteraard zijn politieke instituties belangrijk voor een democratisch bestel. En uiteraard staat het democratisch gehalte van politieke regimes niet los van de manier waarop de instituties zijn vorm gegeven.  Maar er is meer nodig dan goed functionerende instituties, die aan bepaalde formele voorwaarden voldoen, om over democratie te spreken.

Democratie is ook meer dan om de zoveel jaar gaan stemmen. Opnieuw geldt dat periodieke verkiezingen nodig zijn, maar zeker niet voldoende.

Democratie kan ook niet worden vernauwd tot “goed bestuur” of andere technocratische noties zoals “efficiëntie” e.d. . De precieze relatie tussen democratie en goed bestuur is denk ik veel complexer dan het eenduidig verband waar soms wordt op gealludeerd.

Om het democratisch karakter van een maatschappelijk bestel te evalueren, moet op zijn minst rekening worden gehouden met de volgende factoren:

1) welke belangen wegen door bij het politiek beslissingsproces

2) wie of wat zet de agenda voor politieke discussies

3) in hoeverre komen dissidente politieke stemmen aan bod in de publieke ruimte

4) hebben minderheden een permanente plaats in die publieke ruimte

5) in hoeverre worden afwijkende meningen daadwerkelijk politiek gerepresenteerd

6) hoe groot is de sociaal-economische en culturele ongelijkheid

7) …

Dergelijke partiële lijst van factoren, die het democratisch karakter van een maatschappelijk bestel mee bepalen, geeft al aan dat de staat van de democratie niet kan worden gemeten op een eendimensionale schaal. In het bijzonder betekent dit dat het democratisch karakter van de staat niet enkel bepaald wordt door de staat van de politieke instituties. Anders gezegd, de vraag welke factoren precies in rekening moeten worden gebracht is de inzet van een legitieme politieke strijd. Het kan gaan van een zeer minimale opvatting tot een zeer brede opvatting (valt gedeeltelijk samen met de rechts-links tegenstelling). Vreemd genoeg is er in de discussie, die de laatste jaren is gevoerd over het al dan niet democratisch karakter van de Belgische staat, bijna exclusief gefocust op het politiek institutionele kader. Sommigen denken dat de Belgische democratie onvolledig is of gaan zelfs zover om het Belgische politiek bestel fundamenteel ondemocratisch te noemen. Met name de Gravensteengroep heeft in de laatste jaren dit idee ruim gepropageerd. Kort gezegd komt de kritiek hierop neer:

• België bestaat uit twee democratieën/publieke opinies (een Vlaamse en een Franstalige)

• Vlaanderen en Franstalig België hebben andere politieke voorkeuren

• alhoewel de Vlamingen een meerderheid hebben, worden hun democratisch legitieme eisen voortdurend tegengehouden door de Franstaligen (ondermeer door het karakter van de politieke instituties)

• dus België is ondemocratisch

De voorgestelde oplossing voor dit vermeende democratische deficit wordt gezocht in een verdere ontmanteling van de Belgische politieke ruimte. De achterliggende gedachte is dat de taalkundige diversiteit op één of andere manier heeft geleid tot de creatie van twee aparte landen of democratieën en dat er geen enkele manier bestaat om deze gezamenlijk te laten functioneren als één democratie.

Los van het feit of het institutionele kader op zich ondemocratisch is (er zou kunnen geargumenteerd worden dat het democratisch gehalte van dit kader ook samenhangt met de manier waarop het tot stand is gekomen – aangezien dergelijke beschermingsmechanismen tot stand zijn gekomen in een opeenvolging van staatshervormingen die zijn goedgekeurd met een buitengewone meerderheid kan men veronderstellen dat er wel degelijk een politiek draagvlak voor was), denk ik dat de kritiek op twee vlakken schromelijk tekort schiet. Eerst en vooral schiet ze tekort door haar exclusieve focus op het institutionele. En ten tweede, zelfs binnen het institutionele kader schiet hun kritiek tekort: men doet alsof het democratische karakter van België enkel wordt bepaald door de instituties van België zelf. Ze negeert daardoor de Europese en internationale context waarin elke staat vandaag opereert en die het democratisch karakter van het bestel mee bepaalt.

De kritiek op de Belgische politieke ruimte laat dus een aantal belangrijke aspecten volledig buiten beschouwing en gaat er vanuit dat enkel de Belgische politieke constellatie lijdt aan een democratisch deficit. De organisatoren van deze bijeenkomst zijn het daar alvast niet mee eens en brengen een aantal fundamentele problemen naar voor die het democratisch karakter veel verder aan tasten.

