Passieve demo­cratie

MO

Nederland heeft een morrend volk. Het politieke vertrouwen bevindt zich al tijden op een laag niveau. Sinds het aantreden van het kabinet Rutte/Asscher heeft de onvrede zich nog verder uitgebreid. Een peiling van het onderzoeksbureau TNS NIPO uit september dit jaar, meldt zelfs een historisch dieptepunt. Slechts 13% van de respondenten gaf aan vertrouwen in het huidige kabinet te hebben. Nog niet eerder was het vertrouwen in een zittende regering zo laag, aldus het peilingbureau.

Het huidige politieke moment kenmerkt zich door een bijzondere combinatie van omstandigheden. Er is sprake van een economische crisis, verergerd door een straf bezuinigingsbeleid, waardoor bij velen het inkomen, de hypotheek of sociale voorzieningen onder druk zijn komen te staan. Deze economische problematiek valt samen met een politieke legitimiteitscrisis, af te meten aan de tanende populariteit van de aloude middenpartijen en de toenemende volatiliteit van het stemgedrag. De logische verwachting is dat deze twee factoren…

View original post 1.195 woorden meer

Advertenties

Links en Vlaams: nog steeds de tang en het varken

Thomas Decreus

Image

 

Wat voorafging:

Een opiniestuk van Thomas Decreus, https://denieuwesocialist.wordpress.com/2013/11/21/links-en-vlaams-de-tang-en-het-varken-over-conservatisme-neoliberalisme-en-het-links-flamingantisme/

Een repliek van Peter De Roover, http://www.dewereldmorgen.be/artikels/2013/12/19/links-en-vlaams-waarom-de-tang-niet-van-het-varken-gehaald

 

Dat De Roover zich de moeite getroost heeft om mijn tekst ‘Links en Vlaams: de tang en het varken?’ grondig door te nemen en te becommentariëren, kan ik enkel toejuichen. Niet alleen omdat ik geloof in het democratisch belang van een open en vrij debat, maar ook omdat zijn repliek me toelaat om mijn oorspronkelijke standpunt verder te verduidelijken en toe te lichten.

Ik wens me in mijn repliek niet in te laten met enkele van de foute herinterpretaties van mijn origineel standpunt door De Roover. Dat ik België als een linkse modelstaat beschouw heb ik nergens geschreven. Het zou nogal ridicuul zijn om dat te beweren. Evenmin kan het sprongetje gelegitimeerd wordt dat mijn afwijzing van het huidige Vlaamse project een omhelzen van het Belgisch project impliceert. Dat is een duidelijke non-sequitur. Ook heb ik op geen enkel moment beweerd dat er een natuurlijke alliantie bestaat tussen nationalisme, neoliberalisme en conservatisme. Wel integendeel, in het eerste deel van mijn oorspronkelijke tekst beargumenteer ik net dat het samengaan van deze verschillende ideologische stromingen conflictueus en dus contingent is.

Gelukkig beperkt De Roover zicht niet tot een foute reproductie van mijn origineel standpunt. Naar het einde van zijn tekst toe wordt ook een argumentatie ontwikkelt waaruit zou moeten blijken dat links en Vlaams niet slaan zoals een tang op een varken. Helaas overtuigt die argumentatie niet. Laat me even verduidelijken waarom dat zo is. 

De Turf-doctrine

In zijn repliek toont De Roover zich een overtuigde aanhanger van wat ik de Turf-doctrine zou willen noemen. Deze doctrine kan als volgt samengevat worden: een stem op een rechts-nationalistische partij als N-VA staat op geen enkele manier de realisatie van een links en onafhankelijk Vlaanderen in de weg. De dag dat Vlaanderen onafhankelijk is, kan de linkse strijdbijl opnieuw probleemloos opgegraven worden om N-VA te bekampen. Want, zo stelt De Roover, “we mogen er toch van uitgaan dat de Vlaamse structuren formeel democratisch zullen zijn”.  Met andere woorden, ook al realiseert een rechtse politieke kracht als N-VA een onafhankelijk Vlaanderen, in dat onafhankelijk Vlaanderen gaat het democratische spel gewoon zijn verdere gang en kunnen we langsheen een rechts-links tegenstelling het politiek debat verder organiseren.

Ik onderschrijf deze Turf-doctrine niet omdat ze blijk geeft van een compleet gebrek aan inzicht omtrent hoe politieke macht werkt en daar bovenop nog eens een erg simplistisch beeld van de democratie schetst. Iedereen die enigszins vertrouwd is met de politieke geschiedenis weet dat een hegemoniale partij niet enkel regeert maar de samenleving ook vormgeeft naar haar eigen beeld. Die verandering is onomkeerbaar in de zin dat ze een verandering van het politieke speelveld inhoudt en dus de politiek zelf – inclusief het gedrag van de kiezers – fundamenteel wijzigt. Een voorbeeld? Het Groot-Brittannië van na Thatcher was een ander Groot-Brittannië dan voor Thatcher en het is niet omdat Thatcher in 1990 van het politieke toneel verdween dat haar erfenis niet meer bleef doorwerken. Tatcher zelf besefte dat maar al te goed. Toen haar in 2002 gevraagd werd naar haar grootste politieke realisatie, antwoordde ze zonder verpinken “Tony Blair and New Labour. We forced our opponents to change their minds.”[1]

To change minds, dat is de fundamentele inzet van iedere politieke strijd. Zowel ter linker als ter rechter zijde kent men zijn Gramsci. Ook Vlaams-nationalisten als De Roover weet maar al te goed dat de sokkel waarop politieke macht rust niet per se het stemhokje als wel de civiele maatschappij is. Het gaat om de verovering van de harten en de geesten. Die verovering gebeurt stapsgewijs via media, cultuur, verenigingen, sociale initiatieven en het middenveld. En, één keer veroverd, kunnen die harten en geesten niet heroverd worden binnen één of twee electorale termijnen. Dat is inderdaad een werk van jaren, mogelijk decennia. Zo werkt politiek.

Nu kan De Roover bij hoog en bij laag beweren dat dit een foute opvatting is over politiek, dat is zijn goed recht. Alleen is het zo dat hij zelf de beste illustratie is van wat ik hierboven beweer. Initiatieven als Doorbraak.be of de Vlaamse Volksbeweging hebben als doelstelling om een bepaald communautair discours binnen de civiele samenleving te verspreiden tot ze als schijnbaar evidente waarheid gereproduceerd worden. De Roover beseft maar al te goed dat het gaat om de verovering van harten en geesten, de blijvende verandering van het politieke speelveld, kortom, het vestigen van een hegemonie. Dat staat zelfs letterlijk te lezen op de pagina’s van Doorbraak.be. Ik citeer even een tekst van de hand van Julien Borremans die op Doorbraak.be verscheen:

