Links en Vlaams: de tang en het varken? Over conservatisme, neoliberalisme en het links-flamingantisme

Thomas Decreus

 

Met Johan Van Overtveldt heeft een nieuwe neoliberale hardliner zich bij de N-VA rangen gevoegd. Naar aanloop van de verkiezingen meet de grootste partij van Vlaanderen zich een steeds duidelijker, uitgesproken neoliberaal profiel aan. Tegelijk verschijnen er op de webstek van ondermeer de Gravensteengroep oproepen voor een Vlaams en links engagement, al dan niet aan de zijde van de N-VA. In deze tekst wordt op zoek gegaan naar de mogelijkheid van een dergelijk links en Vlaams project binnen de huidige constellatie. Dat zal gebeuren door middel van een analyse van de verschillende ideologische voedingsbodems van de N-VA: conservatisme, nationalisme en neoliberalisme.

Afbeelding

De onbegrensdheid van het neoliberalisme

Vlaanderens grootste partij wordt gedomineerd door drie grote ideologieën: conservatisme, nationalisme en neoliberalisme. Het blijft een vreemde combinatie omdat neoliberalisme botst met zowel het nationalisme als het conservatisme. De warme, organische samenleving waar de conservatief bijvoorbeeld van droomt wordt voortdurend ondergraven door de ontwrichtende krachten die een doorgedreven neoliberaal beleid op de samenleving loslaat. Men hoeft zijn Marx niet gelezen te hebben om zich er te van vergewissen dat het laten zegevieren van een ongebonden marktlogica leidt tot maatschappelijke ontworteling. Wanneer conservatieven à la De Wever of Dalrymple het gebrek aan sociale cohesie of de toenemende individualisering aan de kaak stellen, dan lijken ze compleet voorbij te gaan dat deze fenomenen het rechtstreekse gevolg zijn van een veranderende, meer veeleisende arbeidsorganisatie, de afbouw van sociale vangnetten en de aanval op solidariteitsmechanismen. Wanneer men huilt over een verlies aan authenticiteit, dan lijken conservatieven niet te beseffen dat een steeds verdere commodificatie cruciaal bijdraagt tot de ‘ontwaarding van alle waarden’. Vandaar dat conservatisme en neoliberalisme elkaar feitelijk uitsluiten.

Dat geldt misschien zelfs nog meer voor wat de core-business en reden van bestaan is voor de N-VA: het nationalisme. Als we neoliberalisme nemen voor wat het is, namelijk een dogmatisch geloof dat de vrije markt het beste organisatieprincipe is voor de economie en de samenleving als geheel, dan kunnen we niet anders dan vaststellen dat een dergelijk geloof strijdig is met een nationalisme. Een geliberaliseerde markt verdraagt immers geen landsgrenzen, springt over taalgrenzen heen en walst vrolijk over culturele verschillen. De ultieme neoliberale droom is in wezen een kosmopolitische droom die de natie als een categorie uit een vervlogen tijd beschouwt. Deze neoliberale utopie wordt misschien nog het best verwoord door het personage Arthur Jensen in de film Network (1976). Jensen tikt een kritische medewerker (Howard Beal) op de vingers omdat die zogenaamd niet zou snappen hoe de wereld in elkaar zit:

De Arabieren hebben miljarden dollars uit dit land getrokken, en nu moeten ze die die dollars hier herinvesteren. Het is eb en vloed, een getijdenwerking. Het is een ecologisch evenwicht. Jij bent een oude man die denkt in termen van naties en volkeren. Wel, er zijn geen volkeren. Er zijn geen Russen. Er zijn geen Arabieren. Er is geen Derde Wereld. Er is geen Westen. Er is enkel één holistisch system der systemen, een robuust en immens, interreagerend, multi-gevarieerd en multinationale hegemonie van dollars. Petro-dollars, electro-dollars, multidollars, Reichmarks, roebels, ponden en sheikels. Het zijn de internationale wisselkoersen die de totaliteit van het leven op deze planeet bepalen. Dat is de natuurlijke orde der dingen vandaag.”[i]

Ik denk dat deze fictieve speech redelijk goed de ideologie uitdrukt die leeft in middens van traders, bankiers, groot-industriëlen en miljardairs. Nu de markt geglobaliseerd is, lijken naties, volkeren, religies, ideologieën en grenzen er inderdaad niet meer toe te doen. De wereld is één geworden door middel van een gigantisch handelsnetwerk waarin kapitaal in minder dan een seconde van de ene kant van de wereld naar de andere kant kan geflitst worden. Het neoliberalisme valt dus samen met een soort kosmopolitisme. Niet het soort kosmopolitisme dat Immanuel Kant in Over de Eeuwige Vrede voor ogen had, niet het kosmopolitisme van het wereldburgerschap maar dat van het wereldondernemerschap en wereldconsumentenschap. Het neoliberale kosmopolitisme is geen politiek kosmopolitisme dat ijvert voor een wereldstaat, een wereldgemeenschap, de wereldwijde herverdeling van rijkdom of de globalisering van mensenrechten. Nee, het is in de eerste plaats een economisch kosmopolitisme dat uitgaat van het idee dat de globalisering van de markt leidt tot een globaal netwerk dat de politiek, grenzen en volkeren zelf volledig overbodig maakt. Het is een kosmopolitisme dat vertrekt van het naïeve idee dat iedereen de taal van het geld spreekt en dat waar handel floreert de kans op oorlog wordt gedecimeerd. Bovendien gaat men ervan uit dat deze geglobaliseerde orde van staatsloze consumenten en ondernemers op termijn de beste garantie is op een wereldwijde, eerlijke en efficiënte verdeling van rijkdom en goederen.

            In de film Network eindigt de speech van Arthur Jensen dan ook als volgt:

De wereld is een verzameling van ondernemingen, Meneer Beal, volledig bepaald door de onveranderlijke wetten van de economie. De wereld is een onderneming, meneer Beal! […] En onze kinderen zullen deze perfecte wereld eindelijk zien, een wereld waarin er geen oorlog meer is en geen hongersnood, geen onderdrukking en geen wreedheid. Wat zal overblijven is één enorm gemeenschappelijk bedrijf, waarvoor alle mensen zullen werken om een gezamenlijke winst na te jagen, een bedrijf waarin iedere mens een aandeel zal hebben. In alle behoeften zal voorzien worden, alle angsten zullen verdoofd worden, alle verveling geëntertaind.[ii 

Neoliberalisme en conservatisme: een gemeenschappelijke vijand

Het grootkapitaal waarmee de N-VA graag handjes schudt heeft eigenlijk geen enkele boodschap aan het nationalisme. Vanuit de wereldeconomie bekeken is het Vlaams-nationalisme een grap. Bovendien leven neoliberalisme, conservatisme en nationalisme, theoretisch en ideologisch gezien, op gespannen voet met elkaar (zie bv. het debat over het vermeende conservatisme van Hayek en Hayek’s apologie ‘Why I am not a conservative’). Toch moeten we ons de vraag stellen waarom conservatisme, nationalisme en neoliberalisme in de politieke praktijk vaak samengaan. Immers, niet enkel de N-VA mixte deze drie schijnbaar tegenstrijdige ideologieën. Ook de twee neoliberale iconen, Reagan en Tatcher, lieten conservatisme, nationalisme en neoliberalisme op pragmatische wijze in elkaar overvloeien. Hoe is dit mogelijk?

            Ik zie twee grote redenen hiervoor. Ten eerste kunnen het conservatisme en het nationalisme beschouwd worden als nuttige en misschien ook een nodige aanvullingen op het neoliberalisme. Het conservatisme en het nationalisme zijn manieren waarop de dislocaties van de vrije markt kunnen opgevangen en gearticuleerd worden, maar ook gecamoufleerd worden. Wanneer naties en gemeenschappen aan ontbinding onderhevig zijn is het erg handig om een nationalistisch of conservatief verhaal op te hangen dat schijnbaar verklaart waarom er ontbindende krachten aan het werk zijn. ‘Vreemdelingen’, ‘onaangepasten’, ‘onproductieven’, ‘linkse’ en ‘volksvreemde’ ‘intellectuelen’, de ‘multiculturele’ politiek van een ‘linkse elite’, etc. worden dan als oorzaken aangeduid. Een verhaal waarmee gescoord wordt en waarmee de ware ontbindende krachten onderbelicht blijven. Conservatisme en nationalisme als verkeerde diagnosen en een verkeerde remedies dus. Maar wel remedies die tijdelijk soelaas brengen en waarmee men electoraal makkelijk kan scoren.

            Ten tweede is het zo dat conservatisme en neoliberalisme een bepaald ideologisch belang delen. Beide stromingen weten zich verenigd in hun anti-socialisme. Het neoliberalisme kan gelezen worden als een historische reactie op de welvaartstaten van na de tweede wereldoorlog, terwijl het conservatisme zich verzet tegen iedere vorm van radicale en revolutionaire politiek; of die nu van overheidswege wordt opgelegd of niet. Beide ideologieën vinden zichzelf in een gemeenschappelijke vijand: de revolutionaire staat die hetzij een radicale emancipatorische politiek voert die indruist tegen het gesundes Volksempfinden, hetzij ingrijpt in het economische gebeuren door het eigendomsrecht te politiseren en de marktwerking te verstoren. Met andere woorden, de gemeenschappelijke vijand is het socialisme in de ruimste zin van het woord. Vandaar ook dat libertariërs en nationalistische conservatieven elkaar perfect vinden in de VS: ze delen hun aversie tegen de ‘socialist’ Obama. In zeker zin zien we een zelfde mechanisme terugkeren in België: neoliberalen en conservatieve nationalisten weten zich verenigd hun gemeenschappelijke aversie tegenover de zogenaamde ‘PS-dominantie’, de ‘linkse kerk’ en de ‘linkse intellectuelen’. 

Het pad naar onafhankelijkheid

Maar België zou België niet zijn als het niet allemaal iets complexer was dan hierboven wordt voorgesteld. De omarming van het neoliberalisme door een in wezen conservatieve en nationalistische partij heeft niet enkel te maken met bovengenoemde redenen, maar ook en vooral met de verwezenlijking van de Vlaams-nationalistische agenda. In mijn ogen heeft een deel van links een al te eenvoudige verklaring van de neoliberale agenda van de N-VA. Volgens hen is het Vlaams-nationalisme een ideologisch glijmiddel ter realisering van een neoliberale staat. Volgens mij is het net omgekeerd. Het hoofddoel van de N-VA is en blijft de realisering van een onafhankelijk Vlaanderen. Men onderschat de ideologische verbetenheid van de kopstukken in deze partij. Veel van die kopstukken zouden meteen hun politieke carrière opgeven de dag dat Vlaanderen onafhankelijk wordt. De enige, fundamentele reden waarom men aan politiek doet is het najagen van die droom van een onafhankelijk Vlaanderen. De omarming van het neoliberalisme is slechts een middel ter realisering van dat doel. Maar, binnen de huidige constellatie, wel een noodzakelijk middel.