Ik denk dat als we de staat van de democratie willen bevragen en daarbij rekening houden met de verschillende factoren die ik opsomde, we niet naast een aantal belangrijke transformaties kunnen kijken die de laatste 30 jaar hebben plaats gevonden. Deze transformaties hebben niet alleen België getroffen maar gans Europa en de hele wereld. De politieke crisis die we vandaag mee maken heeft dan ook meer te maken met een aantal grootschalige processen dan met het ping-pong spel tussen Franstaligen en Nederlandstaligen hier in België. De crisis van de democratie is dus geen typisch Belgisch probleem, maar doet zich in de ons omringende landen evenzeer voor. Ik verklaar mij nader:

De transformatie van de welvaartsstaat, opgebouwd na de tweede wereldoorlog, tot een neoliberaal systeem is een van die grote processen. Het is belangrijk te noteren dat deze transformatie niet enkel een verandering heeft teweeg gebracht in de manier waarop de economie functioneert, maar ook een serieuze impact heeft gehad op hoe de politiek functioneert. De ideologie van de vrije markt wordt ook geacht van toepassing te zijn op de democratie, wat leidt tot een zeer enge visie op democratie: de individuele “koper” begeeft zich op op regelmatige tijdstippen op de  “politieke markt” waar hij kan  kiezen uit een aantal producten (politieke partijen; maar meer en meer individuele politici) die door pientere marketeers in de etalage worden gezet. Collectieve vormen van “agenda setting” door middenveldorganisaties, zoals vakbonden, worden gezien als elementen die deze markt verstoren en zijn dus democratisch niet legitiem.

Maar naast deze expliciete modellering van democratie als afspiegeling van de markt heeft de economische transformatie nog andere gevolgen gehad die het democratisch gehalte van het maatschappelijk bestel ondermijnen. Een eerste vaststelling is dat met de deregulering van de financiële markten politieke leiders niet alleen verantwoording schuldig zijn aan hun eigen bevolking, maar dat hun beleid ook onmiddellijk kan worden afgestraft door een “virtual senate”.
De term “virtual senate” is afkomstig van de Amerikaanse econoom James Mahon die het begrip omschrijft als volgt: “…that mobile capital curbs ‘irresponsible’ policies. Expressed in terms of nineteenth century Western politics, this is mobile capital as a kind of virtual senate, an arm of large property angainst the dangerous tendencies of the executive or popular chamber”. Wanneer dit virtuele, niet verkozen, “parlement” bestaande uit beleggers en ontleners, een bepaald  beleid nefast vindt voor haar eigen belangen,  kan het onmiddellijk reageren door een speculatiegolf tegen het land in kwestie in gang te zetten, door investeringen onmiddellijk weg te trekken enz… (we zien dit vandaag in verschillende landen gebeuren: regeringen worden verplicht om tegen de wil van hun bevolking draconische besparingsmaatregelen op te leggen – merk op dat dit in Europa gebeurt door tussenkomst van de Europese Instellingen). Dit legt een zware hypotheek op het beleid dat kan worden ontwikkeld door een land.
De Amerikaanse politicoloog  Timothy Canova omschrijft het probleem treffend: “Often overlooked, however, are the ways that non-state actors undermine the sovereignty and practical capabilities of nation-states to provide for the welfare and security of citizens. Threats from particular non-state actors such as private terrorist networks have received wide attention, but less visible and arguably much more significant is the growing influence of non-state actors in the global financial system.”
De aandacht van beleidsmakers verschuift hierdoor nog meer van de gebruikswaarde van het land (waarbij de noden van de gebruikers/inwoners van het land voorop staan) naar de ruilwaarde van het land (is het interessant voor investeerders). Het feit dat het IPA – een instrument om die ruilwaarde op peil te houden – ondanks verwerping door een meerderheid van de gesyndiceerde werknemers in deze assemblee is goedgekeurd zonder enige tegenstem is hiervan een mooi voorbeeld. (hetgeen ook iets zegt over het gebrek aan politieke representatie in dit parlement van bepaalde meningen).

