Alleen maar nette linkse mensen

Add your thoughts here… (optional)

MO

Over Femke Halsema en het menselijk tekort

Ik geef toe, ik heb mij vergist. In een polemische reactie op een column van Femke Halsema, beschreef ik haar als een ‘moreel agnost’. Iemand die niet gelooft in het uitdragen van morele waarden. Dat zei ik omdat Femke Halsema het verlangen naar exhibitionistische zelfverrijking – met veel bombarie op het scherm gebracht in de film The Wolf of Wall Street – “doodnormaal” vindt in onze cultuur. Ik blijf erbij dat dit abnormaal is in Nederland, waar overvloed altijd is samengegaan met onbehagen. Maar bij nader inzien is het toch een verkeerde diagnose geweest.

In werkelijkheid moraliseert Femke Halsema er namelijk flink op los. Het is echter een bijzonder soort moralisme gekleurd door een conservatief-liberaal wereldbeeld, waar de zondigheid van de mens centraal staat en structuren er niet toe lijken te doen. Het problematische gevolg daarvan is dat Femke Halsema de gehele bevolking…

View original post 846 woorden meer

De Gravensteengroep, de discursieve linkerflank van N-VA

Ico Maly

Afbeelding

Verkiezingen winnen doet een partij niet in zijn eentje. Verkiezingen worden maar gewonnen als men de brede lagen van de bevolking aanspreekt. Het discours moet normaal worden bevonden en moet door die bevolking worden begrepen als goed voor hen. Hoewel N-VA een rechtse, neoliberale en radicale Vlaams nationalistische partij is, wordt ook de linkerflank zoveel mogelijk afgedekt. Dat gebeurt niet alleen door Bracke die bij zijn overstap naar de politiek uitriep dat hij voor een linkse partij heeft gekozen of doordat Homans om de haverklap benadrukt dat N-VA sociaal is maar niet socialistisch. Een belangrijke speler die het discours van N-VA van legitimiteit voorziet, zo betoogt Ico Maly, staat officieel buiten de partij. De Gravensteengroep moeten we volgens hem zien als de discursieve linkervleugel van de N-VA. In deze bijdrage analyseert hij het discours van die groep progressieve intellectuelen. Meer bepaald heeft hij aandacht voor de intertekstuele relatie tussen het ‘linkse discours van de Gravensteengroep’ en het discours van N-VA.

De Gravensteengroep: progressief, links en Vlaams nationalistisch?

De Gravensteengroep is een merkwaardig project. De groep, bestaande uit intellectuelen kunstenaars en actieve burgers uit het middenveld, is gestart met de boodschap dat de groep de Vlaamse eisen uit de klauwen van de rechterzijde wou halen. Zo luidt het in de eerste twee paragrafen van het eerste manifest van de groep: 

‘De ondertekenaars van dit manifest, die zich de Gravensteengroep noemen, vertrekken vanuit verschillende politieke en ideologische uitgangspunten, maar zijn het eens in hun gehechtheid aan de democratie en de mensenrechten. Zij stellen de waarden van vrijheid, gelijkheid, solidariteit en wederzijds respect centraal, en wijzen alle vormen van racisme en xenofobie radicaal af. 

Zij zijn echter verontrust door het feit dat in de recente discussies over de staatshervorming de indruk wordt gewekt dat redelijke en rechtvaardige Vlaamse eisen telkens weer met een (extreem-) rechts gedachtegoed worden geassocieerd.’[1]

De groep profileert zich vanaf de start als niet-(extreem)rechts, meer nog als anti-(extreem)rechts. Uit deze paragrafen leren we dat het pluralisme aan politieke en ideologische uitgangspunten die de groep kenmerkt een pluralisme is in het centrum en aan de linkerzijde van het politieke spectrum. Het cement van de groep is hun streven naar vrijheid, gelijkheid, solidariteit en respect. Kortom, de Gravensteengroep presenteert zich enerzijds als een verlichtingsproject en anderzijds als een project die de ‘redelijke en rechtvaardige Vlaamse eisen’ voor een staatshervorming wil ontdoen van haar (extreem)-rechts imago. In deze analyse gaan we na in hoeverre die zelfbeschrijving ook spoort met de Gravensteenpraktijk.

De leden van deze groep zijn niet de minste. Etienne Vermeersch, Ludo Abicht, Jean-Pierre Rondas, Bart Maddens, Jef Turf, Tinneke Beeckman, Jan Van Duppen, Luc Doorslaer, Eric Defoort, Willy Courteaux, Edi Clijsters, Jo Decaluwe, Piet van Eeckhaut, Karel Gacoms, Paul Ghijsels, Nelly Maes, Chris Michel, Yves Panneels, Hugo Stevens, Johan Swinnen, Frans-Jos Verdoodt en Jan Verheyen vormen samen de Gravensteengroep. Overlopen we de staat van dienst van deze Gravensteners, dan wordt meteen duidelijk wat wordt bedoeld met het pluralistisch karakter van de groep. Enerzijds zien we mensen als Abicht, Turf en bijvoorbeeld van Eeckhaut die een linkse historiek hebben. Abicht kwam in 2012 op voor Rood, Turf is voorzitter geweest van de communistische partij, Van Eeckhaut is van sp.a-signatuur, Etienne Vermeersch staat gekend als een links intellectueel en ook Tinneke Beeckman profileert zich expliciet als links. Naast deze mensen met een links etiket zien we heel veel bekenden opduiken uit de Vlaams nationalistische strijd die een veel minder links imago uitdragen. Bart Maddens gaf zijn naam aan de Maddens-doctrine en is dus de vader van de verrotingsstrategie. Eric Defoort is een Vlaams nationalistisch historicus en moeilijk als links te categoriseren. Nelly Maes is ex-Volksunie en nu N-VA en ook Jan Verheyen en Jean-Pierre Rondas cirkelen rond N-VA. Chris Michel, de stichter van de Gravensteengroep, is twee jaar woordvoerder geweest van Geert Bourgeois. Het initiatief voor deze groep komt uit N-VA-hoek, niet vanuit de linkerzijde.

Het pluralisme van de Gravensteengroep wordt zo al iets duidelijker. We zien een mengeling van stemmen. Enerzijds een groep die dicht bij N-VA staat en anderzijds een groep  linkse intellectuelen met een Vlaams hart. Echter, belangrijker is of de groep haar inhoudelijke doelstellingen waarmaakt. De relevante vraag is dus of de Gravensteengroep er inderdaad in slaagt om de staatshervorming en de Vlaamse eisen in het perspectief te plaatsen van de verlichtingsstrijd voor meer democratie, meer vrijheid en meer gelijkheid. Slaagt de Gravensteengroep, ondanks een groot aantal N-VA’ers en sympathisanten om een onafhankelijke, progressieve en linkse koers te varen. Deze vragen onderzoeken we hieronder aan de hand van het Gravensteenboek: Land op de tweesprong.

Rondas over het Gravensteenboek

Dit Gravensteenboek is een luxe-uitgave van de ondertussen tien manifesten van de groep, aangevuld met individuele bijdragen van de Gravensteners (expliciet onder eigen naam en verantwoordelijkheid) en foto’s van de Gravenstener Johan Swinnen. Het boek opent met een stukje van Vermeersch over het ontstaan van de groep gevolgd door een ‘Ten geleide’ over de auteurs van het boek. Het eerste inhoudelijk stuk is van de hand van Jean-Pierre Rondas en biedt uitleg ‘Over het Gravensteenboek.’

Die eerste duiding van Rondas is verhelderend. Het toont ons een heel ander plaatje dan de links pluralistische vlag waaronder de groep vaart doet vermoeden. De hele bijdrage spreekt niet in een linkse taal, maar in de intertekstuele traditie van het conservatisme. Rondas spreekt in dezelfde woorden als De Wever of het ‘conservatieve wonderkind’ Thierry Baudet. In die traditie staat de natie voorop. Meer nog de natie is een entiteit op zich die zich onvermijdelijk beweegt op het pad naar de natiestaat. De politieke problemen die België vandaag kent zijn in die logica te herleiden tot het gevolg van het onvoltooid streven van de Vlaamse natie naar een eigen staat:

‘Deze crisis heeft onderhand het karakter van een permanente toestand aangenomen. Historisch gezien is dat ook logisch, want het gaat om een fase in de lange ontwikkeling van natievorming in de Lage Landen, waarbij de Vlaamse natie zich al van voor de Eerste Wereldoorlog aan het losweken is uit de Belgische constructie.’[2]

Dit citaat leert ons veel en dit om verschillende redenen. Duidelijk wordt dat Rondas de staatshervorming ziet als een gevolg van de opmars van de Vlaamse natie. Bovendien wordt ook duidelijk dat de natie an sich wordt gezien als een sociale en historische actor. Het zijn in het perspectief van Rondas niet zozeer individuen, politici en drukkingsgroepen die de natie boetseren door middel van een politiek-ideologische machtsstrijd. De natie is historisch gegroeid, ze is er gewoon en zit opgesloten in de Belgische constructie. Rondas hanteert in deze inleiding een klassiek nationalistisch discours veeleer dan een links of democratisch discours. Onderliggend aan deze uitspraken ligt een organisch nationalisme dat de Vlaamse natie voorstelt als echt, natuurlijk en gevormd door de geschiedenis. De Belgische staat daarentegen wordt niet alleen neergezet als een constructie en dus niet natuurlijk maar ideologisch, maar ook als een gevangenis die de Vlaamse natie onderdrukt. Dat verklaart dan de zogenaamde Vlaams nationalistische grondstroom.