“Het Vlaams-nationalisme heeft aan kracht gewonnen en is dankzij de N-VA de instellingen binnen geslopen. Ze hanteert een gepolijste, conservatieve ideologie waarmee ze het hart van de middenklasse verovert. Haar achterdocht jegens de (verzorgings)staat en de bureaucratische, administratieve moloch geven haar een non-conformistisch cachet waardoor haar aantrekkelijkheid bij de jeugd en de middenstand nog verder zal accelereren. De N-VA is er duidelijk op uit om haar ‘hegemonie’ te vestigen. Voor De Wever worden de oude en gangbare morele beginselen en politieke cultuur door nieuwe ethische en politieke principes vervangen.”[2] [cursivering toegevoegd, TD]

Zoals de auteur op Doorbraak.be te kennen geeft, de hegemonie kleurt momenteel neoliberaal en conservatief. Rechts dus.  Dat rechtse discours van N-VA wordt, in naam van de Vlaamse vrede, vrij enthousiast omarmd door de Vlaamse beweging. Op geen enkel moment is er een concrete en consequente distantie van dat discours. Wanneer N-VA en de met de N-VA sympathiserende Vlaamse beweging dus de drijvende krachten worden achter een Vlaamse onafhankelijkheid, dan is het volstrekt logisch dat de neoliberale en conservatieve hegemonie zal weerspiegeld worden in de constituerende teksten en praktijken, in de procedures en wetten van dat Vlaanderen.

Een formele democratie is immers nooit volstrekt formeel, procedures zijn nooit de perfecte uitdrukking van onpartijdigheid. Zoiets beweren getuigt van een zekere politieke naïviteit. Zoals Chantal Mouffe het stelt: […]Het is omdat procedures ingeschreven zijn in gedeelde levenswijzen en wereldvisies dat procedures aanvaard en gevolgd kunnen worden.”[3] Welnu, de gedeelde levenswijze en levensvisie die N-VA hegemoniaal tracht te verankeren is neoliberaal en conservatief van aard. De formele democratie van een Vlaamse zal daarom rusten op een substantieel nationalistische, conservatieve en neoliberale wereldbeschouwing en daar ook de uitdrukking van zijn. 

Van solidariteit naar verzekering

Eens we uitgaan van het volstrekt logische feit dat N-VA een N-VA Vlaanderen zal creëren en geen neutrale politieke ruimte genaamd Vlaanderen, kan ook een andere tegenwerping van De Roover vrij makkelijk beantwoord worden. Volgens De Roover slaag ik er niet in aan te tonen waarom de realisatie van een Vlaamse onafhankelijkheid gepaard gaat met de afbraak van de sociale zekerheid. De Roover beaamt volmondig dat de Belgische sociale zekerheid zal ontmanteld worden, maar volgens hem impliceert dat geen aanval op de sociale zekerheid an sich.

Welnu, in het licht van wat in de voorgaande sectie gesteld werd: als we er van uitgaan dat onafhankelijkheid zal gestuurd worden door de N-VA en bondgenoten, dan zal de Vlaamse re-creatie van de sociale zekerheid gebeuren onder een rechtse, neoliberale hegemonie. Het is vrij duidelijk dat er een vorm van sociale zekerheid zal gecreëerd worden die het principe van solidariteit ondergeschikt zal maken aan het principe van verzekering. De sociale zekerheid zoals we die kennen zal verdwijnen. Een veel minder sociale variant ervan zal gerecreëerd worden op Vlaams niveau. Dat is wel degelijk een aanval op de sociale zekerheid an sich. Het zullen alvast niet de ondernemers zijn die zich momenteel en masse tot de N-VA bekeren die daarbij zullen verliezen. Nee, de groepen die sociaal-economisch het zwakst staan zullen het gelag betalen. De gewone Vlaming zal in het zand bijten. Net daarom dat een consequent linkse positie een distantie veronderstelt van het huidige Vlaamse project.

Die distantie wordt verder gelegitimeerd wanneer we even tussen de regels lezen van De Roovers repliek. Op een bepaald moment stelt De Roover duidelijk dat organisaties en structuren “die zich mordicus blijven vereenzelvigen met België in hun huidige vormen moeten ontmanteld worden.” Naar het einde van de tekst wordt een concreet voorbeeld gegeven: het zijn ondermeer de vakbonden die zich blijven vastklampen aan het “Belgische feit”. De Roover zegt het niet met zoveel woorden, maar het volgt wel logisch uit zijn betoog: de vakbonden hebben de keuze tussen de oprichting van een strikt Vlaamse vakbond of ontmanteling. Dat het de taak is van een vakbond om werknemers te beschermen op alle niveaus waar dat nodig is, en niet om mee te dingen in een communautair opbod ontgaat De Roover volledig. Maar de consequentie van die stellingname is wel overduidelijk en bevestigt volledig mijn eerdere analyse: het Vlaams-nationalisme ziet in de vakbonden een objectieve vijand. Ondermeer daarom is het dat Vlaams-nationalisme en neoliberalisme elkaar gevonden hebben – gemeenschappelijke vijanden maken immers goede vrienden. Voor mensen als De Roover is het belang van sterke vakbonden en goed beschermde werknemers ondergeschikt aan de eis voor een sterk Vlaanderen. Opnieuw: onverenigbaar met een consequent linkse positie.

Rechts en links

De laatste kunstgreep van de N-VA en bondgenoten bestaat erin om de kritieken op het uitgesproken neoliberale en rechtse karakter van de partij te minimaliseren door mist te spuien over begrippen als ‘rechts’ of ‘neoliberalisme’. Ook De Roover doet daar duchtig aan mee.[4] Op een bepaald punt in zijn repliek ontkent hij dat N-VA een neoliberaal karakter heeft en ergens anders insinueert hij dat hij niet weet wat een ‘rechts’ Vlaanderen zou betekenen. Op zo’n momenten heeft De Roover toch iets mee van Mohamed Saïd al-Sahaf a.k.a. Comical Ali, de Iraakse minister van informatie onder Sadam Hoessein, die beweerde dat de Irakezen aan de winnende hand waren terwijl de Amerikaanse tanks reeds door de straten van Bagdad denderden. Stellen dat de N-VA niet rechts of neoliberaal is, is tegen iedere feitelijkheid ingaan. N-VA laat bijvoorbeeld geen kans onbenut om rond te toeteren dat de publieke sector dient afgeslankt te worden, dat de ondernemers meer zuurstof moeten krijgen, dat er bespaard moet worden, dat de vakbonden ondemocratische en frauderende lastpakken zijn, dat de sociale zekerheid een hangmat is en dies meer. Textbook examples van een rechts en neoliberaal discours. Een discours dat zich in de stad waarin ik woon, Antwerpen, ook daadwerkelijk omzet in beleid: het schrappen van bos- en zeeklassen, plannen om stedelijke kinderopvang te privatiseren, drastische afslanking van de stedelijke overheid, het bekampen van het sociaal-culturele middenveld, het afvoeren van de zondagsrust en het demoniseren van anderstalige nieuwkomers, leefloners en werkzoekenden. Komt daar nog eens bij: een uiterst repressief beleid. Om enkele recente voorbeelden te geven: kliklijnen voor vuilnismannen die een nieuwjaarsfooi vragen, boete voor eenieder die een pretsigaret rookt tot en met het strafbaar stellen van bedelarij. Klap op de vuurpijl: recentelijk werd ook deelname aan betoging “die zou kunnen leiden tot overlast” strafbaar gesteld. Zeker die laatste maatregel doet me sterk twijfelen of het Vlaanderen van de N-VA een Vlaanderen zal zijn dat beantwoordt aan de formele regels van de democratie.