            De uitleg hiervoor ligt eigenlijk voor de hand. De N-VA beseft maar al te goed dat een Vlaamse onafhankelijkheid niet binnen handbereik ligt wanneer het grotendeels federaal georganiseerde sociale stelsel en de machten die het in stand houden niet worden gebroken. Vandaar ook dat de N-VA in de eerste plaats wil inzetten op wat ze noemt een ‘sociaal-economische herstelregering’. Die sociaal-economische herstelregering is niets anders dan een noodzakelijk en onmisbare stap in de realisering van het confederale model. De rechtse ‘herstelregering’ zou dan idealiter bestaan uit een coalitie tussen Open-VLD/MR, de rechtervleugel van CD&V/MR en N-VA. Een gelijkaardige coalitie is eventueel mogelijk zijn op Vlaams niveau (Open VLD, CD&V en N-VA). Dit betekent, heel concreet, dat er een coalitie in het leven wordt geroepen waarin links niet vertegenwoordigd is en die een rechtstreekse aanval op de vakbonden zou kunnen inzetten. Dit is een eerste en belangrijke stap in de ontmanteling van het sociale stelsel en dus van België.

Het punt is dus dat de realisering van een neoliberale agenda en de ontmanteling van België objectief samenvallen. Vandaar dat nuttige idioten zoals een Sigfried Bracke en een Johan Van Overtveldt naar voren worden geschoven die de Vlaamse strijdpunten schijnbaar ondergeschikt maken aan de realisering van een economisch programma. Hiermee lokt de N-VA de sociaal-economisch rechterzijde in haar kamp en realiseert ze tegelijk de ontmanteling van België door middel van de komende ontmanteling van het sociale stelsel. Het directe doel van de N-VA is dan ook de vorming van een hegemonie tussen (neo)liberalen, conservatieven, extreem-rechts en nationalisten. In belangrijke mate is men reeds geslaagd in het vormen van een dergelijke hegemonie. Het komt er eigenlijk enkel nog op aan om deze finaal electoraal te verzilveren. 

Failliet van het links-flamingantisme

Als we ervan uitgaan dat een onafhankelijk en ontvoogd Vlaanderen niet kan gerealiseerd worden zonder ontmanteling van het Belgische sociale stelsel met behulp van de rechterzijde, dan heeft dat zware consequenties voor het zogenaamde links-flamingantisme. Mijn stelling is dat binnen de huidige machtsconstellatie een links-flamingante onmogelijk is geworden. Onmogelijk, in die zin dat een Vlaamse positionering bijdraagt tot de realisering van een rechtse en asociale agenda. Want de realisering van Vlaamse autonomie onder de huidige constellatie, valt nu eenmaal objectief samen met de realisering van die agenda. De oproep tot een links flamingantisme betekent niets anders dan een feitelijk versterking van de bestaande, rechtse hegemonie. Het betekent dat men binnen de huidige constellatie een keuze moet maken tussen prioriteiten: of het links engagement boven het Vlaamse engagement stellen of het Vlaamse engagement boven het linkse stellen en mee helpen met de feitelijke realisatie van een rechtse agenda. Met andere woorden: men hoort niet anti-flamingant te zijn omdat men Belgisch gezind is (of omgekeerd), maar omdat men links is.

            Links-flamingante argumenten die tegen deze stelling indruisen lijken alvast niet veel hout te snijden. Over de mogelijkheid van een links en tegelijk Vlaams engagement schrijft Ludo Abicht:

“ […] centrale figuren als de socialisten Emiel Moyson en August Vermeylen, communisten als Jef Van Extergem en linkse rebellen als de alom vereerde Paul van Ostaijen, overtuigde flaminganten die men op geen enkele manier met rechts of het rechtse gedachtegoed kan verbinden. Voor hen, net als voor priester Daens, vormde de strijd voor de sociale emancipatie van de Vlaamse arbeider als het ware vanzelfsprekend één front met die voor de culturele ontvoogding. Het is dus in het verleden wél mogelijk geweest, tegelijkertijd actief militant te zijn in een linkse, zelfs marxistische organisatie of partij en zich te engageren voor de défense et illustration van de Nederlandse cultuur waar deze arbeiders wellicht onbewust erfrecht op hadden.”[iii]

In strikt historische zin heeft Abicht hier natuurlijk gelijk. Uiteraard is het zo dat een Vlaams engagement en een links engagement elkaar niet hoeven uit te sluiten. In het verleden zijn er zeker figuren geweest die de Vlaamse strijd met een linkse strijd hebben verenigd. Verre van onlogisch natuurlijk, omdat de Vlaamse strijd aanvankelijk een emancipatorische strijd was die zich perfect binnen een links discours liet articuleren. Maar de manier waarop een strijd gestalte krijgt of gearticuleerd wordt, kan nooit losgekoppeld worden van de concrete historische context waarin deze strijd zich ontwikkelt. Hoewel er ooit een potentieel bestaan heeft om de Vlaamse strijd door middel van links discours verder te ontwikkelen, is dat potentieel heden ten dage zo goed als onbestaande. De verklaring is eenvoudig: de historische context is radicaal gewijzigd omdat de hegemoniale machtsconfiguraties die een dergelijke context scheppen radicaal veranderd zijn. Binnen de huidige machtsconfiguratie is niet langer plaats voor een verbinding tussen een linkse en een Vlaamse strijd. Iedere poging daartoe werkt in het voordeel van rechts op dit moment. Abicht zou beter moeten weten: een recept uit het verleden kan je niet zomaar gebruiken om de toekomst vorm te geven. Iedere tijd vraagt zijn eigen, specifieke positioneringen.

            Exact hetzelfde argument kan ingebracht worden tegen de stelling dat men er in het buitenland wel in slaagt om een progressieve en linkse strijd te verbinden met het nationalisme. Uiteraard is zoiets mogelijk, maar dat wil niet zeggen dat het automatisch van de ene op de andere context kan toegepast worden. Dat een nationalistische strijd in andere Europese landen nog steeds samenvalt met een links-progressief project impliceert op geen enkele wijze dat dat ook in Vlaanderen zo is of zelfs zo zou kunnen zijn. Wel integendeel, net omdat rechts en het Vlaamse nationalisme een agenda delen kan een consequent linkse positie er op dit moment enkel in bestaan om de Vlaamse zaak volledig onder te schikken aan de linkse strijd. 

Dialectische schizofrenie

Jef Turf gooit het in zijn memoires over een andere boeg dan Abicht. Volgens hem missen de niet-nationalistische linksen de trein der geschiedenis door zich achter het Belgische establishment te schragen. Ik citeer:

“Ik heb in 2010 voor N-VA gestemd, en zal dat nog doen wanneer de huidige chaos uitloopt op nieuwe verkiezingen. Maar eens in een zelfstandig Vlaanderen zal ik, zoals altijd, de strijd helpen voeren voor een sociaal, democratisch Vlaanderen, en wellicht tegen de N-VA. Het is het onbegrip voor deze dialectiek die vele linksen in Vlaanderen hindert en hen belet de rol te spelen die eigen zou moeten zijn aan de linkerzijde, en die hen linkt aan de oude, rechtse belgicistische belangen.”[iv]

Bemerk hoe in de visie van Turf de niet-flamingante linkerzijde automatisch wordt ondergebracht in het kamp van de oude, rechtse belgicistische belangen. Alsof er binnen de Belgische politieke ruimte geen linkse frontvorming mogelijk is die zich richt tegen die vermeende Belgische elite. Vreemd ook dat Turf de grootste rechtse kracht in België steunt om het zogenaamde rechtse België omver te werpen. Een kracht die bovendien het omgekeerde beweert van wat Turf stelt, namelijk dat rechts Vlaanderen gekoloniseerd wordt door een links Wallonië.

In feite maakt Turf een essentiële inschattingsfout. Hij lijkt te veronderstellen dat het vehikel waarmee de onafhankelijkheid wordt nagestreefd, volledig losstaat van de realisatie van de onafhankelijkheid. Alsof de kracht die tot onafhankelijkheid leidt geen enkele stempel zal drukken op wat voor soort onafhankelijk Vlaanderen we zullen krijgen onder N-VA bewind. Middel en doel kunnen niet op zuivere wijze van elkaar gescheiden worden in het politieke handelen. Een rechtse kracht steunen om een onafhankelijk Vlaanderen te realiseren, zal onvermijdelijk leiden tot het tot stand komen van een rechts en onafhankelijk Vlaanderen en niet tot een neutraal politiek speelveld, genaamd Vlaanderen.

Denken dat men opnieuw de linkse strijdbijl kan opgraven na jaren van rechtse hegemonie is bijzonder naïef. Men onderschat het effect dat een hegemonie heeft op het individueel en collectief bewustzijn, op het middenveld en op de bestaande instellingen. Een hegemonie laat zijn sporen na, beïnvloedt op cruciale wijze de manier waarop burgers hun relatie tot elkaar en tot de samenleving als geheel begrijpen en verandert op definitief de spelregels van het politieke speelveld. Het tot stand komen van een onafhankelijk Vlaanderen onder rechtse hegemonie zal in die zin een speelveld creëren waarin links de allerzwakste positie heeft. Het zal jaren en misschien zelfs decennia van strijd en engagement vragen om opnieuw een linkse tegenkracht op te bouwen. In tussentijd zal de maatschappelijke schade van een rechtse hegemonie zich verder opstapelen: ongelijkheid zal toenemen en de toegang tot de democratische besluitvorming zal voor de laagste klassen bemoeilijkt worden. Die schade zal reëel zijn en onomkeerbaar.

Maar blijkbaar is het voor links-flaminganten zoals Turf geen enkel probleem om historische overwinningen van de arbeidersklasse te offeren op het altaar van de Vlaamse onafhankelijkheid. Het zegt veel over hoe links die zogenaamde Vlaamse linksen zijn en hoe groot de offerbereidheid is om toch maar tot dat onafhankelijkheid Vlaanderen te komen. Ook vandaag verblindt het licht van overwinning het zicht op eigen schaduw die steeds groter en donkerder wordt.

            De geschiedenis herhaalt zich. Maar nooit op dezelfde manier.

 

 

Advertenties

Morele en politieke ijkpunten voor ‘links’

Jan Blommaert

Ik ga in wat volgt in op twee recente uitspraken van sp.a ministers en stel de vraag naar de ijkpunten die ze hanteren. Of preciezer, welke logica onderliggend is aan de visie van beide excellenties.