De Gravensteengroep en de V-partijen zouden dan de grondstroom van Vlaanderen vertegenwoordigen, aldus Rondas. Rondas begrijpt die grondstroom net zoals De Wever als rechts nationalistisch. En meteen wordt ook de ‘wij-zij’ categorisering van N-VA overgenomen die het echte Vlaanderen contrasteert met het Vlaanderen van de cultuurdragers en andere linkse en wereldvreemde stemmen. De Belgische elite en de linkse elite, nogal vaak worden beide trouwens gelijkgesteld onder het label links tout court, worden dan afgebeeld als de krachten van behoud. Zij strijden tegen het Vlaams nationalisme en hebben alle media in handen: ‘(…) de algemene default position in de redactionele koppen blijft steevast kosmopolitisch, dus multiculturalistisch, dus antinationalistisch, en dus tegen meer Vlaanderen.’[3] Twee zaken vallen terug op. Ten eerste krijgen we hier een doordrukje van het bekende motief over ‘de linkse media’. Dat motief circuleert zeer vlot binnen rechts-nationalistische kringen. Ten tweede en ten gronde is het opmerkelijk dat Rondas zich hier expliciet afzet tegen kernelementen uit het verlichtingsproject dat per definitie universalistisch en kosmopolitisch geïnspireerd was.

De gelijkenissen tussen het discours van Rondas en De Wever zijn opvallend. Net zoals De Wever verwijt Rondas die linkse kerk omdat ze deze universele waarden uitdraagt en omdat  ze aan ‘deconstructie en demontage van Vlaanderen’[4] doen. Die linkse kerk vaart dan uitsluitend ‘ten behoeve van één politiek-institutionele keuze, namelijk pro Belgica.’[5] Net zoals De Wever schuwt Rondas de karikatuur niet in de strijd tegen de (linkse) criticasters van het Vlaams nationalistische project. Het is waarschijnlijk geen toeval dat de Gravensteengroep op geen enkel stuk van de Vooruitgroep geantwoord heeft. In het Gravensteenboek wordt de Vooruitgroep wel genoemd, maar nooit wordt er een stelling geanalyseerd of kritiek beantwoord. Dat kan ook niet, want dan blijft de karikatuur die de Gravensteners uitdragen niet overeind. Dan zou duidelijk worden dat die zogenaamde ‘Belgische nationalisten’ helemaal geen Belgicisten zijn, en al helemaal geen nationalisten. Meer nog, het zou duidelijk maken dat de Vooruitgroep helemaal niet pleit om alles op Belgisch niveau te regelen, de groep pleit immers voor een meerlagige oplossing. Ze pleit wel tegen het idee dat de Vlaamse natie een oplossing is voor de problemen waarmee de Belgische staat en democratie kampt en die de neoliberale globalisering met zich meebrengt.

De Gravensteengroep heeft er blijkbaar alle belang bij om een monolitische Belgicistische elite in het leven te roepen om haar project te legitimeren. Zelfs de historische staatshervorming, onder aanvuren van de Vlaams nationalistische Volksunie, wordt in de schoenen van die Belgicistische elite geschoven. Om de Belgische federatie te behouden, zo betoogt Rondas, ‘is men al sinds 1970 aan het parlementair-democratisch systeem beginnen morrelen, via vergrendeling middels speciale meerderheden die de Vlaamse meerderheid moesten neutraliseren. Het Belgische democratische deficit, dat ten koste gaat van alle Belgische burgers.’[6]  Dit democratisch deficit is een reëel probleem, een probleem waar verschillende oplossingen mogelijk zijn. Volgens Rondas kan van een herfederalisering echter geen sprake zijn, enkel veder splitsen wordt gezien als een legitieme oplossing. Hier zien we terug een kernelement opduiken van Rondas zijn betoog, een element dat hij bovendien terug deelt met N-VA. België wordt daarin gelijkgesteld met de blokkering van de democratie, met het installeren en betonneren van grendels die de Vlamingen minoriseren.[7] Minder België staat dan per definitie gelijk met meer democratie. Dat is ook de reden waarom men steevast de Vlaams nationalistische eisen zal verkopen als democratische eisen. In die ‘Vlaamse democratie’ zou er dan eindelijk geregeerd worden volgens de eigenheid van de Vlamingen. In wezen heeft dit echter weinig met democratie te maken. Een dergelijk spreken heeft wel een lange traditie binnen het conservatisme. Impliciet steunt deze retoriek op een vox populisme waarmee Rondas zich opstelt als de vertolker van de Vlaamse democratie, van de stem van het Vlaamse volk. Net zoals Baudet en De Wever begrijpt Rondas democratie als de stem van het volk. Net zoals die twee denkers ziet hij homogeniteit als een voorwaarde van democratie. Nochtans is democratie net het systeem bij uitstek om diversiteit een plaats te geven.

De vaststellingen die we hier maken over het perspectief van Rondas op ‘het Belgische probleem’ zouden kunnen afgedaan worden als loutere toevalligheden. Immers, het is geweten dat Rondas dicht aanschurkt bij de N-VA en bovendien wordt in het boek heel duidelijk gesteld dat de bijkomende teksten naast de manifesten zelf, louter onder de verantwoordelijkheid vallen van de auteur in kwestie en dus niet noodzakelijkerwijs het perspectief van de Gravensteengroep in zijn geheel vertolken. Ondanks deze disclaimer zien we een opmerkelijke consistentie in de verschillende teksten die volgen. Bovendien kunnen we er niet langs dat het stuk van Rondas niet alleen een inleiding is op alle teksten in het boek, het is ook geschreven door de redacteur van het boek. Het algemeen kader dat Rondas schetst is weldegelijk een goede inleiding op de verschillende manifesten en zelfs op de teksten ter persoonlijke titel. We duiden dit hieronder.

Land op de tweesprong: manifesten ter ontgrendeling van Vlaanderen

Het is hier niet de plaats om in detail in te gaan op de verschillende manifesten (de Vooruitgroep heeft dat al met verve gedaan[8]), laat staan op het hele boek. Wat wel interessant is, is om enkele van de opvallende concepten boven te halen uit het discours van de Gravensteengroep en ze naast het discours van N-VA te plaatsen. We starten door het algemeen perspectief van de Gravensteengroep op de Belgische situatie te schetsen en zo ook de positie te bepalen die de Gravensteengroep zichzelf toekent in dat politiek-ideologische en maatschappelijke veld. We zullen hieronder focussen op kernconcepten uit een linkse strijd, een strijd voor verlichting zoals gelijkheid, vrijheid, democratie en solidariteit. We baseren ons hiervoor op respectievelijk het eerste en het tweede Gravensteenmanifest.

De Belgische elite, de status-quo en democratische chantage

Het eerste Gravensteenmanifest start met een expliciete zelfdefiniëring van de groep en haar taak. Duidelijk wordt gemaakt dat de standpunten volgens de auteurs standpunten zijn die strijden voor gelijkheid en vrijheid, voor democratie en de mensenrechten. Kortom, de Gravensteners achten het van groot belang om zichzelf in de markt te zetten als intellectuelen die de erfenis van de verlichting hoog in het vaandel dragen. Opmerkelijk is wel dat ze hun peilen vanaf dag 1 richten op de linkse elite die in wezen conservatief zou zijn:

Dat een flink deel van de Vlaamse culturele wereld de intellectuele moed mist om deze analyse [dat de Belgische constructie onherroepelijk vast zit]  te maken, is onbegrijpelijk. Dat ze zich, samen met de oude Belgische elites, vastklampt aan een Belgische status-quo, is onaanvaardbaar. Dit zelfverklaard ‘progressief Vlaanderen’ stelt zich behoudsgezind op en dreigt de trein van de geschiedenis te missen.’ [9]

Vanaf het eerste manifest is de intertekstuele verbondenheid met het N-VA-discours onmiskenbaar. Terug krijgen we een linkse kerk die belgicistisch is en het status quo bewaart versus de Gravensteengroep die ‘de realiteit’ en zelfs de ‘loop van de geschiedenis kent’ en ze tot uitvoer wil brengen. Die loop van de geschiedenis wordt dan begrepen vanuit de klassiek nationalistische premisse dat de Vlaamse natie een Vlaamse staat moet krijgen. Dat is de ‘onomkeerbare optie op de toekomst.’[10] De oprichting van de Vlaamse natiestaat is de enige oplossing voor ‘de chaos die de Belgische constructie na 177 jaar lapwerk kenmerkt,’ [11] aldus De Gravensteengroep.Wie daartegenin gaat, zoals de culturele wereld en de oude Belgische elite, gaat dan ook in tegen de realiteit. Zij klampen zich dan vast aan de status-quo. Die nadruk op de status quo is ook een buzzwoord uit het N-VA-discours. Terug zien we hetzelfde perspectief om naar de realiteit te kijken zoals Rondas en N-VA reeds voordeden. Links, de culturele wereld en de oude (in de feiten niet meer bestaande) Franstalige Belgische elite in Brussel worden niet alleen voorgesteld als oppermachtig, maar ook als conservatief en beschermers van de  status quo.