Het zou De Roover en andere Vlaams-nationalisten sieren, moesten ze op zijn minst toegeven dat N-VA een door en door rechtse partij is. Dat is een kwestie van intellectuele eerlijkheid. Alles in het discours en het beleid wijst daarop. Ik kan er in ieder geval geen spatje links engagement in vinden. Onder N-VA bewind wordt de democratie beknot in plaats van uitgebreid, private actoren krijgen meer macht dan publieke actoren, er is geen sprake van een emancipatorisch project en het repressie-apparaat neemt toe in omvang. Een links politiek project is exact het tegendeel daarvan. Op iedere mogelijke manier. 

Links en Vlaams: nog steeds de tang en het varken 

Voor Vlaams-nationalisten als De Roover is ieder ideologisch conflict ondergeschikt aan de realisatie van de Vlaamse staat. De links-rechts tegenstelling wordt daarom als gedateerd of irrelevant beschouwd, terwijl het Vlaams-nationalisme objectief gezien een steeds rechtser karakter krijgt. De reden waarom ik me tegen dat Vlaams nationalisme kant is niet per se ideologisch of theoretisch van aard, laat staan ingegeven door Belgicistische motieven. Het is bovenal een blijk van bezorgdheid. Want ik zie dat in het hier en nu, in de concrete praktijk van alledag, emancipatorische en democratische verworvenheden worden afgebouwd, dat de verzorgingstaat door de neoliberale mangel wordt gehaald en dat vakbonden gebasht worden. Dat alles door een partij en een beweging die een vaag ideaal genaamd Vlaanderen najaagt. De eerste die echter verliest in het hier en nu bestaande Vlaanderen is de gewone man, de gewone vrouw, de werknemer, de kleine zelfstandige, de gepensioneerde, de werkzoekende. Zij zijn de voornaamste slachtoffers van het klauwen van de leeuw. Het politieke project dat ik steun is er één dat het consequent en eenduidig opneemt voor die geklauwde groepen, die ze een stem geeft in plaats van die stem te verstikken. Hieruit volgt dat ik niet anders kan dan me verzetten tegen de N-VA en haar supporters, inclusief de zogenaamd ‘linkse’ en ‘progressieve’ flaminganten die feitelijke gedoogsteun leveren aan het N-VA bewind.

(Thomas Decreus is politiek filosoof en auteur van Een paradijs waait uit de storm (EPO 2013))


[3] Oorspronkelijk citaat waaruit deze zin werd geplukt: “This reveals that procedures only exist as complex ensembles of practices. Those practices constitute specific forms of individuality and identity that make possible the allegiance to the procedures. It is because they are inscribed in shared forms of life and agreements in judgements that procedures can be accepted and followed.” Chantal Mouffe, The Democratic Paradox, London and New York: Verso (2005), p. 68.

[4] Zie bv. volgende bijdrage op Doorbraak.be met bijhorend pleidooi voor de GAS boetes. Geheel toevallig een pleidooi dat volstrekt samenvalt met dat van Bart De Wever.

Neoliberaal nationalisme

Ico Maly

Alle neoliberalen zijn voor het behoud van naties, niet omdat ze overtuigde nationalisten zijn, wel omdat naties de steunpilaren zijn voor een neoliberale economische politiek

Als het me geoorloofd is, dan vertaal ik graag even de boodschap van Liesbeth Homans in De Standaard (in haar reactie op de column van Paul Goossens, DS 14, op 17 december). Homans stelt eufemistisch dat Goossens er maar best het zwijgen toe doet als het om N-VA gaat. De redenen? Ten eerste omdat hij ‘angst’ zou zaaien voor de broodnodige ‘radicale omwenteling die nodig is om onze sociale zekerheid te redden’. Ten tweede omdat zijn waarschuwing dat N-VA een neoliberale partij is even ongeloofwaardig zou zijn als zijn eerdere waarschuwing dat de N-VA een etnisch nationalisme zou prediken.

Ik ga graag in op beide argumenten. Dat is nodig want het zijn drogredenen die de ware aard van het N-VA-project verdoezelen voor de kiezer…

View original post 662 woorden meer

GAS-lucht alom: waarom dit systeem pervers is

Jan Blommaert (en z'n gedachten)

Afbeelding

Morgen stemt het parlement over een wet die het systeem van de GAS-boetes verder uitdiept. Het ziet er naar uit dat die wet zal worden aangenomen, ondanks het protest van een ongezien groot koor aan organisaties en individuen.

Indien het parlement die wet goedkeurt, is het van groot belang te blijven vechten tegen deze wet. Ik heb daar in een eerder stuk al uitvoerig argumenten voor gegeven. Ik voeg er hier nog enkele bij.

1. De informalisering van het recht

In een rechtstaat is het recht een formeel gegeven, gebonden aan strakke en vaak merkwaardige procedures, die een aantal zaken moeten garanderen:

(a) de gelijkheid van elke burger tegenover de wet, zonder discriminatie van eender welk soort; dit is een grondvest van de Verlichte samenleving na het absolutisme, en de hoeksteen van wat men onder de rechtstaat en het begrip ‘rechtszekerheid’ begrijpt;

(b) het betekent ook dat enkel de wet…

View original post 3.086 woorden meer

Geld en het leven: wie kost het meest?

Jan Blommaert (en z'n gedachten)

Jan Blommaert

Image

Een van de meest courante definities van neoliberalisme is het doortrekken van een louter economische logica naar elk aspect van ons bestaan. Concreet: een logica waarin alles, letterlijk alles, in termen van kosten en baten wordt uitgedrukt. Die kosten en baten – de economische logica – worden vaak afgemeten aan iets wat blijkbaar geen discussie duldt: het primaat van de bedrijfswinsten, de suggestie dat bedrijfswinsten het hoogste en vaak het enige doel zijn. Het verhogen van lonen is een voor de hand liggend voorbeeld, maar ook het verlagen van de arbeidslast van werknemers in het licht van chronische overbelasting met allerhande gezondheidseffecten tot gevolg wordt vaak van de hand gewezen “omdat het geld kost” en dus “niet te veroorloven” is – geredeneerd en berekend vanuit de onaantastbaarheid van de bedrijfswinsten uiteraard. Het is een logica van “wie gaat dat betalen?” waarbij er vanuit wordt gegaan dat aandeelhouders niet

View original post 3.993 woorden meer

Redelijk Links: Waarom nadenken een socialistisch beginsel is

Jan Blommaert

(Tekst van de eerste Jaap Kruithoflezing, februari 2010)

Image

 