Afbeelding

Met de verkiezingen van 2014 die stilaan in zicht komen moet de linkse kiezer zich wapenen. De uitspraken van zij die om onze hand zullen dingen in mei volgend jaar moeten zorgvuldig gewikt en gewogen worden, en kritiek moet gegeven worden waar kritiek van pas is. Een bewuste kiezer is geen luxe in een tijd waarin democratie constant herleid wordt tot de uitslag van verkiezingen, en waarin die verkiezingen een speelplaats geworden zijn voor gepersonaliseerde campagnes, verbale heldendaden en aan groot volume geproduceerde halve waarheden.

De standpunten van rechts zijn allicht een makkelijk doelwit voor linkse kiezers. Wie cao’s wil afschaffen, de rol van vakbonden wil inperken tot het niveau van het specifieke bedrijf, de koopkracht van de werkenden aanvalt via index- of BTW-manipulaties, de ‘loonkloof’ met het buitenland in een tweetal jaren wil dichten door de lonen hier kordaat en stevig te verlagen, weigert grootschalige fraude krachtdadig aan te pakken, en zo meer – zo iemand zal wellicht op weinig linkse stemmen kunnen rekenen, en om overduidelijke redenen.

De zaak ligt ietwat complexer aan de linkerzijde van het electorale spectrum. Diverse partijen zoeken de linkse kieskavels op en gaan daar op jacht naar stemmen. In wat volgt neem ik daarom bij wijze van voorbeeld twee sociaaldemocratische maatregelen onder de loep. Ik stel daarbij de eenvoudige vraag: welke logica wordt hier gevolgd?

De fraudebestrijding

Het is een deuntje dat snel verveelt: elke regeringspartij zal voortdurend wijzen op het “uitstekende werk” van haar ministers en staatssecretarissen in de regering. Mijn minister goede minister luidt het. En zo hijst de sp.a graag John Crombez op het schild. Crombez is de bestrijder van de fraudeurs en profileert zich als zodanig als de verdediger van de gewone man tegen de frauderende rijken.

Het moet gezegd: fraudebestrijding is in deze regering wel degelijk heel wat zichtbaarder als beleidselement dan in de vorige. Maar er is ook werk aan de winkel. In april dit jaar werden we geconfronteerd met Offshoreleaks, waarbij lijsten van grootschalige belastingontwijkers publiek werden gemaakt. Onder hen ook Vlaamse captains of industry zoals baggeraar De Nul – iemand die anderzijds niet vies is van het gebruik van belastinggeld om zijn zeer winstgevende activiteiten te garanderen en te financieren.

Sinds Offshoreleaks staan Meyrem Almaci van Groen! en John Crombez als kemphanen tegenover mekaar. De eerste eist een keiharde, strafrechtelijke aanpak van fraudeurs, want fraude is een misdrijf en berokkent de samenleving enorme schade. Crombez, daarentegen, opteert voor een systeem van aanklachten gevolgd door een voorstel tot minnelijke schikking. Wie op fraude wordt betrapt kan alsnog vervolging vermijden op voorwaarde dat er een stevige som aan de staat wordt overgemaakt.

Crombez hanteert twee argumenten voor zijn standpunt. Het eerste is gerechtelijke haalbaarheid. Fraudeprocessen ontaarden vaak in een jarenlange procedureslag, niet zelden leidend tot vrijspraak wegens verjaring van de feiten. Het tweede is eraan gekoppeld maar staat niettemin op zichzelf: Crombez argumenteert dat via de gesloten deals de staat alsnog iets in handen krijgt, en iets is beter dan niets. De weg van de rechtbanken gaan laat de staat nog te vaak achter met lege handen en torenhoge proceskosten – een netto verlies – terwijl een minnelijke schikking toch nog een aantal miljoenen in de staatskas laat belanden.

Het is vreemd dat een bewindsman zo weinig vertrouwen lijkt te hebben in de rechtbanken van het land dat hij mee leidt. Zeker wanneer we weten dat hij als regeringslid in staat zou kunnen geacht worden nieuwe en strengere wetten uit te vaardigen, met minder achterpoortjes dan de huidige en met een veel hogere kans op goede afloop. Crombez is lid van de parlementaire meerderheid, dat wil zeggen van de parlementaire formatie wiens wetgevende initiatieven een veel grotere kans op succes hebben dan initiatieven die uitgaan van de oppositie. Maar neen, dat soort initiatieven krijgen we niet – Crombez verkiest het middel van de minnelijke schikking, waarbij de fraudeur met een maagdelijk strafblad naar huis mag op voorwaarde dat een deel van het gevorderde bedrag aan de staat wordt overgemaakt.

Het tweede argument van Crombez is echter nog interessanter. Het is namelijk volledig budgettair: de logica die Crombez aanhaalt om tot minnelijke schikking over te gaan is die van de begrotingsevenwichten en overheidsfinancies. Ons land heeft dringend geld nodig, heel veel geld. En daarom is het beter om fraudeurs ertoe te bewegen enkele procenten van hun gefraudeerd vermogen af te staan, want honderd miljoen hier en tweehonderd ginder – dat is allemaal goed voor onze begroting. En paradoxaal geldt hier: hoe groter de fraude hoe beter, want enkele procenten van een miljard zijn beter dan dezelfde procenten van tienduizend Euro. Het zijn dan ook merkwaardig genoeg de grote fraudeurs die objectief het best in aanmerking komen voor een minnelijke schikking annex kwijtschelding van vervolging.

Het argument van rechtszekerheid en sociale rechtvaardigheid, dat al in het eerste argument werd betwijfeld, dondert geheel naar beneden in het tweede. De minnelijke schikking wordt niet verdedigd omdat het een effectieve vorm van bestraffing zou zijn – de ambitie van echte bestraffing wordt immers opgegeven – maar wel omdat het welkome overheidsinkomsten oplevert. Dat die overheidsinkomsten verworven worden mits het uitvlakken van de schuld van de fraudeur, diezelfde fraudeur in het bezit laat van het leeuwendeel van het gefraudeerde vermogen, en bovendien een duidelijke dimensie van klassenjustitie inhoudt, wordt opzij geschoven ten voordele van de logica van de begrotingscontroles.

Het argument van Crombez is dan ook conjunctureel: het komt voort uit een concrete en tijdsgebonden budgettaire toestand, waartoe Crombez zijn steentje wil bijdragen. Het is echter niet structureel: wie fraudeert kan rustig voort frauderen. Meer nog: als de minnelijke schikking zoiets als 5 tot 10% van het gefraudeerde vermogen betreft, dan is dit een bijzonder lage belasting – ik kan me inbeelden dat zelfs De Nul ze graag zou betalen in ruil voor de vrijstelling van vervolging. Het afschrikeffect van deze maatregel is (vergeef de woordspeling) Nul.

Van fraude-bestrijding is dan ook moeilijk sprake hier: de minnelijke schikking is niet ingegeven door het voornemen om de enorme sociale en economische schade die grote fiscale fraudeurs berokkenen krachtig te bestraffen en fraudeurs effectief af te schrikken, maar enkel door een jacht op overheidsinkomsten in zones waar ze met enig armworstelen te vinden zijn.

Dit gegeven is enkel logisch wanneer men de EU-doctrine inzake begrotingen onderschrijft. Het in dat licht dat het verkrijgen van enkele honderden miljoenen, als afkoopsom voor vele miljarden fraude, op gejubel kan worden onthaald en dat men het “uitstekende werk” van John Crombez kan bezingen. Met de fundamentele omwenteling van de structuren die fraude mogelijk maken heeft het echter weinig te maken, al kunnen we ons verwachten aan verbale en retorische acrobatie in die zin.

De loonkost

Het tweede voorbeeld dat ik wil aanhalen is de recente brainwave van Monica De Coninck, Minister van Werk in het kabinet Di Rupo. De Coninck opperde de idee dat jonge mensen best meer loon zouden mogen verdienen in de vroege stadia van hun arbeidsloopbaan; daar tegenover staat dan dat het salaris in verdere stadia afgevlakt zou moeten worden. Dat laatste zou er dan voor zorgen dat oudere werknemers ‘minder duur’ worden en zo langer in hun loopbaan kunnen blijven. Jongeren hebben trouwens meer behoeften aan geld, redeneert de Coninck verder. Ze willen een huis kopen, een gezin stichten – enfin, mensen hebben vooral in hun vroege arbeidsjaren een goed loon nodig.

De redenering van De Coninck sluit aan bij andere beleidsideeën van deze regering. De verlenging van de arbeidsloopbaan – een stokpaardje van zowat de gehele regering en het corps economique – botst nu immers op het obstakel van hoge loonkost. Jongeren zijn goedkoper dan ouderen, en dus is dit een kwestie van de grootste bedrijfseconomische eenvoud: men werft jongeren aan en ontslaat ouderen. Om dat tegen te gaan moet de arbeid van oudere werknemers goedkoper worden.

Dat is te volgen, althans wanneer men akkoord gaat met het beginsel van verlengde arbeidsloopbanen. Want als de loonkost van ouderen niet naar beneden wordt gebracht terwijl hun pensioenleeftijd naar achter schuift, riskeert de staat vele jaren werkloosheidsuitkeringen te moeten betalen aan die oudere werknemers, en voor zo’n scenario moet men niet bij Monica De Coninck zijn.

Men moet daarenboven ook de logica van de perverse loonkost volgen – het standpunt van de werkgevers, dat tewerkstelling lineair verbonden is aan loonkost, dat ons land ter zake een ‘loonhandicap’ kent, en dat het enige doorslaggevende instrument voor het stimuleren van tewerkstelling bestaat uit de neerwaartse manipulatie van de kost van arbeid. Dat is de logica die De Coninck hier hanteert, de enige logica die ze hanteert.

Wat evenwel merkwaardig is, en ik druk me zacht uit, is dat diezelfde logica niet lijkt te gelden voor de lonen van de jongeren. De Coninck pleit voor het verhogen van die lonen, en dat, enerzijds, in een arbeidsmarkt die gekenmerkt wordt door zeer hoge jongerenwerkloosheid; en anderzijds, binnen de geschetste logica van de loonkost als instrument voor een tewerkstellingsbeleid. Volgens die laatste moet elke verhoging van de lonen tot een verlaging van de tewerkstelling voor jongeren leiden. Hun arbeid wordt immers duurder, en de werknemers zijn uiteraard niet bereid om een verlaging van de loonkost voor ouderen te zien gecompenseerd worden door een verhoging van de loonkost voor jongeren.

Die ongerijmdheid in de redenering van De Coninck zal voorspelbare effecten hebben: de werkgevers zullen de verlaging van lonen van oudere werknemers toejuichen, en de verhoging van de lonen voor jongeren afdoen als onmogelijk en onbespreekbaar. Het resultaat daarvan is dan eenvoudig: een algemene verlaging van de loonkost, en daaraan gekoppeld ook het verlagen van de koopkracht en het pensioenvolume van de arbeidende bevolking. Good job.