De karikatuur regeert. Zij, die linkse kerk, zijn de ware conservatieven. Zij zijn Belgische nationalisten. Zij verknechten Vlaanderen, ze minoriseren Vlaanderen en onderdrukken zo ‘de meerderheid’ en ‘de democratie’. Terug krijgen we de constructie van een eenduidige vijand die alle criticasters van de Vlaamse eisen afschildert als oude belgicisten die de Vlaamse zaak verloochenen tegen de stem van het Vlaamse volk in. Opmerkelijk is ook dat we hier een hele politiek-ideologische uitholling  vaststellen van de termen progressief en conservatief. Deze termen verwijzen in het Gravensteendiscours niet meer naar hun historische betekenis.

In die historische betekenis strijden progressieven voor het realiseren van de verlichte samenleving. Zij verdedigen de waarden van de radicale verlichting: vrijheid, gelijkheid van elk individu. Progressieven zetten dus in op universele rechten, op democratie en solidariteit georganiseerd op een zo groot mogelijke schaal. De democratie is een instrument om dat mogelijk te maken. Democratie is dan een groot verhaal dat niet te herleiden is tot louter verkiezingen en al helemaal niet te herleiden is tot ‘de stem van het volk’, tot populisme. De radicale verlichtingsstrijd staat haaks op het organisch nationalisme. De verlichting ijvert voor universele rechten, voor een kosmopolitisme, voor een stelselmatige uitbreiding van de democratie en voor een uitbreiding van de solidariteit. Het is net het conservatisme en zeker het revolutionair conservatisme dat ijvert voor het particuliere. De morele orde en de gezondheid van het kostbare weefsel van de natie primeert voor conservatieven altijd op de rechten van het individu.[12]

In het discours van de Gravensteners zijn degene die pleiten om de solidariteit op een zo’n groot mogelijk schaal te houden echter de conservatieven. Terwijl het beperken van de solidariteit tot de Vlaamse natie voorgesteld wordt als progressief. Deze omkering is cruciaal om de vlag waaronder de Gravensteengroep vaart geloofwaardig te houden. Immers, moest de groep deze termen met hun historische betekenis hanteren, dan zou duidelijk worden dat hun nationalisme enkel maar als conservatief te brandmerken valt, zeker als ze dan nog eens gepaard gaat met een strijd tegen individualisme, kosmopolitisme en de nadruk op een ‘gezond sociaal weefsel’[13] waarin iedere nieuwkomer, en dus ook Franstaligen, zich moeten inburgeren. Centraal element hierin is, zoals in elk volksnationalistisch discours: ‘de taal.’[14]

Net zoals alle nationalisten staat taal bovenaan het prioriteitenlijstje van de Gravensteengroep: de taal is gansch dat volk niet waar. Dat vertaalt zich in een heel scherpe visie op meertaligheid en vooral op het spreken van Frans op het Vlaamse grondgebied. Zolang de Franstaligen niet akkoord gaan met die plicht om Nederlands te spreken op het Vlaamse territorium en zich te schikken naar de ‘Vlaamse meerderheidscultuur’ ondergraven ze volgens de Gravensteengroep ‘het principe van de politieke solidariteit tussen de gewesten, en meteen ook van de Belgische federale structuur op zich.’[15] Om die taal en de vergaande autonomie van de Vlaamse natie af te dwingen, dreigt de Gravensteengroep ermee om die sociaaleconomische solidariteit op te blazen. Solidariteit is dus niet het strijddoel van de Gravensteengroep, maar wordt gehanteerd een chantage-instrument. Taal en de natie primeren duidelijk op de centrale waarde van een links gedachtegoed: de herverdelende, interpersoonlijke solidariteit.

Voor de Gravensteengroep bestaat enkel de natie, de Vlaamse natie in opmars. Dat is het begin en het einde van de argumentatiehorizon. Centrale eisen van dit eerste Gravensteenmanifest in 2008 zijn, naast de taalkwestie op het grondgebied,  het respect voor ‘grens en ruimte’[16], de onmiddellijke splitsing van BHV en de ‘reële tweetaligheid in Brussel.’[17] Enkel dan is een confederaal België mogelijk, zo niet is het splitsen geblazen: ‘wie een hervorming in deze democratische zin afwijst, pleit in feite voor de ontbinding van die staat.’ [18] Vanaf het eerste manifest is de positie van de Gravensteengroep in feite al zeer duidelijk: het gaat om de Vlaamse natie, dat is democratie. De intertekstuele verbondenheid met het N-VA-discours is overduidelijk.

Solidariteit en solidariteit is twee

Het loont de moeite om even verder in te gaan op het concept solidariteit. Een analyse van de betekenis die aan het concept solidariteit toegekend wordt is een interessant instrument om te bepalen welke traditie voorrang heeft in de Gravensteenstrijd.  Solidariteit is immers niet alleen een kernconcept van elk links denken maar heeft ook een lange nationalistische traditie. In die linkse traditie verwijst solidariteit naar herverdeling, naar het recht op een menswaardig leven en dus naar de universele rechten van de mens. In een nationalistische traditie à la Renan verwijst solidariteit echter naar iets helemaal anders: naar nationale lotsverbondenheid en dus een sterke nationale identiteit. Of zoals De Wever het benoemt: de ‘spontane solidariteit’ die ontstaat als er een gezond kostbaar weefsel is binnen de natie.

Maken we die analyse dan zien we dat verbondenheid het kernwoord is als de Gravensteengroep spreekt over solidariteit. Zo wijst de groep in haar tweede Gravensteenmanifest er initieel terecht op dat solidariteit als instrument voor de bewerkstelliging van gelijkheid centraal staat in het verlichtingsdenken en in het socialisme. Ze wijst er ook terecht op dat binnen het socialisme solidariteit als grensoverschrijdend en dus universeel gedacht werd. En de groep wijst er ook terecht op dat dit ideaal vaak niet gerealiseerd werd. De groep wijst er ook terecht op dat in het links denken solidariteit niet verwijst naar liefdadigheid maar naar herverdeling via een sociale structuur gericht op het verminderen van ongelijkheid.

De eerste paragrafen van dit tweede manifest indexeren een verlichte positie inzake solidariteit. Meer nog, ze laten uitschijnen dat de Gravensteengroep zelfs een socialistisch perspectief op solidariteit zou aanhangen. Die lezing van de positie van de Gravensteengroep komt echter te vroeg. Na deze uiteenzetting van de historische politieke ideologische strijd over de betekenis van solidariteit verduidelijkt de groep haar eigen lezing. Die lezing is duidelijk gekoppeld aan haar nationalistische strijd. Want zo betogen de Gravensteners:

“dit principe wordt in de huidige Belgische context misbruikt. Wie in dit land durft te pleiten voor het verder ontwikkelen van de regionale solidariteit, die vandaag één van de wezenlijke voorwaarden vormt voor het behoud van de solidariteit in België, wordt bij voorbaat verdacht gemaakt.”

Een eigen Vlaamse solidariteit is voor deze Gravensteners de basis voor het behoud van de solidariteit op het Belgische niveau. Daarom zijn er in dit land hoogdringend institutionele hervormingen nodig. Enkel als  ‘Het naast elkaar bestaan van deelstaten, als gelijkwaardige partners, biedt mogelijke garanties voor een reële én realiseerbare solidariteit, voor een op maat gemaakte invulling van regionale behoeften en individuele noden, en voor het aanpassen van onze sociale zekerheid aan nieuwe internationale uitdagingen.’ [19]  Er komen twee argumenten bovendrijven: (1) Solidariteit moet gekoppeld worden aan de Vlaamse (deel)staat om ‘realistisch’ te zijn. (2) Enkel op het Vlaamse niveau kan onze sociale zekerheid de ‘internationale uitdagingen aan’ aldus de Gravensteengroep. We overlopen eerst het eerste argument, we eindigen met de idee dat splitsing van de sociale zekerheid het antwoord is op ‘de internationale uitdagingen’.

De Gravensteners betogen dus dat een solidariteit op het Belgische niveau compleet onhaalbaar is omdat er geen politieke solidariteit is. Enkel een Vlaamse solidariteit is ‘realistisch’ want gebaseerd op onze individuele behoeften en noden. In naam van de verlichting argumenteren tegen uitbreiding van solidariteit, tegen universalisme en dus ook tegen idealisme en vooruitgang is natuurlijk heel vreemd. Moesten de verlichtingsdenkers gedacht hebben in termen van realisme dan hadden we vandaag geen democratie, geen mensenrechten en geen sociale zekerheid. Het argument van de Gravensteengroep past dan ook in een heel andere, maar even oude politieke traditie. Dit is een klassiek antiverlichtingsargument. Alle antiverlichtingsdenkers hebben twee eeuwen lang strijd gevoerd tegen ‘de utopie’ van de radicale verlichting. Allen hielden een pleidooi voor ‘realisme’ en tegen abstractie. Allen benadrukten dat de utopie van vrijheid, gelijkheid, solidariteit, democratie en universele mensenrechten tot drama’s gingen leiden en onrealiseerbaar waren want indruisend tegen de natuurlijke orde. Van Burke over Renan tot De Wever: allen zien ze de rechten van de mens als te abstract. De Gravensteengroep spreekt in diezelfde traditie als ze zeggen dat solidariteit enkel op een nationale basis kan functioneren.