In zijn magistrale boek ‘De Rode Vlag’ schrijft David Priestland dat socialisme en communisme steeds twee gezichten hadden. Het ene was een romantisch gezicht, het tweede een technocratisch gezicht. Het romantische socialisme ging uit van de kracht van de massa en de volkswil, het koos voor revolutie en zelfoppoffering, voor rotsvaste beginselen, consequentie en ideologische rechtlijnigheid, en voor een socialistische cultuur van puurheid, zuiverheid en toewijding. Mao Zedong was zeker een romantisch socialist, en hetzelfde geldt voor mensen als Franz Fanon en Che Guevara. Het technocratische socialisme was het socialisme van het Plan en van de organisatie, van de partijstructuren, de rationaliteit, de wetenschap en de heldere analyse – het Wetenschappelijke Socialisme kortom. In dit technocratisch socialisme ging het om de resultaten, en werd minder de nadruk gelegd op ideologische schokbestendigheid. Ook hier denken we meteen aan mensen als Stalin, Zhou Enlai, Brezhnev of, bij ons, Hendrik De Man. Priestland argumenteert dat socialistische projecten op hun best waren wanneer de twee aspecten samen gingen, wanneer revolutionair vuur gekoppeld werd aan grondige en robuuste analyse en organisatie. Als we hier namen moeten op plakken denken we in de eerste plaats aan Marx zelf, maar ook aan mensen zoals Lenin, Luxemburg, Gramsci, Ernest Mandel of Eric Hobsbawm. Het zal wel zo zijn dat elke prominente socialist doorheen fasen gaat van romantiek en van technocratie, en dat het overwicht van het ene over het andere doorgaans in zijn context moet gezien worden. Men is romantischer wanneer men een kleine machteloze beweging is, dan wanneer men een grote, machtige staat moet beheren. Men is allicht ook meer bezeten van revolutionair vuur wanneer een revolutie broodnodig is en tot de mogelijkheden behoort, dan wanneer men zelf een revolutie moet afwenden om aan de macht te blijven. Het feit blijft dat men socialisme best definieert als een combinatie van emotie en redelijkheid, van ferme en vaste beginselen gekoppeld aan klare en rationele analyse, van utopie en concrete verwezenlijkingen.

Jaap Kruithof was zonder twijfel een romantische en impulsieve socialist, een overtuigde oproerkraaier eerste klas die met doodsverachting en eloquentie de overgang realiseerde van één intellectuele cultuur naar een andere in dit land. Hij schokte Vlaanderen uit zijn lange Katholieke slaap, viel zonder ophouden de heilige huisjes van de dominante Katholieke cultuur en moraal aan, hij voorzag het bouwwerk van Katholiek Vlaanderen van een vrijzinnig en humanistisch bijhuis, en hij voorzag in een nieuwe (nu haast vanzelfsprekende) koppeling tussen de linkse beweging en de vrijzinnigheid. Hij deed dit niet altijd redelijk, al argumenteerde hij wel constant en consistent. Zijn argumenten waren evenwel doorgaans principiële argumenten rond menselijke vrijheid en autonomie, en argumenten omtrent waarden zoals gelijkheid, emancipatie en intellectuele bevrijding. Hij was een intellectueel, en zijn argumenten waren intellectuele argumenten. Maar ze waren vaak gestoeld op nauwelijks ontwikkelde analyses, en nog minder op een methodisch en gedisciplineerd kader voor de studie van de empirische werkelijkheid. Hij voorzag de koppeling tussen links en vrijzinnigheid niet van een theoretische basis, en het gevolg daarvan is dat die koppeling nog steeds grotendeels enkel als een lifestyle keuze of een vorm van voluntarisme bestaat.

Kruithofs erfenis is monumentaal, zowel in positieve als in negatieve zin. Hij leerde zijn volk een nieuwe cultuur aan, maar hij voorzag die cultuur niet van een redelijke en systematische onderbouw. Ik zie het als de taak van de Jaap Kruithof lezingen om de beide kanten van deze erfenis te bekijken, en na te gaan hoe de gebreken ervan kunnen verbeterd worden. Het punt dat ikzelf wil behandelen is de vraag waarom links redelijk moet zijn, waarom we behoefte hebben aan een rationeel en gedisciplineerd kader waarbinnen linkse standpunten vorm, gestalte en relevantie krijgen.

***

Laat me eerst even het probleem schetsen, het probleem van de onredelijkheid van links. Het is mijn overtuiging dat links ophield te redeneren op het moment dat de Koude Oorlog ten einde was. Dat einde van de Koude Oorlog was een grotendeels esthetische ervaring. De beelden uit die periode staan ons nog allemaal in het geheugen gegrift: duizenden mensen op en rond de Berlijnse Muur, Ceaucescu die werd uitgejouwd tijdens een toespraak, Boris Jeltsin op de motorkap van een tank in Moskou, de roerige studenten op Tien an Men en de kleine man die drie Chinese tanks tegenhield. Het was een esthetische en emotionele schok, die door de internationale media in beelden gezet werd die rechtstreeks verwezen naar de revolutionaire films van Eisenstein. Links werd geconfronteerd met een revolutie, maar die revolutie was tegen links, of althans tegen wat velen als links beschouwden. En links reageerde erop zoals het reageerde na vergelijkbare momenten, Hongarije in 1956 en de Praagse Lente van 1968: door het georganiseerde communisme massaal de rug toe te keren. Telkens de Volksdemocratieën wankelden, wankelde links in het Westen mee, en toen de Volksdemocratieën rond 1990 compleet ineenstortten, gaf links en masse zijn geloof op. Enthousiast aangevuurd door mensen zoals Francis Fukuyama en Guy Verhofstadt begaf links zich in een Beeldenstorm, een Grote Kuis. De socialistische canon, Marx op kop, werd onder hoongelach en gejuich het raam uit gegooid; elke vorm van antikapitalisme werd gezien als een geestelijke afwijking, en men koos voor een resoluut tegengestelde koers. Trotskisten gaven het op of sloten zich aan bij de SP en de KP transformeerde zich tot een groupuscule van progressieve maar radicale Vlaams-nationalisten die in de strijd voor Vlaamse autonomie een nieuwe klassenstrijd meenden te herkennen.