(Met de Vooruitgroep hebben we er reeds verschillende malen op gewezen dat het Vlaamse autonomiestreven in dit kader moet worden gezien. Rijke regio’s beseffen dat ze in de strijd om hun ruilwaarde te verhogen maar beter verlost worden van regio’s die het economisch minder goed. Regio’s worden met elkaar in concurrentie gebracht in de strijd om investeerders. De gevolgen daarvan zijn bijvoorbeeld zichtbaar in Duitsland waar de voorbije jaren ook een “staatshervorming” is doorgevoerd: toename van sociale dumping en toenemende ongelijkheid tussen de verschillende Länder.)

Een tweede gevolg van de neoliberalisering is een heruitgave van een proces uit de 16de eeuw: “the enclosure of the commons”. In de 16de eeuw werden in Groot-Brittannië grootscheepse privatiseringen doorgevoerd van de zogenaamde commons (stukken land die door iedereen konden worden gebruikt, bv. Voor het weiden van vee, sprokkelen van hout). Deze gemeenden werden in privaat bezit genomen wat leidde tot een enorme verarming van de plattelandsbevolking. De neoliberalisering van vandaag heeft een zelfde effect. Belangrijke onderdelen van onze collectieve rijkdom worden geprivatiseerd en overgedragen aan privé-investeerders. Vandaar collectieve verarming: het gemeenschappelijk bezit neemt af. Naast deze collectieve verarming heeft de privatisering nog een ander nefast gevolg: bepaalde sectoren van de maatschappij staan niet langer meer onder democratische controle en worden dus niet langer  gestuurd om te voldoen aan algemene belangen. Ze worden de speelbal van particuliere belangen, t.t.z. winst. (Uiteraard moeten we het verleden niet over-romantiseren; toen bepaalde sectoren wel nog onder politieke controle stonden, werd het algemeen belang ook soms onderschikt gemaakt aan particuliere politieke belangen. Maar, in principe was democratische controle mogelijk. Nu is ze in principe onmogelijk)

Deze collectieve verarming laat zich ook voelen. Het is niet zo dat enkel een  collectiviteit op een abstracte manier verarmt. Deze collectieve verarming gaat gepaard met een reële toename van armoede; een stijgende onzekerheid voor de middenklasse, … . Het aantal mensen in armoede neemt toe;  ook in België. We zijn nog niet aan het einde van dit collectieve verarmingsproces. De sluipende privatisering, die in verschillende landen al een stuk verder is gevorderd dan bij ons, van delen van de sociale zekerheid; de afbouw van sociale bescherming enz. gaat ook hier gestaag door.

Ik heb daarnet de parallel getrokken met de verarming die in de zestiende eeuw werd veroorzaakt door de “enclosure of the commons”. De parallel kan nog uitgebreid worden. Ook de manier waarop toen werd omgegaan met de gevolgen van armoede wordt weerspiegeld in wat we vandaag vinden. Een sterke repressie van de uitgesloten en kwetsbare groepen (die niet toevallig bij ons een grote overlap hebben met immigrantengroepen) en het afhankelijk maken van sociale bescherming van allerlei voorwaarden. De klaagzang die in de 17de eeuw door een Engelse anonieme dichter werd neergeschreven
The law doth punish man or woman
That steals the goose from off the common,
But lets the greater felon loose
That steals the common from the goose
klinkt dan ook zeer actueel.

De veralgemening van de marktlogica (recent in “De Groene Amsterdammer” door 75 Nederlandse sociale wetenschappers uitgeroepen tot één van de belangrijkste problemen in de Nederlandse maatschappij) en de groeiende sociale en economische ongelijkheid bedreigt de democratie ook nog op verschillende andere vlakken. De veralgemening van de marktlogica heeft ondermeer een direct gevolg op wat John Stuart Mill de “the market place of ideas” noemde. Alhoewel iedereen in principe vrij is om zijn ideeën over wat dan ook te spuien, zien we dat in de werkelijkheid de vrije circulatie van ideeën en gedachten serieuze belemmeringen  ondervindt, ondermeer door een steeds verdere commercialisering van pers en media en de daaruit voortvloeiende verstrengeling met andere belangen. Deze verarming van het maatschappelijke debat betekent een verschraling van de politieke verbeelding.

De groeiende ongelijkheid en onzekerheid ontneemt een steeds groter wordende groep kansen. Dit heeft verstrekkende gevolgen. (toegang tot betaalbare gezondheidszorg, degelijk onderwijs, goede huisvesting,…). En dit is opnieuw een stap terug in de democratisering van ons maatschappelijk bestel.