‘Solidariteit moet de relatie tussen individu en maatschappij regelen. Zij vormt een reactie tegen het vooropstellen van het eigen belang en betekent een bewuste keuze voor de verbondenheid met anderen.’ [20]

Het gaat dus niet over automatische en onvoorwaardelijke solidariteit als deel van de onvervreemdbare rechten van elk individu, maar over wederkerigheid. Over voor wat hoort wat, over vrijwillige solidariteit en nationalistische solidariteit. Solidariteit wordt ook door de Gravensteengroep gekoppeld aan nationale identiteit. Enkel als er nationale verbondenheid is, kan er solidariteit zijn. Deze definitie stelt een nationalistische interpretatie voorop van solidariteit. Solidariteit stoelt dan niet op het onvervreemdbare en universele recht van elk individu op gelijkheid, maar

op de idee van gelijkwaardigheid en verdraagzaamheid. Het veronderstelt wederkerigheid en vrijwilligheid. Wie zich solidair verklaart, aanvaardt een gedeelde verantwoordelijkheid.’ [21]

De solidariteit van de Gravensteengroep is een nationalistische solidariteit zoals Renan en De Wever het voor ogen hebben: het gaat dan in eerste instantie over ‘verbondenheid met andere leden van de gemeenschap’, veeleer dan dat men spreekt over herverdeling en gelijkheid. De universele dimensie van solidariteit valt weg. Niet de mensheid bepaalt de visie op solidariteit maar de natie. We horen hier terug geen links discours, maar een nationalistisch discours. Een discours ook over wederkerige, voorwaardelijke én vrijwillige solidariteit. Enkel als je bijgedragen hebt, kan je rekenen op solidariteit. Solidariteit moet voor de Gravensteners niet in eerste instantie gelijkheid realiseren door te herverdelen, maar ‘moet de relatie tussen individu en maatschappij’[22]   regelen. Maatschappij lezen we hier dan ook het best als een synoniem met de Vlaamse natie. Deze invulling van solidariteit is immers een springplank voor het ontmantelen van België en dus ook de ontmanteling van de bestaande geïnstitutionaliseerde solidariteit.

Dergelijk discours wordt ook door N-VA uitgedragen. Dit discours over solidariteit steunt op twee fundamenten. Enerzijds op de idee van de Vlaamse natie waarin alle Vlamingen zich verbonden weten en anderzijds het bekende verhaal van rechten en plichten. Vanuit het eerste fundament wordt benadrukt dat enkel nationale solidariteit mogelijk en wenselijk is. Enkel als mensen een identiteit delen, zich verbonden voelen, zullen ze solidair willen zijn. Dat is een punt dat Bart De Wever sinds de start van zijn politieke loopbaan reeds benadrukt: de natie is de basis van de solidariteit. Solidair zijn kunnen we in deze logica enkel met mensen waarmee we ons verbonden voelen. De Gravensteengroep herhaalt gewoon die visie. Voor hen is echte solidariteit, net zoals bij De Wever,  solidariteit ‘vanuit een gedeelde verantwoordelijkheid, vanuit het diepe morele besef dat het normaal is dat wij de medemens hulp bieden, wanneer wij daartoe in staat zijn.’[23]  Opmerkelijk hier is de afwezigheid van de koppeling tussen gelijkheid, vrijheid en universaliteit. Gelijkheid was volgens de radicale verlichtingsdenkers de universele dimensie van vrijheid. Enkel als we gelijk waren konden we vrij zijn. Deze referentie naar de verlichtingstraditie ontbreekt in de definiëring van solidariteit. We krijgen wel intertekstuele referenties naar nationalistische en conservatieve opvattingen over solidariteit in woorden als: moreel besef, hulp geven aan de medemens als we daarvoor genoeg middelen hebben. Wij bepalen dus zelf als we solidair zijn en hoe we solidair zijn.

Er kan ook solidariteit zijn met bevriende naties maar dan moet die solidariteit kaderen in ‘transparante politieke structuren’ en bijdragen tot de ‘responsabilisering van de regionale besturen.’  Naties moeten er zelf voor kiezen om solidair te willen zijn. Het zijn in deze nationalistische logica niet individuen die onderling solidair zijn via de staat, maar de natie die kiest om solidair te zijn met een andere natie (waarmee men schijnbaar doelt op Wallonië). Solidariteit met Wallonië is dan maar mogelijk als Wallonië zich politiek solidair verklaard met Vlaanderen, of in andere woorden als de Franstalige politici instemmen met de Vlaamse eisen voor een confederaal België. Solidariteit is hier terug voorwaardelijk. Enkel als Vlaanderen haar eigen solidariteitsmechanismen (lees geld en macht) in handen krijgt is Vlaanderen volgens de Gravensteners nog bereid om solidair te zijn met Wallonië maar wel op Vlaamse voorwaarden. Net zoals N-VA gebruikt de Gravensteengroep solidariteit als een responsabiliseringsmechanisme. Mooie termen als transparantie verhullen dat men de facto de interpersoonlijke solidariteit opblaast. En ook dat heeft ze gemeen met N-VA die in naam van de efficiëntie, transparantie en de oversolidariteit strijdt tegen de interpersoonlijke solidariteit.

Ook het idee van wederkerigheid en vrijwilligheid dat voor de Gravensteners een integraal onderdeel uitmaakt van de solidariteit, toont aan dat hier een heel andere solidariteit naar voor geschoven wordt dan degene die links traditioneel naar voorschuift. Links ziet solidariteit als herverdeling met als doel gelijkheid tussen individuen te bewerkstelligen. De conservatieve en nationalistische solidariteit is gebaseerd op enerzijds vrijwilligheid, anderzijds op wederkerigheid. Met vrijwilligheid wordt verwezen naar het idee dat de Vlamingen zelf moeten kiezen om solidair te willen zijn met de zwakkeren in de samenleving en met bevriende naties zoals Wallonië. Die solidariteit is niet eindeloos, maar is afhankelijk van wat de ontvangers van de solidariteit hebben bijgedragen tot de samenleving. Als ze niets hebben bijgedragen, dan komen ze ook niet in aanmerking voor de solidariteit. Maar ook als de ontvangers hun verantwoordelijkheid niet opnemen, door bijvoorbeeld snel werk te vinden, dan sluiten ze zichzelf ook uit van de solidariteit. Terug is de intertekstuele verbondenheid met de N-VA-retoriek en breder met de conservatieve en nationalistische politiek-ideologische stroming overduidelijk.

De laatste onbeantwoorde vraag is nu of en hoe een dergelijke Vlaams nationale solidariteit een antwoord kan zijn op het internationale neoliberalisme. Het tweede manifest spreekt daar, afgezien van de bovenstaande claim, met geen enkel woord over. Die afwezigheid van expliciete argumenten doet vermoeden dat deze groep van menig is dat enkel een nationale solidariteit voldoende draagvlak heeft en dat die nationale verbondenheid dan het warm nest schept die ons wapent tegen die neoliberale aanval. Hoe het ook mag zijn, het is duidelijk dat een nationale solidariteit, ook op Belgisch niveau in deze tijden van globalisering absoluut niet voldoende is.

De Gravensteengroep houdt hier in naam van het realisme, van de verlichting en zelfs in naam van links een pleidooi om de bestaande solidariteit te ontmantelen en her op te bouwen op Vlaams niveau. Hoe dat men in tijden van neoliberale en rechtse dominantie in Vlaanderen ooit een versteviging van de solidariteit kan realiseren in deze context wordt niet beargumenteert. Hoe dat het naar beneden herschalen van solidariteit, en dus een solidariteit voor ‘het eigen volk’ voorop stelt, ooit kan zorgen voor een bredere solidariteit is een vraagteken natuurlijk. Vandaag zien we dat het Belgische niveau al schromelijk te kort schiet om gelijkheid te realiseren voor eenieder. De hypermobiliteit van de 21ste eeuw vertaalt zich immers in de aanwezigheid van heel veel verschillende nationaliteiten op één grondgebied. Aangezien onze rechten gekoppeld zijn aan onze nationaliteit betekent dat in de praktijk een toename van ongelijkheid. De solidariteitsmechanismen sluiten nu al mensen uit, dat kan echter ondervangen worden als we een uitbreiding krijgen van de solidariteit. Solidariteit kan niet behouden blijven op een loutere nationale schaal. De droom van een verlichte, universele solidariteit is een noodzaak in tijden van globalisering en superdiversiteit. De Gravensteengroep leidt ons naar de andere richting.