Het einde van de Koude Oorlog leek bij links haast op de Bevrijding van 1944: lang leve de Amerikanen en de Britten! Weg met de verdrukker! Collaborateurs aan de paal! Het was alsof links zich eindelijk bevrijd voelde van de plicht om op een bepaalde manier links te zijn: een manier die aansloot bij Marxisme (en dus Marxistische belezenheid en bekwaamheid vooronderstelde), antikapitalistisch was en geloofde in een fundamenteel socialistisch alternatief, en sympathie had voor de Sovjet-Unie, Cuba en andere Volksdemocratieën. Links voelde zich bevrijd van zijn strakke ideologische uniform en durfde nu in vlotte vrijetijdskledij de straat op. Links bleef zich ergeren aan rechts (vooral omdat rechts snel extreem-rechts werd), maar links juichte toen Bill Clinton verkozen werd, juichte later nog meer toen Obama verkozen werd, en keek met afgunst naar de Britten die een man van het kaliber van Tony Blair aan het roer hadden staan. De nieuwe intellectuele goeroe’s van links waren nu Anthony Giddens, de architect van de Derde Weg, Frederic Jameson, de postmodernistische Marxist, en in eigen land Mark Elchardus, de architect van de nieuwe breuklijnen en dus van het nieuwe pragmatisme van de Socialistische Partij. Socialistische vernieuwers (en die volgende elkaar in sneltreinvaart op) hadden het over het failliet van de oude recepten, over het feit dat socialisme vooral rond emotie draaide (verontwaardiging!), over concreet en haalbaar beleid, over redden wat er te redden valt, over het Zilverfonds en de Actieve Welvaartstaat. Ze hadden het ook over veiligheid en nultolerantie, over de beperking van de immigratie en de verstrenging van de asielprocedure. Al die thema’s verschenen en verdwenen op het ritme van periodieke marktonderzoeken en poppolls, niet op dat van een aangehouden coherent onderzoek van de samenleving, en nog minder op dat van een stabiele en heldere ideologie. Links gooide zijn ideologie op de mestvaalt van de geschiedenis, en schaarde zich (zij het met beperkt enthousiasme) achter een liberaal kapitalisme, waarbinnen het dan voor ‘correcties’ koos: ‘de sociaal-gecorrigeerde markteconomie’, de ‘ecologisch-gecorrigeerde markteconomie’, het ‘etisch ondernemerschap’ en zo voort. Dat was een zwakke positie: links kwam over als even kapitalistisch als de Paarse coalitiegenoten, en enkel de nadruk op de sociale franjes van het systeem moesten hen dan ‘socialistisch’ maken. Links werd rechts – men mag dat centrum-rechts noemen, of centrum-links; in beide gevallen blijft het een opschuiven naar rechts.

Dat was een verschil met de vorige crisissen. De Sovjet-inval in Hongarije in 1956 gaf aanleiding tot breuken binnen Europees links. Eén van de effecten ervan was dat er een aantal nieuwe vormen van links ontstonden: de zogeheten neo-marxisten of Marxistische humanisten, met figuren zoals E.P. Thompson, die op zoek gingen naar een Marxisme dat aansluiting had bij de menselijke vrijheid en creativiteit. Het is interessant dat E.P. Thompson, Ralph Milliband en John Saville dat moment van linkse vernieuwing onder de vlag van de rede lieten varen: ze stichtten The New Reasoner. De anti-Stalinistische lijn die ze volgden werd gefundeerd op analyse, op een grondige Marxistische studie van de processen en condities die links observeerde. The New Reasoner was, zoals we weten, de voorloper van de New Left Review, een tijdschrift dat een enorme impact had op het progressieve intellectuele klimaat vanaf de jaren 1960, en dat één van de belangrijkste fora voor sociaal-wetenschappelijke theorievorming werd en een platform voor een nieuwe linkse politiek. De linkse crisis van 1956 gaf dus aanleiding tot een vernieuwd en versterkt links, en hetzelfde gold voor de crisis van 1968. Terwijl Brezhnev in Praag de praktijk van het Panzerkommunismus demonstreerde, ontstond er alweer een linkse massabeweging in de straten van Parijs, Berlijn, London, Chicago (en zelfs Leuven en Gent). Mei ’68 werd een nederlaag voor de Communistische partijen, maar een triomf voor links. Het is pas bij de derde crisis – het einde van de Koude Oorlog – dat links er niet in slaagde zichzelf te vernieuwen doorheen de crisis en resoluut koos voor het afwerpen van z’n oude vormen en gedachten. De gevolgen daarvan zijn welbekend: als electorale kracht staat links nergens in Vlaanderen, en als politieke kracht is ze geheel opgezogen door het al overbevolkte politieke centrum. We hebben het emo-socialisme van Janssens gehad, het sociaal-populisme van Stevaert en het sociaal-managerisme van Vandenbroucke. Doorheen dit alles ontbrak het stelselmatig aan redenering. De redeneringen waren ontleende redeneringen, tweedehandse gedachten en modellen die men dan maar even een laagje roze dekverf gaf. Er was geen sprake meer van socialisme als systeemkritiek – integendeel, de socialisten werden een doorsnee systeempartij, een conservatieve systeempartij daarenboven, die liever luisterde naar Bert Anciaux dan naar Eric De Bruyn. In de hoek van de intellectuelen merkte men eveens een graduele verwijdering weg van socialisme als redeneermodel. In die hoedanigheid heeft socialisme vrijwel opgehouden te bestaan als zichtbare kracht in onze samenleving.

Dit werd maar al te duidelijk in het najaar van 2008, toen de zogenaamde ‘bankencrisis’ uitbrak en het hele financiële wereldsysteem op de rand van de afgrond balanceerde. Een merkwaardig effect daarvan was dat economisten die tot de dag voor het uitbreken van die crisis hun bloed zouden hebben vergoten voor neoliberale modellen van een extreem vrije markt, plots allerhande Keynesiaanse en socialistische oplossingen kwamen aandragen: nationalisatie van bepaalde banken, forse overheidssteun voor de zieke sectoren van de economie, meer regulering van de financiële sector, en een beknotting van de monstueuze lonen en bonussen van de CEO’s van de banken. Een even merkwaardig effect was echter dat er vanuit socialistische hoek enkel een oorverdovend stilzwijgen kwam. Men gaf uitgebreide interviews over de gelijkenissen tussen de SP.A en Barack Obama, maar niet over hoe socialisten deze crisis zouden aanpakken. Terwijl er al een halve eeuw uitvoerige en gedetailleerde analyses van socialistisch-theoretische signatuur bestonden van dergelijke crises werd geen enkele daarvan aangehaald als een mogelijk antwoord op de vele vragen, of als een mogelijk alternatief voor de remedies die door regeringen en denktanks werden voorgesteld en die (dat merken we een jaar later) het hele desastreuze systeem intact hebben gelaten. Het leek alsof die analyses gewoon niet meer bestonden. Waarschijnlijker is dat weinigen in de huidige nomenklatura van het Vlaamse georganiseerde socialisme die analyses kennen of begrijpen. Dit is een groot verlies, en wel om een hele reeks redenen waarvan ik er drie zal behandelen.

*** 

De eerste reden is van intellectuele aard. De socialistische traditie van analyse baseert zich op Marx en op Marxistische studies, en het zeer uitgebreide en diverse theoretische en analytische instrumentarium dat in die traditie (die zowat anderhalve eeuw omvat – een langere wetenschappelijke traditie dan bijvoorbeeld de kernfysica) is ontwikkeld is van zeer grote waarde. Die waarde ligt, naar mijn mening, vooral verborgen in drie factoren: het systemische karakter van de analyse; haar empirische grondslag; en haar algemene coherentie, doelgerichtheid en esthetiek.