Maar ook op sociale relaties en heeft het marktdenken een negatieve invloed. Mirko Noordergraaf van de Universiteit van Utrecht schrijft hierover in een citaat, waarin echo’s van opmerkingen van Marx bespeurbaar zijn: “In een wereld die bol staat van concurrentieprikkels, global competition, prestatieverbetering, transparantie, rankings, value for money, evidence based handelen, bezuinigen en noem maar op, gebeurt veel met alledaagse relaties en werkpraktijken. Gedrag wordt calculerender en relaties worden zakelijker, anoniemer en vijandiger. Dat treft ook publieke dienstverlening; cliënten worden objecten die vooral aangepakt en verbeterd moeten worden. Cultuur is een instrument geworden”.

Uit het voorgaande mag niet worden geconcludeerd dat de politiek machteloos staat  tegenover de economische krachten die de democratie bedreigen. Ze kan terug pogingen doen om de destructieve economische krachten aan banden te leggen zoals ze dat eerder in de geschiedenis gedaan heeft. We zien echter dat er voorlopig geen aanstalten worden gemaakt om stappen in die richting te ondernemen. De maatregelen die door de Europese instellingen worden genomen om de economische crisis te bestrijden, wijzen veeleer op de wil om het bestaande economische systeem te bestendigen. We moeten dan ook niet verwachten dat de politiek zomaar het geweer van schouder zal veranderen. Wij hoeven ons daar niet bij te neer te leggen. Democratie is meer dan een “toeschouwersport” waarbij we om de zoveel jaar gaan stemmen. In tegenstelling tot wat sommigen lijken te denken, zal een staatshervorming ook geen regionaal democratisch walhalla creëren.

Misschien is het nuttig om af en toe eens over de grenzen te kijken om inspiratie op te doen over het verder kan. In IJsland zijn in de afgelopen jaren een aantal ontwikkelingen aan de gang die eventueel tot voorbeeld kunnen strekken. Een paar weken geleden hebben de IJslanders in een referendum beslist dat de maatschappij niet de gevolgen zal dragen van de zware schuldenlast die door de bankencrisis is veroorzaakt.  Het is een poging om zich te onttrekken aan de wurggreep van de “virtual senate”. Dit is, denk ik, een hoopvol teken voor de democratie in IJsland.

Maar ook wat betreft de huidige institutionele crisis in België, kunnen we misschien iets leren van wat in IJsland gebeurt. De opties die in België bespreekbaar zijn, reduceren de bevolking tot machteloze toeschouwers die moeten toekijken hoe politici zich verder in het politieke moeras vast rijden. Maar misschien moeten we meer durven doen dan enkel de politici oproepen om “hun verantwoordelijkheid te nemen”. Waarom zou de Belgische bevolking zelf geen actievere rol kunnen spelen, ja waarom ook niet bij de uittekening van een nieuwe Belgische staatsstructuur. Populistisch? Utopisch?  In IJsland heeft men resoluut gekozen voor een radicaal democratische oplossing voor het uittekenen van een nieuwe grondwet. Het parlement heeft beslist om die taak niet toe te vertrouwen aan zichzelf of aan de politieke partijen, maar wel aan een grondwettelijke vergadering die door de bevolking is gekozen. Professionele politici konden zich niet verkiesbaar stellen voor deze grondwettelijke assemblee. Onder de 25 leden van deze grondwettelijke assemblee bevinden zich lieden van alle slag. Deze grondwettelijke assemblee zal verder beroep doen op een duizendtal IJslanders die door het lot zijn aangeduid. Wat de resultaten van deze oefening in democratie zullen zijn, valt af te wachten. Maar gelet op het feit dat we al enkele jaren in een patstelling zitten, moeten we ons misschien afvragen of het echt wel zo verstandig is om de politiek enkel over te laten aan beroepspolitici.