De Gravensteengroep als discursieve linkervleugel van N-VA

Het besluit kan niet anders dan hard zijn. De Gravensteengroep is in eerste instantie en nationalistische groep en net door haar nationalisme ondermijnt ze de solidariteit. De Belgische solidariteit willen ze ontmantelen om in de plaats een Vlaamse sociale zekerheid op te bouwen in een rechts en neoliberaal Vlaams landschap. De facto zou dat dus twee maal een verzwakking betekenen van de solidariteit. Bovendien is die solidariteit absoluut geen afdoend antwoord op de neoliberale globalisering. De Gravensteengroep spreekt duidelijk in dezelfde intertekstuele traditie als N-VA: die van het organisch nationalisme en de antiverlichtingstraditie.

Waar de Volksunie gekend stond voor haar linkse en rechtse vleugel binnen de partij, kan ook N-VA steunen op een ‘prominente linkervleugel’. Bovendien heeft die linkervleugel meer macht omdat ze in de perceptie zelfs los staat van die partij. Het zijn linkse intellectuelen die hetzelfde discours uitten als N-VA. Dit is een ideaal instrument in de strijd om de Vlaams nationalistische ideologie te hegemoniseren. Het profiel van N-VA is immers uitgesproken rechts, neoliberaal en nationalistisch, haar imago is echter dat van een rechts gematigde, democratische en nationalistische partij. Het imago van de Gravensteengroep en haar discours versterken het imago van N-VA als een redelijke partij nogmaals: zelfs linkse intellectuelen vertellen hetzelfde.

Het project van de Gravensteengroep is des te opmerkelijker omdat ze het aura van links en progressief nog steeds meedraagt in de perceptie van velen. Nochtans is na tien manifesten en een heus boek met dezelfde manifesten en individuele bijdragen van de auteurs meer en meer duidelijk dat er maar een iets bovenaan de agenda staat van die Gravensteengroep en dat is de Vlaams nationalistische strijd. Onderliggend aan alle manifesten is het idee van de Vlaamse natie, het idee van een homogeen Vlaanderen, het idee van België als een land met twee gemeenschappen, twee naties. En net omdat ze België zien als twee naties, moet het land in het beste geval omgevormd worden tot een confederatie, in het slechtste moet het geheel splitsen.

Dat er in België echter veel meer gemeenschappen en identiteiten zijn, lijkt niet bij de Gravensteners op te komen. Superdiversiteit wordt ontkend, en als de aanwezigheid van diversiteit al wordt erkend, dan moet die zo snel mogelijk weggewerkt worden: allochtonen moeten inburgeren. Maar niet alleen allochtonen moeten Vlamingen worden, ook Brussel in zijn geheel moet in de nationalistische logica geduwd worden. Brussel mag geen gewest worden. Hoewel een moderne visie op stedenbeleid ons noodzaakt om in te zien dat Brussel best uitgebreid wordt en meer bevoegdheden krijgt, zien we bij de Gravensteners daarover enkel maar walging. Brussel moet onder koloniale voogdij van Vlaanderen en Wallonië komen te staan.[24] Een standpunt dat ze terug delen met N-VA. België moet absoluut in het format van twee naties worden geduwd. En zo wordt het primaat van de nationalistische ideologie van de Gravensteners nogmaals duidelijk geïllustreerd. Niet meer democratie staat voorop, maar de Vlaamse natie.

Dat dit nationalistische denkkader centraal staat, blijkt ook uit het feit dat in alle bijdragen uit het boek de kerndomeinen van het nationalisme besproken worden: territorium, identiteit en verbondenheid, taal,  nationale solidariteit, de natie en haar staat(svorming). Meer nog, in de feiten zien we niet alleen gelijkaardige denktrends en argumentatie- of non-argumentatielijnen als N-VA. De concepten, zinnen, ideeën, oneliners en verwoordingen, ideeën en eisen tot de presentatie van hun positie toe, zijn bij momenten letterlijke kopieën van het N-VA-discours. We zien niet alleen impliciete intertekstualiteit, maar heel vaak ook een expliciete intertekstuele verbondenheid met N-VA en het discours van De Wever in het bijzonder. Omgekeerd wordt ook duidelijk dat De Wever met aandacht luistert naar die Gravensteengroep en ook haar concepten overneemt. Zo laat hij in zijn 11 juli-speech van 2012 het volgende citaat optekenen:

‘In dit land werd de meerderheid al institutioneel geminoriseerd door de grendelgrondwet. Nu wordt de meerderheid ook politiek en democratisch geminoriseerd. De meerderheid van dit land, de gemeenschap die bovenmatig bijdraagt  tot de staatsfinanciën, is de minderheid geworden in de huidige federale regering.’[25]

De Wever hanteert hier niet alleen een van de centrale concepten van de Gravensteengroep (zie bv. het concept de grendelgrondwet van 1970) maar ook de centrale idee van een democratie die herleid wordt tot de dictatuur van een demografische meerderheid. De intertekstuele verbondendheid tussen het N-VA-discours en het discours van de Gravensteengroep is manifest en expliciet. In de feiten fungeert de Gravensteengroep als niets anders dan de ‘linkervleugel’ in disguise van de N-VA.

(Een kortere versie van dit artikel verscheen in Samenleving en Politiek, januari 2014)


[1] De Gravensteengroep, 2008: Eerste Gravensteenmanifest, in De Gravensteengroep, (2012). Land op de tweesprong. Pelckmans, Kalmthout.

[2] Rondas, J-P, 2012: Over het Gravensteenboek. In De Gravensteengroep, (2012). Land op de tweesprong. Pelckmans, Kalmthout. Pg pg.13

[3] Rondas, J-P, 2012: Over het Gravensteenboek. In De Gravensteengroep, (2012). Land op de tweesprong. Pelckmans, Kalmthout. Pg 2012 pg.14

[4] Rondas, J-P, 2012: Over het Gravensteenboek. In De Gravensteengroep, (2012). Land op de tweesprong. Pelckmans, Kalmthout. Pg 2012 pg.14

[5] Rondas, J-P, 2012: Over het Gravensteenboek. In De Gravensteengroep, (2012). Land op de tweesprong. Pelckmans, Kalmthout. Pg 2012 pg.14

[6] Rondas, J-P, 2012: Over het Gravensteenboek. In De Gravensteengroep, (2012). Land op de tweesprong. Pelckmans, Kalmthout. Pg 2012 pg.13

[7] Rondas, J-P, (2012). Grendel is een monster in Beowulf. In De Gravensteengroep, (2012). Land op de tweesprong. Pelckmans, Kalmthout.

[8] Zie de website van de Vooruitgroep voor alle analyses, reacties en opiniestukken: http://vooruitgroep.wikidot.com/teksten

[9] De Gravensteengroep, 2008: Eerste Gravensteenmanifest: Territorialiteit, in De Gravensteengroep, (2012). Land op de tweesprong. Pelckmans, Kalmthout. Pg.28

[10] De Gravensteengroep, 2008: Eerste Gravensteenmanifest Territorialiteit, in De Gravensteengroep, (2012). Land op de tweesprong. Pelckmans, Kalmthout. Pg.28

[11] De Gravensteengroep, 2008: Eerste Gravensteenmanifest Territorialiteit, in De Gravensteengroep, (2012). Land op de tweesprong. Pelckmans, Kalmthout. Pg.28

[12] Zie hiervoor o.a. Israel, J. (2010). A revolution of the mind. Radical Enlightenment and the intellectual origins of Modern Democracy. Princeton; Oxford: Princeton University Press.  En Israel, J. (2011).Democractic Enlightenment. Philosophy, Revolution, and Human Rights 1750-1790. Oxford & New York: Oxford university Press. Sternhell, Z. (1995). Neither right, nor left: Fascist ideology in France. Princeton, New Jersey: Princeton University Press. ; Sternhell, Z. (1996). The intellectual revolt against liberal democracy 1870-1945, Jerusalem: The Israel academy of sciences and humanities.; Sternhell, Z., (2010). The Anti-Enlightenment Tradition. New Haven; London: Yale University Press.

[13] De Gravensteengroep, 2008: Eerste Gravensteenmanifest Territorialiteit, in De Gravensteengroep, (2012). Land op de tweesprong. Pelckmans, Kalmthout. Pg.28

[14] De Gravensteengroep, 2008: Eerste Gravensteenmanifest Territorialiteit, in De Gravensteengroep, (2012). Land op de tweesprong. Pelckmans, Kalmthout. Pg.28

[15] De Gravensteengroep, 2008: Eerste Gravensteenmanifest Territorialiteit, in De Gravensteengroep, (2012). Land op de tweesprong. Pelckmans, Kalmthout. Pg.29

[16] De Gravensteengroep, 2008: Eerste Gravensteenmanifest Territorialiteit, in De Gravensteengroep, (2012). Land op de tweesprong. Pelckmans, Kalmthout. Pg.29

[17] De Gravensteengroep, 2008: Eerste Gravensteenmanifest Territorialiteit, in De Gravensteengroep, (2012). Land op de tweesprong. Pelckmans, Kalmthout. Pg.29

[18] De Gravensteengroep, 2008: Eerste Gravensteenmanifest Territorialiteit, in De Gravensteengroep, (2012). Land op de tweesprong. Pelckmans, Kalmthout. Pg.29

[19] De Gravensteengroep, 2008: Het tweede Gravensteenmanifest: Meer solidariteit door gelijkwaardigheid. in De Gravensteengroep, (2012). Land op de tweesprong. Pelckmans, Kalmthout.