Marxistische analyse is een systeemkritiek, een kritiek van kapitalisme als economisch, politiek, sociaal en cultureel systeem. Het is een analytisch systeem dat de grondslagen van een samenleving onderzoekt, niet enkel z’n oppervlaktefenomenen, en dat daarenboven die samenleving in haar totaliteit onderzoekt – dus niet enkel haar economische structuur, maar ook haar politieke, sociale en culturele structuren. De actieradius van Marxistisch onderzoek strekt zich uit van de lange formatieprocessen van het kapitalisme (zoals bij Wallerstein, Arrighi en anderen) tot en met de psychologie van het individu (zoals bij Adorno en Fromm), met tussenin het onderzoek van specifieke politieke en economische fasen (zoals bij Hobsbawm, Thompson en Mandel), naar modellen van verschillende vormen van macht (zoals bij Gramsci en Therborn), algemene sociale gedragspatronen (zoals bij Marcuse, Bourdieu en Sartre) en allerhande kunstvormen (zoals bij de Frankfurter Schule, Lukacs, Williams en Brecht). Het is een analytisch instrumentarium dat in zowat alle sociale wetenschappen van de twintigste eeuw een grote invloed had, en men kan gerust zeggen dat Marx op elke prominente intellectueel van de twintigste eeuw een grote invloed had (uiteraard ook op zij die Marxistische analyse afwezen of allergisch waren aan het Marxistische vocabularium, zoals Arendt, Galbraith, Braudel of Foucault). Noteer echter het volgende: niet iedereen die Marxisme als theoretisch kader hanteerde was noodgedwongen een communistisch militant; integendeel, er kwam een enorme intellectuele energie vrij precies omdat vele intellectuelen het communistische systeem van de Sovjet-Unie en geallieerde staten als zeer problematisch zagen (zie de reacties op de gebeurtenissen van 1956 en 1968, hierboven vermeld) en zich niet akkoord verklaarden met de Sovjet-interpretaties van Marx en de Marxistische literatuur. Zo had het verschijnen van de Economische en Filosofische Manuscripten van Marx in de jaren ’30, toen Stalin en de Komintern de enig echte correcte interpretatie van Marx opeisten, een enorm effect op het ontstaan van een Marxistisch humanisme – een Marxisme dat niet meer uitsluitend naar de economische krachten keek maar zich richtte op de emancipatie en bevrijding van mensen. Ongenoegen met de Sovjet-interpretaties leidde er ook toe dat gebruik ging maken van Europese Marxistische bronnen zoals Gramsci en Lukacs, of vroege revolutionaire bewegingen buiten Rusland ging onderzoeken, zoals in het werk van E.P Thompson en Eric Hobsbawm. Het zijn net deze tendensen, die allemaal voortkomen uit dissidentie met Moskou, die in de jaren ’60 aanleiding geven tot het ontstaan van ‘Cultural Studies’ en de New Left. Het zijn dus net deze tendensen die Marxisme wegtrokken uit het rijk van de politieke pragmatiek en restaureerden als een intellectueel reservoir voor alle mogelijke toepassingsgebieden.

We steken op zak dat Marxistische analyse een kritiek is van de diepste structuren van een samenlevingsvorm. Die diepere verhoudingen zijn in essentie materiële krachtverhoudingen, en het zijn die materiële verhoudingen die de geschiedenis aandrijven – niet (in tegenstelling tot allerhande niet-Marxistische benaderingen) de tijdsgeest, grote helden, de collectieve wil van een volk, godsdiensten of andere ideeëncomplexen. Problemen aan de oppervlakte van een samenleving moeten onderzocht worden vanuit een onderzoek naar de dieptestructuur van de samenleving, en oplossingen die enkel de oppervlakte raken en niet ingrijpen in de diepte (die dus geen fundamentele verandering van het kapitalistische systeem inhouden) zijn gedoemd te mislukken. Als de fout in de systeemsoftware zit volstaat het niet het toetsenbord af te kuisen. Dat is een belangrijke wijsheid die vele economisten, sociologen en politieke wetenschappers vergeten blijken te zijn.

Het feit dat het hier om een fundamentele systeemkritiek gaat maakt Marxisme echter niet abstract. Integendeel, er waren weinig zaken waarop Marx zo hard hamerde als op de onmacht van abstracte modellen om de werkelijkheid te verklaren. Verklaringen moesten voor hem en zijn volgelingen steeds gebaseerd zijn op de meest rigoureuze analyse van empirische feiten. Men verklaart de feiten niet met een abstract model, maar met een onderzoek van de feiten. Abstractie kan maar wanneer het gaat om een generalisering van feiten. Dat is een oud positivistisch adagium, maar alweer een bijzonder nuttige wijsheid voor al wie zich om de samenleving bekommert. Kijk naar de feiten, naar het echte gedrag van de echte mensen in hun echte omgevingen, en gebruik dat als vertrekpunt voor beschouwingen. Kijk dus naar het concrete gedrag van concrete bankiers wanneer je het bankensysteem wil begrijpen, en naar dat van echte boeren op echte boerderijen als je de landbouweconomie wil begrijpen – het is iets van John Kenneth Galbraith en Amartya Sen heel hun leven aan collega’s zoals Paul Samuelson en Milton Friedman, grote minnaars van abstracte modellen, voorhielden.

De algemene coherentie van het Marxistische theoretische complex heb ik al vermeld: het is een theoretisch instrument dat zich niet tot één discipline of onderzoeksvraag laat beperken. Men probeert de hele samenleving te begrijpen, met het oog ze te veranderen, ze te verbeteren. De finaliteit van de Marxistische systeemkritiek is te komen tot een ander systeem, waarin de mens zich optimaal kan ontplooien, beter dan in het patroon van uitbuiting dat het kapitalisme kenmerkt. Dat is de doelgerichtheid van Marxistische analyse: ze is gericht op verandering en verbetering – de verbetering van een reële samenleving en van de echte levens van echte mensen, niet de verbetering van een ideale formule of een abstract model van een samenleving. Het feit dat men dit doel kan nastreven aan de hand van een uiterst samenhangend en sluitend analysemodel geeft Marxisme een uitzonderlijke esthetiek. Hobsbawm wijst in zijn memoires op de aantrekkingskracht en de intellectuele elegantie van Marxisme: het is niet enkel een goeie theorie, het is ook een mooie theorie.

Dat is mijn eerste punt: wie dit geheel aan ideeën en inzichten opgeeft, verarmt zichzelf en de intellectuele cultuur waarin men leeft. Mensen die beweren dat Marx en Marxisme als intellectueel erfgoed hun tijd gehad hebben en niet meer relevant zijn, zijn mensen die – zeker nu – bijzonder veel baat zouden hebben bij het herontdekken van dat erfgoed, al was het maar uit intellectuele nieuwsgierigheid of eerlijkheid, omdat men voor ieder probleem best alle mogelijke oplossingen in kaart brengt. Men kan Marxisme afwijzen of bekritiseren, maar men kan niet doen alsof het niet bestaat en alsof er niets van enige waarde in geproduceerd is.