Er zijn dus mogelijkheden aanwezig om het democratisch karakter van onze samenleving op te krikken. Daarmee is echter niet gezegd dat het eenvoudig zal zijn. Er kan terecht worden opgemerkt dat het succes van populistische partijen aantoont dat het overgrote deel van de bevolking niet is geïnteresseerd in de staat van de democratie. Immers de politiek die populistische partijen voor staan, lijkt eerder te leiden tot een verdere verschraling van de democratie. Maar misschien is dit een foute diagnose. Dat dergelijke partijen zoveel succes hebben, kan meer te maken hebben met het feit dat een deel van de bevolking aanvoelt dat ze slechts als toeschouwers geduld worden. Wat Jürgen Habermas een paar weken geleden opmerkte over Europa: “De politieke elites (…) zetten zonder blikken of blozen hun eliteproject door en ontnemen de Europese burger zijn stem” is bij een deel van de bevolking al langer door gedrongen. Elites zetten niet alleen hun Europese projecten door zonder zich veel aan de bevolking gelegen te laten. De verwerping van dergelijke elitaire projecten getuigt, denk ik, van een gezonde democratische reflex, die nu wordt gecapteerd door populistische partijen, maar ook kan worden omgebogen tot een kracht die de democratie revitaliseert. Dat zal waarschijnlijk niet makkelijk zijn, maar laat mij op een positieve noot eindigen met de woorden van Gramsci: we moeten strijden met het pessimisme van het intellect en het optimisme van de wil.

De culturele proleet

Robrecht Vanderbeeken

Afbeelding

Een verzameling musea, waaronder M HKA Antwerpen, kreeg onlangs van de Europese Unie een zak geld voor een samenwerking rond thema’s als ‘Europese identiteit’ en zoiets als ‘revolutie’. Deze museumconfederatie kreeg daarom meteen de naam ‘L’Internationale’ mee, een vette knipoog naar het strijdlied van de arbeidersbeweging. Nochtans gaat het hier duidelijk niet om ‘de bevrijding’ van de kunstenaar maar om het zelfbehoud van een exclusieve en toevallige groep instituten – sommigen weliswaar noodleidend – die ‘iets’ willen doen rond enkele vage thema’s. Terwijl het volstrekt onduidelijk is wat dan wel de artistieke urgentie zou zijn waaruit vertrokken wordt en die dit project dus legitimeert. Kortom, als we dan toch trendbewust goochelen met erfgoed in strijdbare termen, laten we de oefening dan eens voluit maken. Hoe zit het nu eigenlijk met ‘de klassenstrijd’ van de hedendaagse kunstenaar?

Klassenbewustzijn

De evidentie dat er subsidies naar cultuur gaan, wordt vandaag systematisch door populistische tafelspringers onderuit gestampt. Daar is de sector helemaal niet op voorbereid. Ook kunst is nu een markt geworden, investeringen moeten renderen en alleen als je verkoopt ben je een kunstenaar. Wie slecht verkoopt is bijgevolg een slechte kunstenaar. Laat de markt haar werk doen zoals een ‘ecosysteem’, publieke interventies met subsidies zouden die ‘harmonie’ alleen maar verstoren. Nochtans voelt bijvoorbeeld geen enkele professor zich een ‘subsidieslurper’. Ook al maken sommige academici als ambtenaar carrière bij gratie van de gesubsidieerde kunst. Toch moet de kunstenaar zich tegenwoordig altijd maar schuldig voelen en vooral sorry en dank u leren zeggen.

Kunstenaars incarneren vandaag helaas al zelf de neoliberale waarden: het zou om één grote afvalwedstrijd naar de top gaan – bij het pantheon van ‘de canon’ behoren – wie slaagt mag langs de mediagenieke erehaag van de hall of fame. Zoals bij de benepen show rond filmdiva’s worden sterkunstenaars tegenwoordig bewonderd alsof het hemellichamen zijn. Wie faalt mag aanschuiven in de lange rij van het precariaat. Dat hebben deze losers dan wel aan zichzelf te danken want – zo gaat het riedeltje – de ‘echte’ kunstenaar komt er uiteindelijk wel. Ook in de kunst heerst dus de ‘verschoven klassenstrijd’: kunstenaars leren naar opzij en omlaag stampen, in plaats van naar boven.

Door allerlei verzinsels zoals ‘de creatieve klasse’ van de neoliberale ideoloog Richard Florida, leven sommige kunstenaars in de waan dat zij één groep vormen met reclameboys, digitale bohemiens, de soldaten van de creatieve economie, de verkopers van de speelgoedindustrie, etc. Het zou vanaf nu om één grote club ‘creatievelingen’ gaan, ‘schottenloos’, zoals marktgerichte politici zeggen. De kunstenaar die werkt uit passie, innerlijke noodzaak zelfs, wordt zo op één hoop gegooid met de creatieve ondernemer die vooral geniaal is in het creëren van winst. Deze ‘klasse’ – sterker nog: deze ‘klasseloze klasse’ –  is één grote leugen, een ‘vals bewustzijn’ zeg maar, omdat er simpelweg geen maatschappelijke groep is waarbij de sociale en economische belangen onderling zo verschillend zijn als bij de kunstenaar.