[20] De Gravensteengroep, 2008: Het tweede Gravensteenmanifest: Meer solidariteit door gelijkwaardigheid. in De Gravensteengroep, (2012). Land op de tweesprong. Pelckmans, Kalmthout.

[21] De Gravensteengroep, 2008: Het tweede Gravensteenmanifest: Meer solidariteit door gelijkwaardigheid. in De Gravensteengroep, (2012). Land op de tweesprong. Pelckmans, Kalmthout.

[22] De Gravensteengroep, 2008: Het tweede Gravensteenmanifest: Meer solidariteit door gelijkwaardigheid. in De Gravensteengroep, (2012). Land op de tweesprong. Pelckmans, Kalmthout.

[23] De Gravensteengroep, 2008: Het tweede Gravensteenmanifest: Meer solidariteit door gelijkwaardigheid. in De Gravensteengroep, (2012). Land op de tweesprong. Pelckmans, Kalmthout.

[24] Vooruitgroep, 2011: Principes of willekeur? De Vooruitgroep verwerpt twee van de drie Gravensteenprincipes. http://vooruitgroep.wdfiles.com/local–files/teksten/Vooruitgroep%20opiniestuk%2015.pdf

De schoonmakers in de schaduw van de NMBS-stations. Interview met Dominique Fervaille

Afbeelding

 

Fred Guldentops

Inleiding: enkele militanten van ACOD en CGSP spoor (Martin, Armand en Fred) hadden een gesprek met Dominique Fervaille, algemeen secretaris van het ABVV/FGTB sector “schoonmaak”, voor de regio Vlaams-Brabant. In de ondernemingsraad (OR) van de schoonmaakbedrijven en in andere sociale overlegorganen zoals de Paritaire Commissie, waakt ze over de rechten van de werknemers in de schoonmaaksector.

Aanleiding voor ons gesprek zijn de aan de gang zijnde rechtszaken tegen de onderaannemers die voor NMBS de stations kuisen. Om even terug te gaan in de tijd: begin 2012 berichtten de media over sociale dumping bij NMBS, die voor haar schoonmaakopdrachten firma’s inschakelde die werkten met schijncontracten, waarbij het personeel extreem uitgebuit werd en over weinig tot geen sociale rechten (pensioen, betaald verlof, …) beschikte. Men sprak van moderne loonslavernij.

Het conflict wordt intussen voor de rechtbank uitgevochten, en de dagvaardingen gaan in twee richtingen. De schoonmakers eisen hun achterstallige inkomsten op, maar omgekeerd heeft één van de firma’s mevrouw Fervaille gedagvaard voor “geleden schade” na de berichtgeving in de pers over hun wanpraktijken.

Op het moment van ons gesprek (eind 2013) waren er nog geen gerechtelijke uitspraken. We vinden het echter uiterst relevant om hier verder informatie te verspreiden, aangezien het ongezien is dat een onderneming een syndicale afgevaardigde persoonlijk dagvaardt, terwijl ze niet meer dan haar werk gedaan heeft, namelijk waken over de rechten van de werknemers in haar sector. Zelfs al is de uitspraak van de rechter in haar voordeel, dan mag het afschrikeffect voor syndicale afgevaardigden om in de toekomst precaire werknemers te verdedigen, niet onderschat worden.

Even belangrijk is de tendens waarbij NMBS-directie meer en meer beroep doet op externe firma’s (en dit ondanks afspraken in het paritaire overleg van NMBS, bijvoorbeeld eind 2012 om een contingent schoonmakers opnieuw onder NMBS-voorwaarden in dienst te nemen in plaats van ze verder uit te besteden). Hierdoor hebben we meer en meer collega’s die minder (statutair of anderszins) beschermd zijn, en evenmin aangesloten bij één van de vakorganisaties die bij NMBS actief zijn. Met de verantwoordelijke afgevaardigden uit de privésector, in dit geval de schoonmaak, zoeken we daarom naar manieren om ook deze collega’s zo goed mogelijk te beschermen, en hen van op rechten op de hoogte te brengen. We hebben het gesprek waar we gedurende ongeveer 2 uur informatie uitwisselden, in interviewvorm uitgeschreven.

ACOD/CGSP: Welkom Dominique. De berichtgeving een klein jaar geleden over sociale dumping bij NMBS veroorzaakte een kleine storm, maar dat u op een bepaald genoodzaakt was om de pers in te lichten, zou ons doen vergeten dat u en uw collega-syndicalisten al jaren ijveren voor betere werkomstandigheden voor de schoonmakers die bij privé-firma’s « in onderaanneming » voor de NMBS werken. Kan u even de context schetsen en de chronologie van uw syndicaal werk?

Akkoord. Ten eerste moet u weten dat NMBS verscheidene schoonmaakbedrijven onder de arm heeft: naargelang het werkplaatsen, treinstellen of stations betreft, gaat het meestal om een ander schoonmaakbedrijf. In de regel zetel ik overal in de OR van deze bedrijven. Deze bedrijven voeren ook niet louter opdrachten voor NMBS. Op sommige werkplaatsen hebben we schoonmakers die syndicaal actief zijn en hun rol als afgevaardigde opnemen, maar veel vaker is dat niet het geval, en dan is het geen overbodige luxe om te kunnen samenwerken met syndicalisten van NMBS-vakbonden, zodat we tenminste op de hoogte gebracht kunnen worden wat er gebeurt (en misloopt) op de werkvloer.

En het waren inderdaad enkele van jullie collega’s, vakbondsafgevaardigden van ACOD/CGSP spoor, die ons in 2008 al op de hoogte brachten van mistoestanden bij schoonmaakploegen die in de Brusselse stations werkzaam waren. Jullie vermoedden ondermeer het gebruik van schijncontracten. Het bedrijf dat voor deze werven het contract met NMBS had afgesloten, was de firma GOM. Ikzelf en mijn collega-afgevaardigden van de schoonmaaksector hebben toen de sociale inspectie gevraagd om controles te laten uitvoeren op de verdachte of onwettige arbeidsomstandigheden. Tegelijk bleven we bijna maandelijks in de OR van de betreffende firma’s aandringen om bewijzen te leveren van wettige arbeidscontracten en van de naleving van onze sectorakkoorden.

Ondertussen had de sociale inspectie aan licht gebracht dat GOM de arbeidscontracten op haar beurt uitbesteed had aan een andere firma, Local Cleaning. Hoewel GOM op die manier onze vraag naar wettelijke arbeidscontracten kon omzeilen, vernamen we dat de werkomstandigheden allesbehalve ideaal waren, om het zacht uit te drukken: 30 nachten per maand moeten werken om aan een minimumloon uit de sector te kunnen geraken, geen betaald ziekteverlof, enz. Dit kan allemaal niet volgens de sociale wetgeving in onze sector, hoe was het dan mogelijk dat deze mensen al jarenlang onder deze omstandigheden moesten werken?

Bleek dat de firma Local Cleaning haar werknemers verplichtte om een zelfstandigenstatuut aan te nemen. Op die manier kon de patroon zijn sociale bijdragen ontlopen, en zelf een arbeidsregime bepalen dat geen rekening hoefde te houden met de sociale sectorakkoorden. We moeten er geen tekening bij maken dat dit enkel voordelig was voor de bedrijfseigenaar maar niet voor de schoonmakers zelf.

Het probleem met zo een waterval van onderaannemingen is dus dat iedereen zijn verantwoordelijkheid kan afschuiven. NMBS zegt « wij zijn enkel verantwoordelijk voor de openbare aanbesteding, en wij hebben het contract aan GOM gegeven ». GOM antwoordt dat de oorzaak van de slechte werkomstandigheden bij de onderaannemer Local Cleaning moet gezocht worden. Local Cleaning ten slotte beweert dat het budget dat NMBS en GOM overeengekomen waren om de schoonmaakactiviteiten uit te voeren, geen andere en betere werkomstandigheden aan het personeel toeliet. Om aan die prijsafspraken te kunnen voldoen, “konden ze niet anders” dan het schoonmaakpersoneel als schijnzelfstandige aan te werven. Iedereen beweerde aldus de situatie te betreuren, maar er niets aan te kunnen doen.

Uiteindelijk hebben we de pers op de hoogte gebracht van de wantoestanden, om zo ook de publieke opinie in te lichten over de constructies van onderaanneming bij NMBS, die tot sociale dumping leiden.

Na de berichtgeving in de media kwam er, toevallig of niet, verandering in de zaak. In juli 2012 kreeg Köse Cleaning de opdracht voor de werven in de stations, als opvolger van GOM.

Ja, maar ik denk niet dat er een oorzakelijk verband is. Het contract van GOM liep in ieder geval af eind juni 2012, en dan was er een nieuwe ronde voor mededinging voorzien in de procedure van openbare aanbesteding. GOM mocht zich opnieuw kandidaat stellen, maar de firma Köse Cleaning heeft hen het contract afgesnoept omdat ze een nog voordeligere prijs konden aanbieden. Ditmaal niet via schijnzelfstandigheid, maar dankzij overheidssteun in het kader van de “Activabanenplannen”.