Wat belangrijk is, is dat de Coninck in dit alles gewoonweg de economische doctrine van UNIZO, VOKA en het VBO volgt: dat neerwaartse ingrepen in de loonkost de Economische Heilige Graal zijn die niet alleen voor economische groei zal zorgen (lees: voor verhoging van de winsten), maar eveneens een direct en structureel positief effect op de tewerkstelling zal hebben. Dat laatste is een geloofspunt dat immuun blijkt voor elke vorm van empirisch bewijs, het is een simpel neoliberaal credo.

Linkse kiezer, let op je hoenders

Zowel in het geval van Crombez als in dat van De Coninck merken we hoe sociaaldemocratische excellenties hun beleid volledig ondergeschikt maken aan een logica die men bezwaarlijk socialistisch kan noemen. De eerste houdt z’n blik stevig op de Maastrichtnorm voor de Belgische begroting – het neoliberale disciplineringsinstrument bij uitstek, de laatste jaren. De laatste schaart zich volkomen achter het neoliberale axioma van een zo laag mogelijke loonkost, en ze lijkt zelfs het effect van haar bespiegelingen op tewerkstelling niet te hebben ingeschat.

Beide excellenties zullen zich echter naar de linkse kiezer begeven met een verhaal dat krom staat van de grote woorden, want die linkse kiezer zal dit beleid koste wat het wil als ‘links’ moeten herkennen. De eenvoudige vraag naar de basislogica achter deze maatregelen levert snel een heel ander plaatje op. Het is natuurlijk mogelijk dat delen van het beleid beter voor de dag komen; voor de maatregelen die ik hier heb besproken geldt echter dat ze weinig wezenlijk links in zich hebben.

Het minste wat we kunnen doen is deze vraag ook rechtstreeks aan de kandidaten stellen, die in mei volgend jaar met onze stemmen verkozen hopen te worden. We zullen snel zien waar ze uitkomen, en als het niet goed is moeten we het hen ook zeggen. Want nog eens vier jaar neoliberaal beleid zijn er voor grote groepen in de bevolking echt wel te veel aan. En schijn-linkse maatregelen hebben we in dat opzicht ook niet nodig.

Nuttige links

http://www.meyremalmaci.be/ontspoorde_afkoopwet_moet_worden_herzien

http://www.deredactie.be/cm/vrtnieuws/politiek/131118_salaris_ancienniteit

Over links en nationalisme: De Kloof tussen Abicht en de realiteit

Add your thoughts here… (optional)

Jan Blommaert (en z'n gedachten)

media_xl_5111593

Jan Blommaert 

Het is een grote frustratie van de Vlaamse Beweging dat ze bij een linkse intelligentsia geen poot aan de grond krijgt. Dat is jammer, want de steun van deze intellectuelen zou ongetwijfeld goed doen aan datgene wat Bart De Wever het ‘subjectieve’ natiegevoel noemt. Vlaanderen is met z’n parlement en regering wel ‘objectief’ een politieke entiteit, maar de modale Vlaming voelt Vlaanderen nog niet aan als dusdanig. In zoverre stembusuitslagen hiervoor een indicator zijn, blijkt met moeite een derde van de inwoners van de Deelstaat Vlaanderen als een ‘subjectieve’ natie te ervaren. Er woedt dan ook al vele jaren een cultureel offensief, erop gericht niet zozeer die linkse intelligentsia te overtuigen, wel om ze te marginaliseren, of toch minstens te splitsen in bokken en schapen.

Het offensief verloopt cyclisch met telkens weer dezelfde argumenten en gemeenplaatsen. Tijdens de Kerstperiode van 2012 kregen we een nieuwe piek in…

View original post 7.445 woorden meer

United we stand! Nood aan een collectief cultuurplatform

 Bart Caron, Robrecht Vanderbeeken, Thomas Decreus 

(herblogd Rekto:Verso, nr. 58 oktober-november 2013)

Afbeelding

De cultuursector mag zwaar weer verwachten. Daarom deze oproep aan alle cultuurliefhebbers: tijd om samen een tegenkracht te vormen. Hoe pakken we het aan?

Face it, het loopt fout. De cultuursector zit in het defensief. Erger nog: de overgave lijkt de strijd al vooraf te gaan. Die strijd woedt dan ook op veel fronten. De vermarkting rukt genadeloos op: cultuurorganisaties moeten veel volk trekken, in eigen middelen voorzien en ook nog eens samenwerken met private partners. Overheden verminderen subsidies, terwijl artiesten en hun organisaties door figuren van allerlei slag gestigmatiseerd worden omdat ze een ‘linkse hobby’ zouden beoefenen. Met vage beschuldigingen worden cultuurdragers in een slecht daglicht geplaatst, paradoxaal genoeg door politici die naar eigen zeggen de nationale trots van onze cultuur willen promoten. Kunstenaars moeten vooral niet denken dat ze speciaal zijn. Doe maar ‘neutraal’ en leer wat meer ‘sorry’ en ‘dank u’ zeggen.

In het debat van rekto:verso op 13 oktober in Vooruit deed Tom Naegels, ombudsman van De Standaard, daar een paar sensationele statements over. Impliciet schaarde Naegels zich aan de zijde van filmmaker Jan Verheyen, die publiek verkondigde dat kunstenaars gepamperde conformisten zijn die alleen maar wat tegen het regime aanschurken in ruil voor centen. Tegelijk gaf de ombudsman een sneer naar de mensen van ‘Niet in onze naam’: ze lijden aan de illusie dat ze tot de avant-garde behoren. Nee, kunstenaars zouden zoals journalisten gewoon de werkelijkheid moeten beschrijven, zoals ze dat bij De Standaard doen.

Intussen worden anderstalige boeken uit bibliotheken gebannen. De subsidies van culturele centra en bibliotheken worden afhankelijk gemaakt van marktgerichte beleidsprioriteiten. Creative Europe, het nieuwe EU-cultuurprogramma vanaf 2014, spoort de natiestaten aan gesubsidieerde cultuur in de vitrine te zetten voor een uitverkoop aan de creatieve economie binnen een eengemaakte markt. Besparingen en privatiseringen genereren een dynamiek van communicerende vaten, terwijl de verbeelding intussen steeds meer drooggelegd wordt. 

Allemaal de markt op

Overdrijven we? Al lijkt Vlaanderen in vergelijking met de buurlanden nog relatief gespaard, de ommekeer is duidelijk onderweg, als een aanrollende neoliberale golf. Traditionele partijen in Nederland en Vlaanderen schuiven de vermarkting van cultuur graag in de schoenen van nieuwrechtse partijen als de PVV en de N-VA, die inzake cultuurbeleid happig opteren voor de strategie van destructieve provocatie, om zo zichzelf in de media te werken. Nochtans voeren onze traditionele partijen de vermarkting even vlot door.

Kijk naar hoe de Vlaamse regering recent de landelijke musea behandelde, toch de trots van Vlaanderen en de wonderkamers van onze identiteit? Tegen alle beloftes in kwam de noodzakelijke budgetverhoging van 2,9 miljoen euro er na acht jaar status-quo niet, terwijl er intussen met MAS, STAM en Museum M wel drie nieuwe grote instituten bijkwamen. Zo moesten sommige musea flink inleveren. Het gebeurde gewoon, zonder veel discussie. ‘De kunstenaar moet ook niet aan politiek doen’, hoor je dan vaak. Wij stellen het omgekeerde voor: laten we een cultuurpolitieke beweging in stelling brengen. 

Gezocht: golfbrekers en dijken

Onder al die zichtbare kwesties ligt immers een dieper probleem: er mist een tegenmacht. De cultuurpolitiek speelt de sector uiteen in subsectoren die tegen elkaar worden opgezet – zoals beeldende kunst versus theater, of de steden onderling. Zelfs binnen die subsectoren gaan cultuurhuizen en andere ‘stakeholders’ – zoals het managersjargon dat zo sympathiek noemt – met elkaar in de clinch door schaarste en lobbyisme. Solidariteit wordt in de kiem gesmoord.

Dat gebrek aan samenwerking is ook in de politiek een ernstig probleem. Cultuurministers die haast per toeval op die post terechtkomen, proberen naar best vermogen wat op de winkel te letten tot hun carrière weer een stap vooruit zet. De paar verbeteringen die zij trachten door te voeren, worden dikwijls tegengewerkt door de zogenaamd progressieve collega’s van andere partijen. Het politieke spel, weet je wel… Wie springt er dan in de bres als de noden van het erfgoed, de kunsten of het sociaal-cultureel werk op de agenda staan? De cultuurminister stond er helaas alleen voor. Ressentiment en electoraal opportunisme krijgen de bovenband op de belangen van onze cultuur. In zo’n kader worden cultuurmakers meteen plat geknepen door het meedogenloze spel van de achterkamerpolitiek en de compromiscultuur.

Tegelijk is de slagkracht van de belangenbehartigers uit de sector vrijwel verwaarloosbaar. Ze zijn versnipperd en dus amechtig onmachtig. Ze mogen al blij zijn als er voor hen een komma gewijzigd wordt in een ontwerpdecreet. Charters en andere overeenkomsten afsluiten met de overheid is overigens niet zonder risico. Voor je het weet, speel je de rol van medeplichtige van het beleid. Voor de steunpunten in de diverse sectoren is er nog minder hoop. Recente decreten, zoals het Erfgoeddecreet en het nieuwe Kunstendecreet, leggen de autonomie van steunpunten verder aan banden. Zo worden niet alleen de financiële vleugels afgeknipt. De beheersovereenkomst degradeert hen de facto tot woordvoerder van de cultuuradministratie.

Om al deze redenen is het hoogtijd dat de brede cultuursector de krachten verzamelt en zoiets als een cultuurplatform in stelling brengt. In Nederland probeert men dat al voorzichtig. Zo ontstond het Platform Beeldende Kunst, een nieuw samenwerkingsverband naast de al eerder opgerichte vereniging voor kunst, cultuur en erfgoed Kunsten ‘92. Het platform kwam er pas na de dijkbreuk in Nederland, met name na de hakbijl van 26 % en de voortschrijdende uitverkoop. In Vlaanderen kan men daar beter in tijden van hoog water al aan beginnen. Wij moeten dringend de vraag stellen hoe we dit het beste samen kunnen doen. Laten we hierbij alvast beginnen met enkele misleidingen aan te kaarten. Iedereen die zich aangesproken voelt, is overigens van harte uitgenodigd voor input. 

Allemaal samen!?