*** 

De tweede reden waarom het opgeven van deze brok intellectueel erfgoed een jammere zaak is, is van politieke aard. Marxistische analyse was niet enkel een intellectueel bouwwerk, het had zoals gezegd een politieke finaliteit: verandering en verbetering, verbetering van de reële levensvoorwaarden van echte mensen. Het was dan ook de ruggengraat van een robuuste, coherente politieke ideologie, en het is die ideologische samenhang die de arbeidersbeweging heeft gemaakt tot de emancipatorische kracht die ze in de twintigste eeuw was. Het was de overtuiging dat het geloof in socialistische idealen van een betere samenleving en een verdiepte democratie gestoeld was op wetenschappelijke zekerheden, die links de kracht gaf die het had. Het was ook het feit dat iedereen in die beweging toegang kon krijgen tot de mysteries van het Marxisme dat ervoor zorgde dat die beweging op alle niveaus mondig en vol zelfvertrouwen was. Iedereen moest immers de analyse voor zichzelf kunnen maken, want men is enkel vrij wanneer men autonoom in staat is z’n eigen toestand te begrijpen. De Marxistische analyse maakte de arbeidersbeweging daardoor dan ook tot een leeromgeving voor mensen die anders weinig lering hadden genoten. Het was niet enkel een omgeving voor politieke actie, het was tevens een omgeving waarin men intellectueel en cultureel actief was, waarin men leerde lezen en schrijven, gedisciplineerd leerde denken, en kritisch leerde staan tegenover macht en de waarheden die ze produceert. Men had immers een alternatief model om de wereld te begrijpen, en indien men dat onder de knie kreeg werden heel wat onbegrijpelijke dingen plots een stuk helderder, en werd de actie daaromtrent meer doelgericht en effectief. Dat was de theorie van de praxis: actie was ideologisch en dus theoretisch aangestuurd; ze was gegrondvest in een helder begrip van de situatie, en leidde daaruit duidelijke doelstellingen af. Het is die oude traditie van praxis die er voor zorgt dat de vakbondsmensen bij Opel niet enkel een business-plan konden lezen, maar er ook één konden schrijven.

Het beheersen van de redeneervormen die eigen zijn aan links is dan ook een essentieel element om te begrijpen wat men bedoelt met ‘democratie’ in deze traditie. Democratie moest totaal zijn (niet totalitair), en radicaal. Dat betekende dat een democratie het geheel van de samenleving moest omvatten, incluis de sectoren die in een kapitalistisch systeem tot de ruimte van de private macht behoren: het kapitaal en de economie (het is iets wat de sociaal-democratie vergeten lijkt te zijn: haar democratisch ideaal berust op socialisering, niet privatisering). Men moest inspraak hebben in alles wat de samenleving aandreef en beroerde, en dit kon enkel wanneer men terdege geïnformeerd was, in staat was soeverein na te denken en de aangereikte waarheden aan een kritisch (en empirisch!) onderzoek te onderwerpen. Een linkse democratie is noodwendig een democratie van autonome mensen die zelf controle hebben over hun leven; het is dan ook noodwendig een democratie die berust op mensen die opgeleid zijn om na te denken, een mate van discipline in het denken hebben (met andere woorden: een analyse kunnen uitvoeren), en de nodige informatie hebben om de noodzakelijke feiten bijeen te kunnen brengen. Het is die idee die socialisten steeds voorvechters maakte van de veralgemeende leerplicht en van een onderwijs dat gericht was op het vrije denken en het vrije onderzoek. Onderwijs en wetenschap zijn in de socialistische traditie steeds absolute prioriteiten geweest, want ze waren de hoekstenen van de geëmancipeerde en autonoom denkende mensen – de burgers – die de socialistische democratie kracht en gezag zouden geven. Het is dan ook jammer te zien wat socialistische ministers de laatste jaren met het onderwijs hebben aangevangen: ons onderwijs is volgens alle recente studies één van de wereldleiders inzake kwaliteit; het is echter eveneens een wereldleider inzake ongelijkheid. Onderwijs is, socialistische ministers ten spijt, een slagveld waarin sociale ongelijkheid en achterstelling bestendigd worden, en waarin de oude idealen van het democratische en universele onderwijs voortdurend verraden worden.

*** 

Dit brengt me tot de derde en laatste reden die ik wil aanhalen. Het opgeven van de redeneervormen die eigen zijn aan links is een flater, omdat daarmee één van de kernpunten van een socialistische strategie op de achtegrond belandt: de band tussen socialisme en individuele menselijke vrijheid en autonomie. Of anders gesteld, tussen socialisme en humanisme. Het is op dit punt dat ik me ook terug tot de geest van Jaap Kruithof moet wenden.

Marx ging, zoals we weten, in zijn werk uit van een mensbeeld, en dat mensbeeld draaide rond het begrip ‘aliënatie’. Daar waar de mens zichzelf moet kunnen ontplooien doorheen zijn arbeid, wordt hij/zij in een kapitalistisch model vervreemd van het product van zijn/haar arbeid. Dat product behoort hem/haar immers niet toe, maar wel de kapitalist, die arbeid accumuleert en omzet in winst, en die in ruil voor de arbeid een aliënerend middel biedt: geld. De mens wordt op die manier onderworpen aan zijn/haar eigen arbeid, terwijl net die arbeid voor hem/haar een bevrijdende kracht zou moeten zijn. Die aliënatie drijft, volgens Marx, de mens terug naar de status van een lastdier of een slaaf, die geen enkele controle heeft over zijn arbeid en daardoor over zijn leven. Om terug volwaardig mens te worden moet de aliënerende relatie tussen mens en arbeid doorbroken worden, en moet arbeid opnieuw een bevrijdende en emanciperende kracht worden. Dit kan enkel wanneer het systeem van kapitalistische exploitatie van arbeid doorbroken wordt en vervangen wordt door een socialistisch systeem. In dit systeem zou arbeid – let goed op! – redelijk georganiseerd moeten zijn. Het werk moet zo efficiënt mogelijk verlopen, zodanig dat het niet het volledige leven van de mens inneemt maar enkel dat deel dat voor economische doeleinden geldt. Daarbuiten moet de mens zich kunnen ontplooien in allerlei andere richtingen: esthetisch en cultureel, emotioneel, intellectueel en politiek.

Ik neem aan dat dit alles welbekend is (ook al is het mogelijk dat er bij sommigen een laagje stof op ligt). Maar laat me enkele punten hiervan verder uitwerken en interpreteren. Ten eerste: Marx reduceert de mens helemaal niet tot een homo economicus. De mens heeft als voornaamste product zijn arbeid, maar dat betekent niet dat ‘werken’ (zoals: ‘een job hebben’) het enige is wat de mens definieert, integendeel. Het is het totale amalgaam van functies en behoeften dat een mens tot mens maakt, en economische arbeid is daarvan slechts een deel. Men leeft niet om te werken in de socialistische wereld van Marx, men leeft als werker, als echtgenoot, vader, vriend, burger, cultureel geïnteresseerde, sociaal geëngageerde, intellectueel actieve mens. Het mensbeeld van Marx is dat van een veelzijdige mens, die precies door het ontwikkelen van al zijn/haar facetten zichzelf bevrijdt en emancipeert. Het is die veelzijdige mens die in staat is een democratie in de volwaardige zin gestalte te geven. Mensen die tot loonslaven gereduceerd zijn en zich buiten hun arbeid nauwelijks nog enige bewegingsruimte kunnen veroorloven zijn niet het materiaal waarmee men een goed uitgebouwde democratie vorm geeft en in stand houdt.