Nochtans heeft Local Cleaning u voor het gerecht gedaagd omdat ze door uw tussenkomst geen contractverlenging voor het onderhoud van de stations zouden gekregen hebben.

Inderdaad, en ze hebben van mij persoonlijk een schadevergoeding geëist van, houdt u vast, 500.000 euro! Ik heb nochtans nooit de naam Local Cleaning geciteerd aan de pers. Ik heb enkel de onaanvaardbare werkomstandigheden aangekaart, de deregulering en sociale dumping die voortvloeit uit de openbare aanbestedingen met meerdere onderaannemers, en de lacunes in de wetgeving over schijnzelfstandigheid.

Volgens U zou de NMBS geen rekening gehouden hebben met imagoschade na de berichtgeving over de malafide schoonmaakbedrijven, en daarom voor andere gekozen hebben?

Ik geloof niet dat NMBS zich veel van die “imagoschade” aangetrokken heeft. Het belangrijkste, zoniet enige criterium dat NMBS hanteert bij haar openbare aanbestedingen is en blijft: de prijs. Diegene die het werk goedkoper kan uitvoeren dan een ander, krijgt het contract, zo eenvoudig is het. Deze keer dus een bedrijf dat profiteert van Activabanenplannen: dat is overheidssteun voor de werkgever indien deze een voldoende percentage langdurig werklozen in dienst neemt. Terzijde: u ziet hier dat deze vorm van overheidstussenkomst enkel de werkgever ten goede komt, maar geen enkele bijkomende job op de arbeidsmarkt creëert. Voor de schoonmakers in de stations is er voor elke langdurig werkloze die “geactiveerd” wordt, een andere die zijn job kwijtspeelt.

Inderdaad, de Roemeense schoonmakers die onder Local Cleaning werkten, zijn nu slechts voor enkele uren per week bij Köse Cleaning « heraangeworven », aangezien ze niet aan de voorwaarden voor langdurige werkloosheid voldoen. Bovendien is er de tendens om in alle afdelingen van de NMBS (schoonmaak of andere) het werk te laten uitvoeren met minder personeel dan vroeger, niet met meer. Naast verhoogde risico’s voor de veiligheid betekent dat ook dat meer mensen hierdoor uit de arbeidsmarkt geduwd worden in plaats van dat ze er in geïntegreerd worden. Maar heeft de NMBS wettelijk gezien een andere keuze dan haar opdrachten steeds aan de goedkoopste onderaannemers te geven?

Absoluut. Andere keuzes zijn mogelijk. NMBS heeft geen enkele verplichting om de laagste prijs als criterium te nemen. Het zal zelfs in haar eigen nadeel spelen wanneer ze hierdoor de minst kwaliteitsvolle of eerbiedwaardige firma’s aantrekt op het gebied van het respect voor de werkomstandigheden. (en wat we nu in Brussel meegemaakt hebben, toont aan dat de realiteit is). Terwijl kwalitatieve criteria zoals certificaten die een firma behaald heeft, hun procedures om de toxiciteit van de producten te minimaliseren, hun planning en werkschema’s voor het personeel, enzovoort enzovoort, integendeel de beste bedrijven zouden selecteren, en dit ook voor een respectabele en wettelijk verantwoorde prijs. We moeten NMBS, net zoals alle andere overheidsadministraties en openbare nutsbedrijven, aansporen om kwaliteitsvolle diensten te leveren. Maar als ze op deze manier hun openbare aanbestedingen blijven organiseren, kan daar weinig sprake van zijn.

Hoe kunnen we dan onze collega’s van de onderaannemers het best verdedigen, of onze directie onder druk zetten om respectabele werkomstandigheden te garanderen, indien ze zich steeds verschuilt achter de praktijken van de onderaannemers?

Ik begrijp dat dit niet gemakkelijk lijkt. Maar na een aantal schandalen met uitbuiting bij onderaannemers in verschillende sectoren van de arbeidsmarkt, zijn er toch enkele veranderingen in de wetgeving ten goede gekomen. Hierdoor hebben we vandaag meer mogelijkheden dan voordien om te reageren tegen misbruiken van onderaannemers tegenover hun personeel. Eerst en vooral is er de wet op het statuut van de zelfstandigen, in voege sinds april 2013. De omschrijving van een “zelfstandige” is er veel duidelijker, en de uitbuiting zoals de schoonmakers in Brussel meegemaakt hebben als “schijnzelfstandige” wordt vanaf nu quasi onmogelijk. Wanneer we dit opnieuw zouden constateren in de toekomst, kunnen we onmiddellijk reageren en dan moet de werkgever in gebreke gesteld worden. 

Daarnaast heeft de opdrachtgever van een openbare aanbesteding (in dit geval NMBS) een grotere verantwoordelijkheid gekregen. In de eerste plaats een verantwoordelijkheid voor het tijdig uitbetalen van het loon van de werknemers, in de tweede plaats een verantwoordelijkheid om de schulden van de onderaannemer te betalen, en zijn patronale bijdragen voor de sociale zekerheid. Die verantwoordelijkheden waren nochtans al wettelijk bepaald sinds de jaren 1960, maar ze zijn nooit bekrachtigd door een Koninklijk Besluit (dat ondermeer moet bepalen in welke domeinen van de arbeidsmarkt de wet van toepassing is) tot… de zomer van 2013.

Dat wil ook zeggen dat de loonbarema’s uit de sector (minimumloon, anciënniteit, …) moeten gerespecteerd worden door de onderaannemer. Want we weten allemaal wat de belangrijkste reden is om beroep te doen op onderaannemers: niet de mooie woorden over « de specialisatie van de firma in haar vakgebied », maar wel de mogelijkheid om neerwaartse druk te kunnen uitoefenen op de lonen, en om de sociale conventies te omzeilen die in principe van toepassing zouden moeten zijn in de sector. Gelukkig maken deze twee nieuwe wetten die tendens iets moeilijker.

Ik hoop dat dit uw collega’s aanmoedigt om onregelmatigheden vast te stellen en om ze te melden aan de syndicale organisaties en aan de sociale inspectie: bijvoorbeeld wanneer jullie collega’s melden dat ze onderbetaald zijn. Daarnaast kan alles wat de veiligheid en het welzijn van de werknemers aangaat, op de agenda van het comité PBW gezet worden. Dat kan gaan over het beschikken van de gepaste werkkledij, een adequate opleiding of richtlijnen over het gebruik van waarschuwingsborden, de beschikbaarheid van een vestiaire, maar bijvoorbeeld ook een te hoog aantal opeenvolgende werkdagen die vermoeidheid en ongevallen kunnen veroorzaken. Vooral wanneer de schoonmakers in de nabijheid van treinen en andere spoorweginstallaties werken, moeten we waakzaam zijn voor zulke zaken. De veiligheid is te belangrijk om dit enkel aan «de verantwoordelijkheid van de onderaannemer» over te laten.

Hoe ver staat het met de gerechtelijke procedures van de schoonmakers om hun achterstallig loon te vorderen? Is dat een uitgemaakte zaak waar jullie op korte termijn een uitspraak van de rechter verwachten?

Integendeel, het is vrij complexe zaak. Onze dossiers zitten nu bij de arbeidsrechtbank, maar ook de arbeidsinspectie heeft een « pro justitia » neergelegd, en de aanklager is daar het Arbeidsauditoraat, anders gezegd de « Procureur » of het openbaar ministerie. Die vraagt om alles met terugwerkende kracht te regulariseren: achterstallige salarissen, nacht- en weekendpremies, transportkosten, enzovoort. De gevorderde bedragen variëren van 10 000 tot 30 000 euro per schoonmaker. Deze hebben dan nog enkel betrekking op de periode waarin de inspectie controles gedaan heeft, het had het dubbele kunnen zijn wanneer ze de ganse periode zouden gecontroleerd hebben waarin ze als “schijnzelfstandige” hebben moeten werken.

Om alles nog ingewikkelder te maken dan het al is, moeten de dossiers in verschillende gerechtelijke kantons gepleit worden. De vaststellingen van de arbeidsinspectie werden in Brussel gedaan, maar onder de schoonmakers zijn er die in Brussel wonen, anderen in Wallonië en nog andere in Vlaanderen. De zetel van Local Cleaning is gevestigd in Zaventem, wat veronderstelt dat er in het Nederlands gepleit zou moeten worden, terwijl alle dossierstukken op dit moment in het Frans opgesteld zijn. We onderhandelen nu om alles samen te voegen om er één enkele rechtszaak van te kunnen maken.

Na de verklaringen van Local Cleaning om geen cent te zullen betalen, vermoeden we dat ze een constructie op touw zullen zetten om zich officieel failliet te laten verklaren. Het zou niet de eerste onderneming zijn die dat doet. Ze zitten nochtans absoluut niet in de rode cijfers. Zonder vooraf te lopen op de feiten: zal NMBS in dat geval aansprakelijkheid gesteld worden?