‘Alweer een nieuw platform?’ Eerst en vooral is het van belang erop te wijzen dat de huidige overlegmodellen niet noodzakelijk betekenen dat de democratie echt haar werk kan doen. Cultuurminister Joke Schauvliege (CD&V) maakte er een handelsmerk van vele actoren, (zelf gekozen) experten en cultuurambtenaren mee aan de tekentafel uit te nodigen. Op zich steekt achter die ‘allemaal samen’-strategie een goede intentie, maar ze heeft het grote nadeel dat het hoogste ambt, wegens te weinig tegengewicht, het overleg domineert en de eindbeslissing naar haar hand kan zetten. Zo waren bij de voorbereiding van het nieuwe Kunstendecreet al wat krachttoeren nodig om alleen al de scherpe kantjes van haar conceptnota wat bij te vijlen.

En het klopt simpelweg niet dat de hele sector mee aan tafel zit. Want ‘de sector’, dat zijn niet alleen de steunpunten, de belangenbehartigers en die paar experts die de minister uitnodigde. Dat zijn niet alleen onze prominente cultuurmanagers. Een participatieve democratie, die naam waardig, vertrekt van onderuit: bij de muzikanten, de beeldend kunstenaars, de vormgevers, de kunstcritici, de theatermakers, de curatoren, de schrijvers, de sociaal-artistieke en de sociaal-culturele medewerkers, de dansers, de kunstdocenten, en – waarom niet? – de kunst- en agogiekstudenten. Bij de mensen die actief zijn in het erfgoed, de bibliotheken, de musea, de cultuurcentra, de monumentenzorg, de kunsteducatie, de architectuur, … Kortom, alle cultuurliefhebbers van goede wil. Dàt zijn de echte belanghebbenden. En dus niet de toevallige klanten die mogelijks een ticketje willen kopen, de consumenten die waar willen voor hun geld. De markt is geen democratiseringsproces, maar werkt dat juist tegen. 

Schaduwregering!?

Een legitiem overlegplatform, die een doortastende tegenkracht wil zijn, moet in de eerste plaats die vele stemmen uit het veld aan bod laten komen en versterken. Het zal ook alleen gezag hebben als het collectief gedragen wordt door een ruim middenveld, onze vakbonden, beroepsverenigingen en een concreet bondgenootschap van progressieve politici die (partijgebonden) kortetermijnbelangen weten te overstijgen. Samen moeten zij van dit platform een actiecomité maken dat via strategisch overleg achter zijn doelen aangaat. Die doelen zijn evident: (1) geen besparingen, (2) geen misleidend ‘investeringsbeleid’ dat neerkomt op een uitverkoop aan de creatieve economie, (3) geen vermarkting die de grootste gemene deler van de consumptie-industrie tot norm verheft, (4) geen verkapte privatisering via allerhande opgelegde formules rond ‘alternatieve financiering’, en (5) samen nadenken over wat vandaag de rol van kunst en cultuur in onze maatschappij zou moeten zijn. 

Hoe bouwen we dat platform op? Wie neemt mee het initiatief? Als antidotum tegen het schaduwspel van de neoliberale cultuurpolitiek heeft de cultuursector dringend een eigen schaduwregering nodig. Nee, sterker nog, laten we ambitieus zijn: het veld heeft recht op een regering die het voluit representeert. En daar moeten wij samen actief op aansturen, door georganiseerd onze democratische rol op te nemen. Ook al is men begrijpelijkerwijs liever met kunst, erfgoed of vormingswerk bezig, het is vandaag een noodzaak om samen een politieke strijd te voeren. Wij moeten onze toegang tot een breed publiek als een hefboom durven inzetten, om zo rekenschap te kunnen afdwingen voor wat wij zelf als de agenda van de toekomst voorop stellen. Welke vorm zorgt ervoor dat een collectieve tegenkracht meer is dan allemaal kleine, uiteenlopende strovuurtjes van vluchtige verontwaardiging?

Zelforganisatie!?

We leven in een tijd leven waarin het idee van de ‘multitude’ stevig heeft postgevat. Allemaal kleine spontane initiatieven zouden een horizontalisme creëren, die niet alleen heel wat andere mogelijke werelden schept, maar ook verzet zou mobiliseren. Hoe efficiënt en belangrijk deze sociale ‘ecologie’ ook mag zijn, ze werkt ook snel de misvatting in de hand dat we eigenlijk niets zouden moeten doen, omdat er ‘spontaan wel van alles zal ontstaan’. Versnippering van krachten en verdeel-en-heers-politiek zijn dan de logische uitkomst. In het beste geval blijft de status quo behouden. In de reader Institutional Attitudes (2013), samengesteld door Pascal Gielen, staat daarover een cruciale tekst, ‘Indirect Action – Some Misgivings About Horizontalism’ van Mark Fisher, ook de auteur van de bestseller Capitalist Realism (2009). Fisher wijst erop dat links al te dikwijls ‘autoriteit’ verwart met ‘autoritair’. Vijandigheid tegen ‘de staat’ slaat dan soms helaas door naar vijandigheid tegen ‘politiek’ in het algemeen.

Het mooiste geschenk voor een rechts beleid is dat wij ons niet gezamenlijk en structureel organiseren. In Nederland zagen we hoe alle sectoren op andere dagen in Amsterdam of Den Haag kwamen betogen tegen de bezuinigingen, als waren het allemaal aparte klasjes op schooluitstap. En wat heeft het opgeleverd? De cultuurpolitiek van de nieuwe sociaal-liberale regering hanteert nu de misleidende ‘het ergste is voorbij’-strategie. De goed-nieuws-show kan weer beginnen, zo leerde onder meer het interview met Jet Bussemaker, de nieuwe minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap in Boekman 95. Er is echter helemaal niets veranderd. Terwijl men doet uitschijnen dat er op de zelfgecreëerde puinhopen weer een beleid gevoerd wordt dat de emancipatie-idealen van de Verlichting uitdraagt – als afleidingsmanoeuvre heeft de minister nu de mond vol over cultuureductie – wordt de cultuuraanval van het Kabinet-Rutte I nu door het Kabinet-Rutte II geconsolideerd als een historisch noodzakelijke correctie. ‘Want ja, er zat te veel vet op de soep.’ Intussen is iedereen slachtoffer.

Samen zelfstandig

Wat ook in Vlaanderen op het spel staat, is een sterke publieke sector waarvan de autonomie gevrijwaard wordt met voldoende publieke middelen. Het is essentieel dat de cultuursectoren hun eigenheid en zelfstandigheid kunnen bewaren. En dan hebben we het niet alleen over de vrije kunsten. Ook het sociaal-cultureel werk heeft de overheidssteun nodig om in de rol van vragensteller, ontwikkelaar en raadgever anderen zelfstandig te kunnen maken. Enkel doordat dat de gemeenschap in een vrije denk- en handelsruimte voorziet, kunnen sociaal-culturele werkers hun taak als mentor kwaliteitsvol ter harte nemen. Ook hier is autonomie dus zowel voorwaarde als doel. Hetzelfde geldt trouwens voor erfgoed: dat is zoveel meer dan het beschermen van de culturele traditie. Een museum is immers ook het huis van de muze, het is hier dat de vraag kan gesteld worden naar wie en wat we zijn, over de samenleving en de maatschappelijke orde die we hebben opgebouwd en willen opbouwen. Een overheid die dat een bijkomstigheid vindt, vormt overduidelijk een gevaar voor haar eigen gemeenschap. 

Gedeelde besognes vinden kan dus niet zo moeilijk zijn. Ook in het sociaal-cultureel werk voltrekt zich een onrustbarende tendens: verenigingen en vormingsorganisaties worden steeds meer ingeschakeld in het marktgerichte overheidsbeleid zelf. Dalende subsidies voor meer verplichtingen, en dus meer sturing. De subsidiëring wordt immers gekoppeld aan convenants, samenwerkings- of beheersovereenkomsten die de overheid meestal eenzijdig vastlegt. Het dreigt sociaal-culturele werkers nu te reduceren tot colporteurs van een (rechts) beleid. Inconsistentie troef: de sector zou financieel onafhankelijker moeten worden van de overheid, aldus de overheid, maar wordt tegelijk inhoudelijk aan handen en voeten gebonden. Deze onhoudbare situatie moet omgekeerd worden. We hebben een sterke, democratische overheid nodig die culturele initiatieven niet alleen subsidieert omdat ze intrinsiek waardevol zijn en zonder deze steun verloren dreigen te gaan. Deze initiatieven moeten zich ook vrij en kritisch kunnen uitlaten over de overheid en haar verkozen volksvertegenwoordigers. Een echte democratie moet, om zichzelf te kunnen legitimeren, net haar eigen waakhonden financieren.

En actie!

Zoals de cultuursector voor de bescherming, vernieuwing, verbreding en verdieping van kunst en cultuur opkomt, zo moeten wij samen, vanuit een brede linkse oppositie, voor de publieke sector zelf opkomen en de roofovervallen weerstaan. ‘Daar heb je ze weer’, die ‘linkse’ kunstenaars met hun ‘oubollige’ links-rechts tegenstellingen – dat zal bij sommigen wellicht de reactie zijn. Maar met een neoliberale storm in aantocht is het toch niet meer dan logisch dat de beschermingslinie daartegen ‘links’ is? In het belang van de gemeenschap, van onze publieke ruimte, van de collectieve beleving die kunst en cultuur moeten kunnen zijn?

Het is onze gedeelde verantwoordelijkheid dat mogelijk te maken. Want politiek is zoveel meer dan een parlementaire cultuurcommissie. Politiek is samen vormgeven aan de samenleving. Er circuleren binnen de cultuursectoren zoveel mooie, ambitieuze plannen die even belangrijk zijn als brood, onderwijs en gezondheidszorg, en die alleen maar een kans maken als wij er samen voor zorgen dat de overheid er wel rekening mee moet houden. Laten we beginnen bij het overwegen van de opstart van één grote belangenbehartiger over de verschillende sectoren heen, heel graag samen met de vakbonden, en ondersteund door de brede waaier aan organisaties die de verschillende culturele sectoren rijk zijn, alsmede de vele sympathisanten en de eerder vermelde echte belanghebbenden.

De eerste aanzetten zijn er al. Het Antwerps Kunsten Overleg (AKO) beraadt zich over een nieuw discours rond het belang van kunst, wars van economische argumenten. Vorige week organiseerde een groep artiesten (op initiatief van Einat Tuchman en Gosie Vervloessem) in de Beurschouwburg ‘State of the arts – solidarity and action’. Ook de mensen van ‘Niet in onze naam’ bereiden acties voor: deze keer niet tegen het verlammende nationalisme, maar tegen het neoliberale cultuurbeleid dat Europa in een wurggreep neemt. En in het voorjaar organiseren Campo en rekto:verso een debatreeks in Gent, ‘4×4 Kiezen is een kunst’, die ruimte vrijmaakt om samen na te denken over welke thema’s inzake kunst en cultuur aandacht moeten krijgen bij de verkiezingen. Laten we het voorspelbare spektakel van de verkiezingsstrijd deze keer een stap voor zijn en een cultuurplatform in stelling brengen dat al die mooie beloftes te snel af is?