Ten tweede: de voorwaarde om dit te bereiken is dat men redelijk handelt. Men moet alweer in staat zijn de eigen toestand van uitbuiting en aliënatie te begrijpen vooraleer men er uit kan raken. En men moet de samenleving zo organiseren dat er een redelijke balans mogelijk is tussen arbeid (als ‘werk’) en andere vormen van zelfontplooiïng. Die redelijke balancering tussen arbeid en andere aspecten van zelfvervolmaking is een essentieel democratische opdracht. Vervult men die niet, dan heeft men een schijndemocratie: we zijn geen democratie wanneer iedereen werk heeft en zich enkel te pletter werkt, om te consumeren of te sparen (voor een oude dag, wanneer men gelooft of hoopt dat men alle andere facetten van z’n mens-zijn zal kunnen ontplooien). De analyse van arbeidsverhoudingen en hun maatschappelijke gevolgen – hoe echte mensen hun echte leven inrichten – is dan ook een onderzoek dat een duidelijke democratische finaliteit heeft.

Ten derde: het is via dit besef dat we een connectie zien tussen links, democratie en humanisme. Het Marxistische mensbeeld is een fundamenteel humanisme dat uitgaat van de menselijke bekwaamheid om zichzelf te bevrijden, en om dan als vrij mens mee een echte en totale democratie gestalte te geven. Die bevrijding gebeurt via het gebruik van redelijkheid, via autonoom denken, onderzoek en analyse door mensen die daartoe de bekwaamheden hebben aangeleerd en zodoende hun eigen toestand begrijpen en onder controle hebben. De band tussen links, democratie en humanisme is hier niet intuïtief, en evenmin is het een pure lifestyle keuze, het is geen voluntarisme. Het is een element dat voortkomt uit de logica van een Marxistische analyse; het is vanuit die analyse met andere woorden een dwingende band. Wanneer links redelijk is, dan moet het de bevrijding van alle mensen voorstaan, moet het dit doen door de aliënatie aan te pakken die de arbeidsverhoudingen karakteriseert, en moet het dit doen met een totale (dus sociale) democratie als finaliteit. Het moet met andere woorden humanistisch zijn, omdat het anders niet democratisch kan zijn. Noteer echter dat ik ‘humanistisch’ hier niet gebruik in de verzuilde levensbeschouwelijke zin die in dit land haar betekenis domineert; ik gebruik het in de algemene zin: links moet een bevrijdend mensbeeld hebben als onderdeel van een Groot Verhaal over democratie. En ik geloof dat zo’n mensbeeld niet ver van huis moet gezocht worden: je vindt het bij Marx.

*** 

Goed, leuke oefening en pittig woordenspel. Maar ‘aliënatie’, waarover hebben we het hier? Is dit relevant?

Wanneer we aliënatie concreet beschouwen als ieder averechts effect dat voortkomt uit de arbeidssituatie, dan is het antwoord vrij eenvoudig. De Belgen zijn workoholics en bijzonder productieve werkers; ze behoren echter ook tot de grootste consumenten van slaapmiddelen en antidepressiva in de wereld. We werken ons kapot en we worden en masse depressief. Daarnaast kijken we gemiddeld ruim drie uur per dag televisie. Tel dat op bij een werkdag van acht uur, met ruim een uur gemiddelde reistijd tussen thuis en werk, en je hebt twaalf uur. Twee activiteiten – gaan werken en TV kijken – nemen de helft van de dag in. Veel ruimte voor andere zaken blijft er al niet meer over: ruimte voor culturele ontspanning, intellectuele arbeid zoals lezen of studeren, sociaal engagement en politiek activisme. Is er tijd over voor andere rollen dan de professionele – die van echtgenoot, ouder, buurtbewoner, vriend, burger, noem maar op? Lijken we niet stilaan Adorno’s doembeeld van de One-Dimensional Man te benaderen, dat doembeeld van de inerte en infiniet uitgebuite of uitbuitbare compsumptiejunkie dat ook Kruithofs Neoliberalisme aandreef?

De kans is groot. Enkele jaren geleden schreef ik in een open brief aan Patrick Janssens dat zijn mensbeeld neerkwam op dat van een loonslaaf bij Adecco Interim. Het boekje dat hij als visiedocument rondstuurde na zijn verkiezing als voorzitter van de SP.A draaide maar rond één ding: werken. Als mensen maar werken, dan zijn ze gelukkig en dan draait onze samenleving goed. En dat werken, dat was begrepen in termen van de Actieve Welvaartstaat: mensen moesten dringend geactiveerd worden, uit hun arbeidsloze tijd gehaald worden en naar de arbeid – bron van zelfvervolmaking en vreugde – geleid worden. We waren immers niet actief genoeg. Bejaarden moesten meer kunnen bijklussen om hun ontoereikend pensioen aan te vullen, er moesten soepeler afspraken te maken zijn tussen werkgevers en werknemers (de ‘flexicurity’), en noem maar op: we moesten meer en harder gaan werken. Zoals we weten is die discussie nog lang niet ten einde, integendeel, ze lijkt nog maar pas volop te beginnen.

Mijn argument tegen Janssens was destijds dat ik vond dat we meer dan actief genoeg waren op de werkvloer, en dat onze samenleving dringend meer actieve burgers nodig had. Burgers die zich degelijk informeren over wat er in hun omgeving omgaat, die anderen informeren, campagnes voeren, zich inzetten voor anderen en solidair zijn met anderen. Burgers, dus, die de verrechtsing tegen gaan en zich inzetten voor vrijheid, gelijkheid en democratie.

Ik dacht toen dat dat niet teveel gevraagd was voor een socialistische partij. En ik hoop dat die partij na het Lange-Wapper referendum van oktober 2009 eindelijk begrijpt dat dit alles geen onzin is, maar dat precies hierin een grote emanciperende en democratische kracht schuilt. Herformuleer het even: dat hierin een grote socialistische opdracht schuilt, en dat deze opdracht geen utopie is, maar een reële kans. Dit is geen oververhit optimisme. Dit is een redelijke conclusie, en ze is een boodschap voor links.

Socialisme zal emancipatorisch zijn. Of niet.

kanttekeningen bij Jan Blommaerts artikel http://jmeblommaert.wordpress.com/2013/12/07/niet-onnozel-doen-democratie-is-de-inzet/

MarxLenin

Jan Blommaerts bijdrage over de centraliteit van democratie in het socialisme is het lezen én het bespreken waard. Het is spijtig dat deze discussie pas nu wordt geopend. Ik herinner mij nog de voorbereiding van de eerste dag van het socialisme (2009) en ik heb toen het voorstel geopperd om een evaluatie van de regimes die zich op socialisme beriepen te betrekken in de discussie. “We gaan toch geen oude koeien uit de sloot halen!”. “Neen, want dat wordt weer een oeverloze discussie van trotskisten versus stalinisten!” …

Vier jaar later zijn er drie dagen van het socialisme gepasseerd en moet de discussie over socialisme en democratie nog beginnen… De reden is intussen ook duidelijk geworden. De PVDA is halverwege blijven hangen in haar aggiornamento over haar marxistisch-leninistisch erfgoed. Het ideologisch congres werd tot na de verkiezingen van 2014 uitgesteld en zolang deze discussie niet in…

View original post 872 woorden meer