Sommigen voelen zich op hun plaats in ‘burgerlijke salons’, werden er rijk, en voelen zich daardoor niet alleen mentaal ver verwijderd van wat ‘de arbeider’ heet. Toch is de kunstenaar, zoals de intellectueel, iemand die moet werken voor zijn levensonderhoud en dus tot het zogeheten ‘proletariaat’ behoort. Straffer nog: de vrije kunstenaar in zijn atelier verricht volgens de kapitalistische logica geen nuttige arbeid in de industriële productiemachine en behoort dus tot het ‘lompenproletariaat’. Zoals de zwerver, de crimineel, de bedelaar, het huispersoneel, kortom iedereen die, bij afwezigheid van een socialistisch geïnspireerde maatschappij, volledig afhankelijk is van de liefdadigheid van de kapitalist.

Avant-garde

Dat de kunstenaar de voorhoede van de samenleving zou zijn, is nog zo’n illusie die vooral tegen de kunstenaar wordt gebruikt. Politici en academici verwijzen hun verantwoordelijkheid namelijk graag door naar de kunstenaar: die moet de wereld maar redden. Om er dan meteen bij te zeggen dat het hen niet zal lukken waardoor de kunstenaar weggezet kan worden als romantisch genie of utopische nar. Het ‘instituut kunst’ krijgt zo niet alleen de veel te zware taak ‘maatschappelijke vernieuwing’ op de schouders geladen, waardoor de speelse aanzet tot artistieke vernieuwing net dreigt te worden verpletterd om vervolgens, bijvoorbeeld, niet verder te geraken dan wat aandoenlijke groene propaganda. Noodzakelijk activisme misschien, maar geen kunst.

Tevens wordt ‘de vernieuwing’ teveel binnengeleid, om niet te zeggen vastgezet, binnen één vrij beheersbaar alsook vrij ‘burgerlijk’ en formatterend domein van de samenleving: de culturele sector. Bestaande uit enkele fel gecontroleerde publieke instellingen waarrond de kunstmarkt als een versmachtende bruidsluier naar boven groeit. Want de verbeelding mag vandaag zeker niet vrij op straat lopen. Te gevaarlijk! Alleen de angst wordt voortdurend op ons los gelaten.

Desondanks is de voorhoede wel degelijk te vinden in de verbeelding en het scheppend vermogen dat voortkomt uit de handen en de hoofden van alle werkende mensen, niet in de laatste plaats de cultuurwerkers, zoals de kunstenaar en de intellectueel. Maar als de verbeelding de voorhoede van de samenleving is, dan is de hedendaagse reductie van alle kunst en cultuur tot economisch glijmiddel bijzonder veelzeggend. En als de verbeelding de voorhoede van de samenleving is, dan is het niet zo overdreven te stellen dat de beslissende strijd met de marktconforme, verkleuterende tijdsgeest misschien vooral in het denken over cultuurbeleid begint.

De Europese Unie – de voorhoede van besparing, privatisering en een verzorgingstaat voor de markt – heeft de kunsten nu ook ontdekt. Om uit de economische crisis te geraken, klampt men zich vast aan de kosmische kracht die creativiteit is. Het nieuwe cultuurbeleid Creative Europe zet kunst en cultuur daarom in de vitrine, in de hoop dat de EU een innovatieve topregio wordt. De vervreemding: de kunstenaar moet geen kunst meer maken, maar bedrijven vooruit helpen. De uitbuiting: ook de publieke cultuursector staat te koop, als ‘seed money’ voor private investeerders die nu dronken van kapitalisme rondspringen op de luchtkastelen van de financiële markten, verslaafd aan virtuele tweecijferrendementen, en zo de reële economie niet alleen uit het oog verliezen maar ook de grond in gokken. Dat is de artistieke ‘avant-garde’ die er nog mag zijn: lokeend voor investeerders en klanten. Niet klagen maar behagen, braaf zijn, kunstjes doen en blijven lachen. De CEO’s van Vlaanderen halen zonder enige inspraak van onze kunstenaars al meteen een nieuwe baseline boven: ‘Flanders State of the art’, nota bene een leuze gepikt van een groep artiesten uit New York die ijverden voor meer solidariteit in de hoop hun penibele werkomstandigheden te verbeteren.