Het platform-in-opbouw kan groeien vanuit deze bestaande initiatieven, samen met al wie er mee de schouders onder zet. Wie deze oproep graag onderschrijft, suggesties of bedenkingen heeft, post graag een reactie onder deze tekst, of stuur een mail naar: info@stateofthearts.be. Dat initiatief is in handen van onze kunstenaars, wat alvast garandeert dat dit nieuw forum wel representatief is.
 

Bart Caron is Vlaams volksvertegenwoordiger voor Groen. Thomas Decreus is filosoof, auteur van het boek ‘Een paradijs waait uit de storm. Over markt, democratie en verzet’ (EPO) en was mede-organisator van de SHAME-betoging in 2011. Robrecht Vanderbeeken is filosoof en lid van de studiedienst cel cultuur van de PVDA.

 

De ‘kwaliteit’ van de cultuur: Omtrent consumentisme, populisme en verrechtsing

Add your thoughts here… (optional)

Jan Blommaert (en z'n gedachten)

Jan Blommaert, Eric Corijn, Marc Holthof & Dieter Lesage

Deze tekst dateert van 2004 en verscheen in de aanloop naar een gemeenschappelijk boek, “Populisme” (EPO 2004).

Afbeelding

Probleemstelling

Onze samenleving ondergaat een ingrijpende herstructurering. De veelbesproken globalisering of mondialisering impliceert een duurzame verstoring van het wankele evenwicht tussen de wereldmarkt en het systeem van nationale staten. De staat is niet langer alleen in staat de markt te reguleren. Meer nog: haast zonder uitzondering stellen de staten zich ten dienste van de wetten van de markt. De politiek moet nu marktconform gebeuren. Dat heeft geleid tot een stelselmatige afbouw van eigenheid, een verregaande liberalisering, privatisering en deregulering. De sociale gevolgen van deze economische ontwikkelingen worden steeds duidelijker en schrijnender. Aan de ene kant is er de nieuwe bovenklasse die zich heeft ingepast in die nieuwe competitieve omgeving, aan de andere kant is er een steeds maar groeiende groep van mensen die uit…

View original post 4.360 woorden meer

André Gorz (1923-2007): Denker van een mogelijke andere wereld

Roger Jacobs

Overgenomen van Socialisme 21

http://www.socialisme21.be/actueel/andre-gorz-1923-2007-denker-van-een-mogelijke-andere-wereld/

Eind 2010 publiceerden Socialisme 21 en Oikos samen het boek ‘De markt voorbij. Voor een hedendaagse politieke ecologie’, een bundel teksten van de in 2007 overleden Franse denker André Gorz. Het boek werd samengesteld door Roger Jacobs en Johny Lenaerts. De overzichtelijke inleidingen bij de vier delen van het boek en de biografische schets waren van de hand van Roger Jacobs. 

Afbeelding

1. Een ten onrechte vergeten theoreticus

In september 2007 stapte André Gorz samen met zijn geliefde levensgezellin uit het leven. De 83-jarige Dorine leed reeds jaren aan een slepende ziekte maar ouderdom en progressieve fysieke en psychische aftakeling deden beiden dat najaar besluiten om over te gaan tot hun goed voorbereide en weloverwogen daad. Nog in de lente van datzelfde jaar stelde Gorz een literair testament op gericht aan zijn uitgever waarin hij de essays en de interviews opsomt die hij na zijn dood in een aparte publicatie heruitgegeven wilde zien ( ‘Ecologica’, Ed. Galilée, Paris, 2008). Toonaangevende Westerse kwaliteitsmedia noemden hem in hun overlijdensberichten één van de belangrijkste sociaal – theoretische denkers van de twintigste eeuw waarbij hij op één lijn werd gesteld met mensen als Herbert Marcuse, Henri Lefèbvre en Ernest Mandel. Niet toevallig allemaal figuren die als inspiratiebronnen fungeerden voor de mei ’68 beweging, maar die na de zeventiger jaren in de vergetelheid geraakten.

Het is waar dat zijn geschriften in de periode 1965-1980 konden rekenen op redelijk massale internationale bijval die na 1980 (het uitgavejaar van zijn berucht revisionistisch boek ‘Afscheid van het proletariaat’) grotendeels zou wegdeemsteren. Maar ook in de veranderde ideologische tijdsgeest bleef zijn eigengereide en ondogmatische variant van het ecosocialisme een aanzienlijk publiek bekoren. Boeken als ‘Métamorphoses du travail. Quête du sens’ (1988), ‘Misères du présent. Richesse du possible’ (1997) en ‘L’Immatériel. Connaissance, valeur et capital’ (2003, Gorz was toen 80 jaar !) werden uitvoerig gerecenseerd én vertaald (maar niet in het Nederlands). In Vlaanderen zelf bleef de interesse beperkt tot belezen dissidente socialistische en –later- groene kringen.

Om die lacune op te vullen stelden wij de bundel ‘De markt voorbij. Voor een hedendaagse politieke ecologie’ samen die een overzicht wil bieden van de waardevolle ideeën die Gorz vanaf de tachtiger jaren ontwikkelde. Deze ideeën behoren, volgens de voorwoord – schrijver Jan Blommaert, tot de grote bibliotheek van vergeten linkse theorieën die nooit weerklank hebben gevonden in de Westerse parlementen en aan onze fabriekspoorten. ‘Vanuit een intellectueel perspectief is zoiets een zonde, want wie van ideeën en argumenten houdt vindt in het werk van Gorz zijn gading. Vanuit een politiek en activistisch perspectief is het een ramp, want we kunnen ons in de huidige ideeën – woestijn dergelijke nalatigheden niet veroorloven’.

2. De vroege periode: een Sartriaans marxisme

André Gorz was het pseudoniem van Gerhardt Hirsch die in 1923 in Wenen geboren wordt uit een verstandshuwelijk tussen een bescheiden Joodse houthandelaar en een ambitieuze Oostenrijkse. De jonge Gerhardt kent een redelijk traumatische jeugd. Hij groeit op in een klimaat van toenemende verrechtsing en antisemitisme. Dat zorgt voor spanningen in het gemengde huwelijk waarbij de ouders beslissen, in het belang van hun twee kinderen, apart te gaan wonen. Samen met zijn zus verhuist (de latere) André naar het appartement van zijn moeder. Op school blijven zijn leraars en medeleerlingen hem echter vastpinnen op zijn Joodse afkomst, thuis eist zijn bezitterige moeder hem volledig voor zich op. Zijn zelfvertrouwen heeft er zwaar onder te lijden. In 1939 (na de ‘Anschluss’) neemt zijn moeder het wijze besluit haar enige zoon naar een Zwitsers internaat te sturen. Daardoor ontsnapt André aan de verplichte dienstplicht in de Duitse Wehrmacht en misschien ook wel aan een vroegtijdige dood. Weer onder druk van zijn moeder vangt hij na de middelbare school ingenieursstudies aan, alhoewel scheikunde (zijn hoofdvak) hem nauwelijks interesseert. Later zou hij zijn Zwitserse studententijd omschrijven als een periode van ‘innerlijke ballingschap’: uiterlijk voldeed hij aan de verwachtingen van zijn moeder en leerkrachten maar in zijn ‘diep binnenste’ was hij steeds op zoek naar een alternatief bestaan waarin hij zijn ‘waarachtig ik’ zou kunnen ontplooien.

Twee gebeurtenissen zouden hem daarbij helpen. Na de beëindiging van de oorlog en met het ingenieursdiploma in de hand beslist André niet terug te keren naar zijn geboorteland. Niet lang daarna ontmoet hij in Lausanne Doreen, een Brits au pair – meisje dat haar beide ouders verloren heeft. Met haar voelt André onmiddellijk een zielsverwantschap: twee verweesde buitenstaanders met een ongewisse toekomst in een vreemd gastland. Zijn relatie met Doreen/Dorine vormt de geschikte voedingsbodem om de trauma’s van zijn jeugd van zich af te schudden en herboren te worden als een nieuwe, ditmaal authentieke mens. In 2006 schrijft André zijn ‘Lettre à D.’, een in Frankrijk enthousiast onthaald boekje waarin hij zijn dankbaarheid betuigt tegenover de vrouw die hem in staat stelde zijn levensroeping te realiseren. In Lausanne heeft hij ook een korte persoonlijke ontmoeting met Jean-Paul Sartre (1905-1980), succesvolle auteur van ‘L’Etre et le Néant’ en één van de grondleggers van het ‘existentialisme’. Deze populaire naoorlogse filosofie stelde dat mensen, in tegenstelling tot dingen, niet met een ‘doel’ door een Hoger Wezen ontworpen zijn. Ze zijn ertoe veroordeeld ‘vrij’ te zijn. De mens is zijn eigen ontwerp dat op eigen verantwoordelijkheid verwezenlijkt moet worden tegen alle maatschappelijke weerstanden in. Slechts dat authentieke leven is het waard is om geleefd te worden. Het existentialisme voorzag André van het filosofische instrumentarium om retrospectief af te rekenen met de disciplinerende en vervreemdende druk die de buitenwereld (moeder, leerkrachten …) op hem uitgeoefend had. Samen met Dorine wijkt Gorz in 1949 uit naar Parijs waar hij opgenomen wordt in de intieme kring van Sartre – ingewijden. Het is ook Sartre die een lang en opgemerkt voorwoord schrijft bij Gorz’ eerste succesvolle publicatie ‘Le traître’(1958), een soort existentialistische analyse van zijn jeugdige zoektocht naar zingeving en identiteit. Hoe ‘HIJ’ (= het resultaat van maatschappelijke verwachtingen) erin slaagt zijn chaotisch binnenleven op orde te stellen om herboren te worden als een ‘IK’ met een nieuwe naam: Gerhardt Hirsch die zich ontpopt tot de authentieke André Gorz! Die nieuwe André Gorz voelt zich ook sterk genoeg om in de zeventiger jaren afstand te nemen van zijn oude leermeester Sartre die hij verwijt zich op sleeptouw te laten nemen door een extremistisch maar niettemin mediageniek maoïsme dat mede aan de basis zou liggen van de teloorgang van Nieuw Links in de tweede helft van de zeventiger jaren.

Uitgangspunt van Gorz’ sociale filosofie is dus een welbepaald mensbeeld. Hij vat de mens op als een in wezen subversief subject dat weigert zich te schikken naar de rolpatronen en verwachtingen die ‘het systeem’, de maatschappelijke Megamachine, voor ons in petto houdt. Slaagt desondanks dat disciplineringsproces dan nemen we de identiteit aan van een Andere die anders is dan we vanuit onszelf zouden willen zijn. We verraden onze authenticiteit en enten ons denken en doen op de verzelfstandigde systeemlogica. Wie zijn authenticiteit opgeeft verzaakt tevens aan het echte morele en politieke handelen. Deze antropologie vond zijn voedingsbodem in het grote trauma van zijn jeugd toen zovele in se ‘normale’ maar wel gezagsgetrouwe Oostenrijkse burgers hun maatschappelijke onschuld verloren door zich neer te leggen bij en soms actief mee te werken aan de spelregels en praktijken van een barbaars regime (wat Hannah Arendt later de ‘banaliteit van het kwade’ zou noemen).

Sartres synthese van existentialisme en marxisme, culminerend in diens ‘Critique de la raison dialectique’ (1960), stelde Gorz in staat om zijn subversieve antropologie te verbinden met de kapitalisme – kritiek van (de jonge) Marx. Dat kapitalisme is immers gebaseerd op vervreemdende loonarbeid, tijd die men verkoopt om dingen te doen die men vanuit zichzelf nooit zou willen doen (niet-authenticiteit wordt nu vertaald in ‘vervreemding’). Daarom zet de marxistische Gorz de arbeiders ertoe aan om zich zowel te bevrijden VAN de arbeid als IN de arbeid. ‘Van de arbeid’ omdat ‘arbeid’ volgens Marx de sfeer van de noodzaak vormt waarin volle zelfontplooiing in laatste instantie toch niet mogelijk is. Vandaar dat arbeiders moeten strijden voor arbeidsduurvermindering en dus ook voor meer vrije tijd voor ‘zelfverheffing’. Maar ook ‘in de arbeid’ omdat de ‘geassocieerde producenten’ in staat zijn om hun stofwisselingsproces met de natuur op een meer rationele manier te regelen dan dat gebeurt onder het kapitalistische regime van privaat winstbejag. Vandaar dat de arbeiders ook moeten strijden voor ‘zelfbeheer’ (in het Frans: ‘autogestion’) wat een kernthema zou worden van Gorz’ politieke boeken uit de zestiger jaren. Hieraan ontleende Gorz zijn faam als theoreticus van Nieuw Links met zijn nadruk op echte volksmacht van onderuit (te onderscheiden van enerzijds de sociaal-democratie en anderzijds het marxisme-leninisme waar in beide gevallen de partijleiding besliste wat goed was voor de arbeiders).

Twee belangrijke bemerkingen zijn hier op hun plaats. Eerst en vooral mogen we Gorz’ strijd voor de bevrijding van de arbeid niet gelijk stellen met een soort ‘recht op luiheid’, een zalig nietsdoen of een passief consumentisme. Arbeid moet daarentegen teruggedrongen worden om ons vrij te maken voor verrijkende zelfbepaalde of autonome activiteiten die een doel op zichzelf vormen en samenvallen met het leven als dusdanig (we komen daar nog op terug). Vervolgens zal de ‘bevrijding van de arbeid’ als streefdoel nooit volledig gerealiseerd kunnen worden. We leven nu eenmaal in een zeer complex systeem waarin de productie en het beheer steeds elementen van vervreemding zullen bevatten. Vandaar ook Gorz’ kritiek op ‘communisme’ en ‘anarchisme’ als zijnde illusorische én gevaarlijke utopieën omdat ze beiden beweren de formule van een zo goed als ideale wereld op zak te hebben!

3. De ecologische wending: een verdieping van het socialisme

Onder invloed van zijn tweede belangrijke inspiratiebron, Ivan Illich (1926-2003), ontdekt Gorz in de zeventiger jaren de ecologische problematiek. De ecologische kritiek kwam niet in de plaats van zijn vroegere kapitalisme-kritiek maar is er een verdieping van. Hij leert van Illich dat de kapitalistische technologie (denk in dit verband aan de lopende band, het hart van het toenmalige moderne kapitalistische bedrijf) niet neutraal is maar de uitdrukking van sociale machtsverhoudingen. ‘Zelfbeheer’ kan dan ook niet meer gelijk gesteld worden met een collectieve overname van de bestaande productiemiddelen, maar moet nieuwe ‘conviviale’ technieken creëren die niet langer machtsongelijkheid bevestigen en versterken. Daarnaast gaat Gorz inzien dat het kapitalisme niet enkel gebaseerd is op vervreemdende loonarbeid maar even zeer op de manipulatie van de behoeften van de mensen. De opkomende reclame industrie praat hen nieuwe behoeften aan om te voorzien in een steeds grotere afzetmarkt voor de groeidwang die eigen is aan het kapitalisme. Die kunstmatig geschapen consumptiehonger vormt bovendien een ideale uitlaatklep voor de frustraties van het (loon-) arbeidersbestaan. Tenslotte fungeert de groei ook als een ideologische wortel die aan de bevolking een permanente Vooruitgang voorspiegelt.

Deze combinatie van groeidwang, consumptiemanipulatie en vervreemdende loonarbeid ligt aan de basis van de vernietiging van de natuurlijke basis van het menselijke bestaan. Gorz waarschuwt echter ons niet blind te staren op die reële mogelijkheid van het uitsterven van de menselijke soort. Want dan zou de oplossing voor dit gevaar gezocht kunnen worden in een vergroening van het kapitalisme. Is het ‘groene kapitalisme’ een contradictio – in – termini zoals vele oprechte linkse mensen denken? Gorz is daar niet zo zeker van. Hij beschouwt het kapitalisme als een zeer flexibel systeem dat radicale hervormingen zoals de invoering van een sociale wetgeving, algemeen kiesrecht, vakbondsvrijheid en de sociale zekerheid verteerd heeft en er zelfs sterker uit te voorschijn is gekomen. Waarom zou het dan ook niet de ecologische kwestie kunnen recupereren? Maar ook een succesvol groen kapitalisme – dat de mensheid in staat zou stellen te ‘overleven’- zou niet genezen zijn van de oude kwalen van het oude kapitalisme (vervreemde arbeid ….). Daarom mag de inzet van onze strijd niet negatief geformuleerd worden (verzet tegen een dreigende teloorgang en dus voor het overleven van de mensheid) maar positief: hoe kunnen we een menswaardig leven uitbouwen? En dat sluit het kapitalisme (ook de groene variant ervan) uit.

In een latere fase van zijn ontwikkeling hanteert hij een nieuwe terminologie om dat onderscheid tussen politieke inzet voor ‘louter overleven’ versus ‘menswaardig leven’ uit te drukken. Hij maakt dan het contrast tussen de ‘wetenschappelijke’ en ‘politieke’ ecologie. Wetenschappelijke ecologie noemt hij ook wel ‘groene expertocratie’ en dat vindt hij verwerpelijk. Met die experten bedoelt hij milieu-ingenieurs die in naam van de ecologische draagkracht van de planeet een overlevingsscenario opstellen dat door een bevriende overheid aan de onwetende burgers wordt opgelegd. In naam van het overleven van de mensheid wordt hun menselijkheid ontkend. Als alternatief stelt hij de ‘politieke ecologie’ voor. Politieke ecologie is niet in de eerste plaats bekommerd om de ‘natuur’ van de wetenschappelijke ecologisten maar wel om de bescherming, het herstel en de versterking van de menselijke leefwereld. ‘Leefwereld’ verwijst naar de cultuur van het alledaagse (onttrokken aan de dwingelandij van experts en technocraten allerhande) waarin zich het ‘gezonde verstand’ van de gewone mensen kan ontplooien. Dat stelt hen in staat om op eigen kracht dingen en gebeurtenissen te interpreteren en te beoordelen en er dienovereenkomstig naar te handelen. Het is het domein van de dialoog, discussie, zelfhulp, wederzijdse hulp, zelfproductie, zelforganisatie en zelfbeheer: kortom van de autonomie, van het mondige denken en handelen. Hij meent dat deze autonome sfeer een geschikt biotoop vormt voor de uitwerking van een nieuwe ‘norm van het voldoende’: een ecologisch verantwoord behoeftepatroon (de oude norm werd door het moderne kapitalisme vernietigd: Henry Ford bijvoorbeeld meende dat het kapitalistische winstbejag het best gediend werd door een ongebreidelde consumptiehonger). In de ‘autonome sfeer’ experimenteren mensen met levensstijlen die verzoenbaar zijn met ecologische duurzaamheid. Men kiest voor zelfbeperking, minder arbeiden en consumeren, niet vanuit een ascetische ingesteldheid maar juist om beter en gelukkiger te kunnen leven. ‘Geluk’ en ‘welzijn’ worden gemeten aan nieuwe criteria!

4. Op zoek naar bevrijdende mogelijkheden in de geschiedenis

Gorz stelt dat dit streven naar het terugdringen van loonarbeid, consumptie en groei niet zo maar een utopisch hersenspinsel is maar een ‘actueel’ gegeven, dat wil zeggen: als ‘mogelijkheid’ besloten ligt in bestaande maatschappelijke tendensen. Hij vestigt zijn hoop daarbij niet meer op de arbeidersklasse als de historisch voorbestemde doodgraver van het kapitalisme: met dat marxistische messianisme rekent hij af in zijn controversiële boek ‘Afscheid van het proletariaat’ (1980). Wel verwijst hij daarvoor naar de Derde Industriële Revolutie (DIR) die in de loop van de tachtiger jaren een einde zou maken aan de naoorlogse Keynesiaanse politiek van volledige werkgelegenheid. Investeringen in arbeidsbesparende technologieën en nieuwe organisatiemodellen deden de productiviteit met sprongen vooruit gaan: voortaan kon een veel grotere maatschappelijke rijkdom met veel minder arbeidskrachten dan voorheen tot stand gebracht worden.

Gorz beschrijft dit decennium als zijnde een ‘historisch kruispunt’: de samenleving kon, eenvoudig uitgedrukt, een pad van meer beschaving (socialisme) ofwel een pad van minder beschaving (barbarij) inslaan. De DIR bezat het potentieel om de arbeiders (deels) te bevrijden van de vervreemdende loonarbeid waardoor er – mits een aangepast politiek programma van arbeidsduurvermindering en –herverdeling – tijd zou vrijkomen voor autonome activiteiten. Onder autonome activiteiten verstaat hij (1) activiteiten gericht op private en vooral collectieve zelfvoorziening (wat o.m. het bestaan van wijkwerkplaatsen veronderstelt); (2) een evenwichtiger verdeling van de huishoudelijke taken tussen man en vrouw; (3) activiteiten gericht op zelfontplooiing én de versterking van sociale banden (o.a. niet-professionele ondersteuning en begeleiding van kwetsbare groepen in de samenleving); (4) politiek engagement binnen het kader van een nieuwe ‘actieve democratie’. Dit zou leiden tot een herstel, uitbreiding en versterking van boven vernoemde ‘leefwereld’ van de mensen en een halt toeroepen aan de gangbare kolonisering van die leefwereld door staat en economie.