Want kunstenaars worden echt wel uitgebuit, dikwijls te beginnen door onze kunsthuizen zelf. Een van de vele omerta’s uit de sector: heel wat kunstenaars moeten quasi gratis hun diensten aanleveren. Ze mogen immers al blij zijn met de institutionele zichtbaarheid die ze krijgen – goed voor hun c.v. – merci zeggen tegen cultuurambtenaren die wel over de luxe van vakantiegeld en pensioen beschikken.

De barricaden

Welke ‘culturele’ revolutie moet er dan gevoerd worden? Opvallend veel kunstenaars leven onder de armoedegrens. Hoewel beleidsmakers de ‘waarde’ van cultuur zo graag willen kunnen meten in termen van crowdfunding en publieksbereik – investeerders vinden, tickets verkopen en koppen tellen ongeacht wat er daarin omgaat – zodat zij via een neoliberale bureaucratie de cultuursector in hun greep kunnen houden, bestaat daar opvallend weinig onderzoek over. Verpauperde kunstenaars moeten maar beter aan ‘zelfbestuur’ leren doen of, als dat niet lukt, hun linkse hobby opgeven.

Strijd is ook nodig voor onze artistieke toekomst, met name al die getalenteerde kunststudenten die na hun korte opleiding gedropt worden – dat ze hun plan trekken, creatief als ze zouden moeten zijn, foert! – ondermeer omdat kunstacademies gepreoccupeerd zijn met zelfprofilering en ‘onderzoek’ in de hoop academisch te mogen meespelen met grote broer unief. Over ‘vervreemding’ gesproken, of ‘warenfetisjisme’ met façades en output. Zo kweek je natuurlijk bravourekunstenaars die van naast hun schoenen lopen een artistiek medium maken.

De inzet van ‘de strijd’ ligt overigens veel hoger: door de uitverkoop van kunst en de vermarkting die langs alle kanten oprukt, slaat de klepel zo ver door dat de verbeelding wordt doodgeknepen, de fantasie gejat, waardoor wij uiteindelijk allemaal slachtoffer zijn. Want dat maakt van ons allemaal ‘culturele proleten’: verstoken van cultuur maar wel verzadigd van commerce. Wat jolige comedy hier, wat posh design daar en hysterisch tribalisme eigen aan de celebrity-cultuur overal.

Kunst die niet in de marktmantra past, wordt als overproductie beschouwd. Zo gaat dat in de ongelijke markt: er zouden nu eenmaal te veel kunstenaars zijn, het aanbod is groter dan de vraag. Binnen de logica van de kunstmarkt is schaarste noodzakelijk omdat speculatie er essentieel is. Te veel goeie kunst maakt de markt immers kapot. Dan rest er nog alleen ‘chaos’. En het moet vooral verkoopbaar blijven, ook een ‘commodificatie’ van de kunstenaar is onontbeerlijk: kunst is koopwaar, kunstenaars zijn merken. Ondertussen loopt de cultuurwerker als een superhero uit de infantiele amusementsindustrie voorhoede in de onmacht van de flexwerker die als een nacht over Europa neerdaalt. Geen vaste contracten, werken na de uren uiteraard, mini-jobs, stages, vrijwilligerswerk, dat heet plots allemaal investeren in zelfontplooiing. Onzekerheid is de nieuwe zekerheid. Zelfs cultuurambtenaren gaan er al vanuit dat de kunstenaar een ‘kleine zelfstandige’ moet zijn, om daarna wel de neus op te halen als die kunstenaar een acte de présence geeft voor zijn galerij op een kooploopse kunstbeurs.

De artistieke volksbeweging

Moet kunst dan politiek worden? Ja, net om vrij te kunnen zijn. Nog zo’n illusie: de ‘vrije’ kunst los zou staan van de maatschappij. Net door te verdwijnen in de waan ‘vrij’ te zijn, dreigt de kunstenaar zijn autonomie te verliezen, gerecupereerd als hoer van de ‘culturele hegemonie’ van de zakenelite, onze consumptiecultuur en wegwerpeconomie. Elke kunstenaar werkt immers binnen een sociale context en is dus als publieke figuur onvermijdelijk een volksvertegenwoordiger. Ook het negeren van die rol is een politieke daad. Wat op zich heel interessant kan zijn: ‘vrije’ kunst als mistgordijn en spiegel van the empire of freedom. ‘Abstracte’ kunst als de ultieme verbeelding van de Geldgod met de onzichtbare hand?