Als het bevrijdende potentieel van de DIR echter miskend wordt dan kan het omgevormd worden tot een chantage – instrument dat de werkenden nog meer verminkt door hen te veroordelen tot een geestdodende ‘struggle for survival’ op een inkrimpende arbeidsmarkt. In het conservatieve discours, dat de grondslagen van de bestaande orde verdedigt, wordt dan gesteld dat door de DIR spijtig genoeg een tekort aan werk is ontstaan. Bijgevolg kunnen enkel de meest verdienstelijken nog aanspraak maken op een aantrekkelijke en volwaardige baan terwijl de verliezers zich tevreden moeten stellen met de kruimels die van de rijk gedekte tafels van de geslaagden vallen.

Na 1989 (jaar van de Val van de Muur), wanneer het rampenkapitalisme en het neo-liberalisme hoogtij vieren, concludeert Gorz dat de progressieve zijde (roden en groenen) deze politieke en ideologische strijd verloren hebben. Het onvermogen en de onwil om het bevrijdende potentieel van de arbeidsbesparingen te realiseren is geresulteerd in een absurde en onrechtvaardige herverdeling van de arbeid, de tijd en de maatschappelijke rijkdom. Een geprivilegieerde groep van managers en kenniswerkers die in de watten worden gelegd is komen te staan tegenover een achteruitboerende middenklasse en een nog steeds groeiend ‘precariaat’ waarvan de hoog aangeprezen flexibiliteit een maskering vormt van hun bestaansonzekerheid (denk aan de uitdijende groep van ‘werkende armen’). Reeds in 1990 spreekt Gorz schamper over een sluimerende ‘zuidafrikanisering’ van de Westerse samenleving waarin de nieuwe rijken hun banaal huishoudelijk werk uitbesteden aan een nieuwe onderklasse van meiden en knechten (niet zelden met een diploma van het middelbaar of hoger onderwijs op zak)!

In 1997 verschijnt echter zijn ‘Misères du présent. Richesse du possible’ waarin hij de verontwaardiging achter zich laat en nieuwe offensieve voorstellen formuleert, waaronder dat van een onvoorwaardelijk en voldoende hoog basisinkomen. Zijn uitgangspunt is dat als creatieve kennisarbeid de voornaamste bron van maatschappelijke rijkdom is geworden deze laatste ook niet meer in een eenduidig verband staat met het aantal gepresteerde arbeidsuren. Het is zinloos geworden geld te verdelen in functie van het aantal gepresteerde uren en daarom is het ook redelijk geworden om het inkomensrecht te ontkoppelen van de arbeidsplicht. Gorz ziet de uitkering van een basisinkomen als het aanreiken van een rugzakje waarmee mensen ‘autonomer’ kunnen worden, terug vat kunnen krijgen op hun levenssituatie. Dankzij een basisinkomen zullen mensen vrij zijn hun ontplooiing volledig te zoeken op het domein van de autonome activiteiten OF zo veel als zij nodig achten bij te verdienen op de bestaande arbeidsmarkt.

Het boek ‘L’Immatériel’ (2003) werkt de stelling uit dat het industriële kapitalisme plaats heeft gemaakt voor het ‘cognitieve’ kapitalisme (bij ons spreekt men van een ‘kenniseconomie’) waarin de ‘immateriële arbeid’ van de kenniswerkers een sleutelrol speelt. In discussies met de socioloog Jean-Marie Vincent (1934-2004), de derde belangrijke inspiratiebron van Gorz, en groepen dissidente hackers is hij tot de conclusie gekomen dat ook bij deze kenniswerkers een behoorlijke dosis ongenoegen en subversie aanwezig is. Zij zien zich immers gedwongen–zij het met fluwelen handschoenen- hun talenten te laten renderen ten gunste van hun werkgevers. Een basisinkomen zou een aantal van deze gefrustreerde werkers in staat stellen zich te bevrijden uit het knellende keurslijf van het winstbejag en hun creativiteit ten dienste te stellen van het algemeen belang. Hun bijdrage in de kapitalistische strijd zou wel eens cruciaal kunnen zijn. Want als kennis het voornaamste kapitaal is geworden dan kan ze ook gemakkelijk gedigitaliseerd en gereproduceerd kunnen worden en dus tot een publiek goed gemaakt (‘free commons’). Deze gratis beschikbare en gemakkelijk uitwisselbare kennis zou o.m. gebruikt kunnen worden om gemakkelijk hanteerbare productiemiddelen (zoals de reeds bestaande ‘digital fabricators’ waarmee heel wat basisgoederen kunnen geproduceerd worden) die de ruggengraat zouden kunnen gaan vormen van een nieuwe gedecentraliseerde, zelfberende economie in de autonome sfeer!

5. Het ecosocialistische alternatief

Gorz’ streefdoel is het ecosocialisme dat hij zowel contrasteert met het ‘wetenschappelijke socialisme’ van het vroegere communistische blok als met de sociaal-democratische welvaartstaat. Beide zijn immers schadelijk voor de ‘leefwereld’ van de mensen: de eerste vernietigt die leefwereld; de tweede verzwakt hem (via vermarkting en bureaucratisering).

Zijn socialisme wil de positieve negatie zijn van het kapitalisme omdat dat kapitalisme in zekere opzichten een reële vooruitgang betekende vergeleken met andere productiewijzen (zowel op economisch, sociaal als op politiek vlak). Tegelijkertijd echter is dit kapitalisme ook vraatzuchtig en destructief: groei is haar zuurstof, vandaar ook haar inherente mateloosheid. ‘Overleven’ en zeker niet ‘menswaardig leven’ is haar eerste bekommernis. De kapitalistische markt parasiteert en vernietigt in laatste instantie het maatschappelijke en planetaire ecologische weefsel. Om dat proces te beschrijven doet Gorz een beroep op een aan andere auteurs ontleende terminologie. Zelforganisatie maakt plaats voor ‘vervreemding’ (Marx), autonomie voor heteronome afhankelijkheid (Illich); de leefwereld wordt gekoloniseerd door het ‘systeem’ (bureaucratie en markt) (Habermas); de ‘commons’ worden opgeofferd op het altaar van de privatisering (Vincent/Negri).

Gorz is een radicale socialist maar geen extremist: in zijn socialisme is er plaats voor zowel de ‘markt’ als voor een overheid. Beiden behoren tot de vervreemdende Megamachine die nooit volledig kunnen opgeheven worden, enkel teruggedrongen en gedemocratiseerd: bedrijven mogen niet uitgeleverd worden aan de dictatuur van aandeelhouders en de representatieve democratie moet evolueren in de richting van een actieve democratie. Markt en staat ontlenen hun bestaansrecht echter alleen aan het feit dat ze in dienst staan van de sfeer van de leefwereld van de mensen, de autonomie, het zelfbeheer, de ‘commons’ (sommigen zeggen ook: de civiele maatschappij). Daar bevindt zich het levende hart van het menselijke samenleven, de voedingsbodem van een menswaardige beschaving. De ecologische pool van zijn politiek ideaal heeft juist als voornaamste missie bij te dragen tot de verbreding en verdieping van dat ‘levende hart’. Zij is de bakermat en voedingsbodem van een ‘economie van het gezonde verstand’, gekenmerkt door solidariteit, gelijkheid, wederzijdse hulp en kosteloosheid maar anderzijds ook van zelfbeperking, begrenzing, maat houden en uiteindelijk dus ook van een nieuwe ‘norm van het genoeg’ (een productie –en consumptiepatroon verzoenbaar met ecologische zelfregulatie)!

André Gorz is een utopische denker. ‘Utopie’ heeft de laatste decennia ten onrechte een globaal pejoratieve bijklank gekregen: het verwijst dan naar blauwdrukken van ideale maatschappijmodellen die met dwang en geweld door (goed menende) wereldverbeteraars aan de bevolking worden opgedrongen. Zoals het spreekwoord zegt: het pad naar de hel is geplaveid met goede voornemens. De utopische fragmenten die we bij Gorz terugvinden zijn geen wereldvreemde verzinsels maar geënt op ‘mogelijkheden’ die aanwezig zijn in bestaande maatschappelijke tendensen. Alleen moeten we een soort derde oog ontwikkelen om die utopische mogelijkheden op het spoor te komen. Vervolgens zijn er politieke bewegingen, programma’s en strategieën nodig om deze mogelijkheden via nieuwe instellingen te realiseren. Redelijk recente publicaties zoals ‘Manifeste Utopia’ (2008), T. Coutrot, Jalons vers un monde possible (2010), E.O. Wright, Envisioning real utopias (2010) en J. Schor, Plenitude (2010) zijn ‘utopisch’ in deze Gorziaanse betekenis van het woord.

Van ‘Gorzisme’ is er trouwens nooit sprake geweest. Gorz’ denken werd steeds gekenmerkt door een kritische openheid. Zoals uit dit artikel blijkt heeft Gorz zich gedurende zijn ganse leven opengesteld voor nieuwe ideeën én praktijken van andere denkers én doeners. Deze ontmoetingen, contacten en discussies scherpten trouwens zijn ‘derde’ oog voor nieuwe ‘mogelijkheden’ die soms aanleiding gaven tot verrassende wendingen in zijn oeuvre. Gorz heeft dan ook geen ‘school’ gemaakt, wel heeft hij een heel uiteenlopend spectrum van filosofen, sociale wetenschappers en politiek en maatschappelijke geëngageerden blijvend geïnspireerd. Een aantal van deze mensen vindt men terug in de verzamelbundels ‘André Gorz, un penseur pour le XXIème siècle’ (sous la direction de C. Fourel), 2009 en ‘Pour en finir avec ce vieux monde’ (coordonné par T. Coutrot, D. Flacher, D. Méda), 2011.

 

De PvvdA (Merijn Oudenampsen)

Add your thoughts here… (optional)

MO

Het probleem is niet dat de PvdA haar overtuigingen verloochent ten gunste van het compromis. Het probleem is dat de werkelijke overtuigingen van de PvdA weinig verschillen van die van de VVD.

Het uittreden van Jan Pronk heeft een interessante discussie losgemaakt over de spanning tussen principe en compromis in de politiek.

Bas Heijne nam het in zijn column op voor het idealisme van Pronk. Voor het idee in bredere zin, dat politiek dient uit te gaan van een bepaalde ethische overtuiging, een opvatting over wat goed is voor de samenleving. ‘Je kunt het met Jan Pronk oneens zijn,’ aldus Heijne, ‘maar er is tenminste iets om het oneens mee te zijn’. Dit in tegenstelling tot Wouter Bos, die het pragmatisme tot geloof heeft verheven. Heijne: ‘Voor Bos is politiek geen kwestie van water bij de wijn doen. Het water is de wijn.’

Een vergelijkbaar argument is bij Thomas von…

View original post 1.180 woorden meer