Kunst op voorschrift is sowieso een farce. Kunstenaars moeten net vrij zijn om zelf hun maatschappijkritische draai te vinden, of te verliezen, of net de grote verdwijntruc in heel dit dramaspel te verbeelden. Tegenverbeelding is nodig, een tegenkracht tegen de cultuurpolitiek die alleen mikt op return on investment, op citymarketing, creatieve handel en oppompen van de nationale trots. Laten we toch niet vergeten dat het huidige sociaal-liberale beleid van kabinet Rutte II de kaalslag van Zijlstra braaf uitvoert en ondertussen de zwarte piet doorschuift. Laten we dus vooral niet vergeten dat ook de traditionele partijen, zoals de nieuwrechtse uitdagers, blijkbaar niet in staat zijn een ‘politiek’ draagvlak voor cultuur te realiseren. Dat zullen we dus zelf moeten doen.

De cultuursector doet elk neoliberale beleid een groot cadeau door te volharden in zijn versnipperd individualisme, door vooral niet solidair te zijn, en zijn ‘strijd’ te beperken tot een ‘multitude’ van allemaal uiteenlopende, vluchtige strovuurtjes van verontwaardiging. Protest lijkt zo eerder een excuus te zijn, een illustratie van de zelfverklaarde strijdbaarheid, hoewel men toch vooral niemand wil bruuskeren. Zoals iemand die bedeesd op zijn tippen rondloopt in een tentoonstelling, verkrampt, schrik om iets om te stoten of te vertrappen. Tegen deze tijdgeest van feelgood ‘horizontalisme’ in, is er een nieuw ‘verticalisme’ nodig. Om uit de kooi van de verdeel-en-heerspolitiek te geraken die uiteindelijk niemand spaart als er echt bespaard moet worden. Wachten op spontane acties die iemand anders wel zal doen, is knielen bij de status quo. Vandaag zijn er in heel Europa voorbeelden genoeg te vinden wat er dan met cultuur gebeurt: afbraak, uitverkoop, solden.

Cultuurwerkers hebben elkaar een vijandigheid voor ‘politiek’ aangepraat. ‘Macht’ zou corrumperen, maar ondertussen dealen sommigen uit zelfbehoud wel in partijpolitieke achterkamertjes en worden wij als politieke leken allemaal tegelijk onder de voet gelopen. Laten alvast één zaak duidelijk zijn: een ‘verticalisme’ onder de vorm van een institutioneel spinnenweb zoals de museumconfederatie L’Internationale, die  binnenkort het voorprogramma van diezelfde EU mogen spelen, is een goed voorbeeld van hoe de sector net niet gemobiliseerd en georganiseerd zal geraken. Want de sector, dat zijn niet zozeer de cultuurpolitici uit de cultuurcommissie, noch onze gelauwerde cultuurmanagers. Dat zijn ook niet die kleine gelegenheidsbelangenbehartigers van een subsector, waarvan een coördinator al eens misbruik durft maken om zijn overstap naar de partij van de Cultuurminister voor te bereiden, om zijn oppositiewinkeltje na de verkiezingen wellicht bij het groot vuil te parkeren. De sector, dat zijn ook niet de steunpunten, die zo ‘strijdvaardig’ zijn dat zij er bij het zogenaamd gezamenlijke overleg over het nieuw Kunstendecreet eigenhandig voor gezorgd hebben dat zij nu onder de rechtstreekse controle van de overheid vallen. Misschien waren zij het beu om als schoothondje van de administratie versleten te worden. In de toekomst vervalt dergelijke kritiek officieel omdat zij dan per decreet de externe beleidswoordvoerder zijn.

Nee! De sector, dan zijn de beeldend kunstenaars, dansers, acteurs, dichters, schrijvers en regisseurs, de cultuurwerkers, de kunststudenten, kunstcritici en curatoren. Dat zijn, kortom, alle mensen uit de sector erfgoed, kunsten en sociaal-cultureel werk, samen met hun breed publiek aan cultuurliefhebbers. Wij zouden dringend, op Europese schaal, samen de handen in elkaar moeten slaan. Want alleen op die manier kunnen wij vermijden dat de Cultuurminister bij de volgende bijltjesdag (die er zeker komt) in de media moet jammeren ‘dat er toch geen politiek draagvlak in de het parlement’ te vinden is.