Macht en schaal: het belang van Europa

 

 

Image

 

Jan Blommaert

 

Zoals bij elke verkiezing is er ook deze keer alweer nauwelijks aandacht voor de Europese verkiezingen in onze media. We krijgen tonnen berichtgeving over louter lokale schermutselingen: mandatarissen die hun afscheid van de politiek aankondigen tenzij ze een goede plaats op de kieslijst krijgen, wekelijkse headlines met groteske uitspraken van de ene of andere Vlaamse politicus, het gedoe over Di Rupo in een amusementsprogramma op RTBF, en ga zo maar voort. Over Europa horen, zien of lezen we vrijwel niets.

“Jammer” is een veel te zwak woord daarvoor.; “desinformatie” is accurater. De mediaconsument in dit land krijgt immers systematisch een volkomen vertekend beeld voorgeschoteld van politiek. Concreter: we krijgen een heel erg fout beeld van waar de machtscentra in onze wereld liggen. Daardoor gaan we denken dat alles, heel onze welvaart en welzijn en de toekomst van onszelf en onze kinderen, afhangen van een keuze voor Di Rupo of voor De Wever – en zo zijn we heel erg onjuiste parameters voor politieke analyse aan het aanleren, waardoor een zeer groot en cruciaal deel van de analyse aan het zicht onttrokken wordt. 

Herschaling

Het proces van globalisering dat zich na de val van het IJzeren Gordijn heeft voltrokken heeft de hele wereldorde herschapen.  Het einde van de Koude Oorlog werd onmiddellijk beantwoord door de EU via het Verdrag van Maastricht. Dit Verdrag – en hoeveel mensen kennen het nog? – legde het zwaartepunt van de macht binnen de EU voor een steeds toenemend aantal beleidsdomeinen in handen van de EU-instellingen, niet meer in handen van de lidstaten. De Raad en de Commissie werden vanaf dat moment een politieke moloch die zich een bepaalde theorie (of ideologie, zo U wil) eigen maakte. Ik ga daar zo meteen dieper op in.

Het Verdrag werd gevolgd door een fenomenale reeks van maatregelen, door de Commissie uitgevaardigd en door de lidstaten geratificeerd. In alle EU-lidstaten hebben verkozen nationale parlementsleden veel en veel meer werk met het omzetten van EU-regelgeving naar nationale wetgeving, dan met het ontwikkelen van autonoom nationaal beleid. Dat geldt met name voor het hele veld van economische aangelegenheden: de arbeidspopulatie, de organisatie van bedrijfsactiviteiten, de mobiliteit van kapitaal, het muntbeleid (zeker na de invoering van de Euro), handel, concurrentie, migratie, veiligheid: al deze domeinen zijn nu effectief in handen van de EU, die er de spelregels van bepaalt en deze dan doorschuift naar de lidstaten voor ratificatie en implementatie.

Concreet betekent dat het volgende. De individuele lidstaten in Europa hebben een bijzonder groot gedeelte van hun macht afgestaan aan de EU, en zijn in wezen op dit moment enkel nog bevoegd voor een klein aantal materies. De grote sociaaleconomische en politieke structuren van lidstaten worden echter geschapen en uitgewerkt op een hoger schaalniveau van macht: dat van de EU. Nationale overheden kunnen op dit moment eigenlijk geen zelfstandig beleid meer voeren in de domeinen die ik aangaf, tenzij ze een zeer fundamentele breuk met de EU wensen te riskeren. De druk om dat laatste te doen is weliswaar toegenomen sinds de crisis van 2008; maar we zien in Griekenland en Spanje dat overheden ondanks die druk toch met alle middelen binnen het systeem van de EU willen blijven. Erin blijven betekent echter: akkoord zijn met een heel klein beetje zelfstandige macht, want het grootste deel van de macht zit boven de hoofden van de nationale overheden.

Het begrotingsverdrag (of “stabiliteitspact”) dat enkele maanden terug werd gesloten trekt deze herschaling van de macht door tot z’n ultieme consequentie. De begroting is het meest cruciale beleidsinstrument voor eender welke overheid. Politieke prioriteiten en veranderingen worden in de eerste plaats uitgevoerd via de begroting; soevereiniteit over de begroting is dan ook het kernelement van politieke soevereiniteit: sta de macht over je begroting af en je verliest je enige werkelijk effectieve beleids- en machtsinstrument. Welnu, dat is gebeurd: de lidstaten hebben zichzelf een politieke dwangbuis aangemeten die hen voor eens en altijd volledig ondergeschikt maakt aan de EU. Over de diepere elementen van dit verdrag heb ik het zo dadelijk.

De EU heeft zichzelf sinds twee decennia uitgebouwd tot een machtsniveau dat meespeelt op wereldschaal, precies omdat het zich grotendeels heeft onttrokken aan de macht van de individuele lidstaten. Di Rupo en De Wever mogen dromen van eender welk beleid: wanneer dit beleid ingaat tegen Europese regels dan komt het er niet. Ze hebben allebei in feite slechts een heel erg kleine ruimte waarin ze “iets kunnen doen” dat niet aan een Europees script beantwoordt. En dat is de kern van de desinformatie: men laat ons geloven dat de nationale politiek nog altijd het verschil tussen leven of dood kan uitmaken, terwijl dit al vele jaren niet meer zo is.

Meer of minder België of Vlaanderen is dan ook naast de kwestie, want er zal altijd meer Europa zijn. Die nationalistische kramp is trouwens een uitstekende illustratie van wat ik beschreef: de echte harde macht ligt allang niet meer bij mensen zoals Di Rupo of De Wever; ze hebben enkele nog een grotendeels ‘soft’ restgebied zelfstandig in handen – cultuur, identiteit, lokaal bestuur, mobiliteit, onderwijs en nog enkele thema’s – die ze dan echter moeten opblazen tot gigantische proporties. We moeten dan ook geloven dat confederalisme een enorm verschil zal maken in ons leven, terwijl dit evident niet zo is. (de Vlaams-nationalisten beroepen zich nu graag op de EU wanneer ze hun neoliberaal sociaaleconomisch beleid verdedigen;  ik vraag me vaak af of de roep om meer zelfstandigheid dezelfde zou zijn indien de EU een radicaal socialistische koers zou varen.)

Stemmen voor de Vlaamse en Federale parlementen is dan ook nuttig, maar stemmen voor Europa is belangrijk. En dat de inzet van die Europese verkiezingen best wel wat voorstelt mag blijken uit de volgende twee punten. 

Het Europese democratische deficit

Er is een enorme hoeveelheid macht herschaald van de nationale regeringen naar de EU. De nationale regeringen behouden echter via het systeem van verkiezingen een graad van democratische legitimiteit. Hoe zit dat met de EU?

Het korte antwoord is: de EU vertoont een verschrikkelijk en volstrekt onaanvaardbaar democratisch deficit. De grootste inzet van de verkiezingen is dan ook: net omdat dit Europese bestuursniveau zoveel macht naar zich heeft toegetrokken moet het democratisch bestuurd worden. Democratie is in z’n simpelste vorm immers: het volk dat effectieve macht uitoefent op alle domeinen die de belangen van dat volk raken. In de EU is dit echter anders, en dat kan niet. Voorbeelden hiervan zijn legio. Ik geef er drie.

(1) De macht in de EU ligt nadrukkelijk bij de Europese Commissie en de Raad (d.i. de Europese Raad van Staats- en Regeringsleiders, voorgezeten door Van Rompuy). Het Parlement – dat wij mogen verkiezen – heeft ondanks recente toevoegingen een bijzonder klein bevoegdheidspakket. Beleid wordt effectief gemaakt in de executieve lichamen (Commissie en Raad), en die moeten nooit op zoek naar een parlementaire meerderheid voor hun maatregelen. Meer nog, die executieven, en zeker de Commissie, hebben eerder een voorkeur voor partnerschappen met lobby’s en met andere niet-verkozen technocratische instellingen zoals de OESO, het IMF en de Europese Centrale Bank.

(2) Gegeven het grote belang en gewicht van de Raad zijn mensen zoals Merkel, Cameron en Hollande in realiteit merkwaardig genoeg bijzonder belangrijke Belgische politici: hun standpunten hebben direct belang voor alle inwoners in dit land. Maar wij kunnen hen niet verkiezen en dus evenmin via verkiezingen bestraffen.

(3) We kunnen enkel stemmen op nationale vertegenwoordigers in het Parlement, terwijl de echte macht transnationaal is en bij de executieve ligt. Hierop aangevallen reageert de EU doorgaans met een “democracy by proxy’ argument: als de Raad bijeen zit, dan is elk lid (elke president, premier of minister) “democratisch verkozen”, waardoor de hele vergadering dan ook maar “democratisch” moet zijn. We weten dat dit larie en apekool is: de machtsruimte die de EU zich heeft toegeëigend is van een heel andere orde dan die van de nationale overheden. Ze beheren effectief Europese bevoegdheden, terwijl nationale politici met een nationale agenda naar de nationale verkiezingen trekken.

Hoe het samenspel van deze drie punten werkt zien we heel duidelijk in het geval van de zogenaamde “crisisbestrijding” in Griekenland, Spanje en Portugal. 

1) De speerpunt van die crisisbestrijding wordt gevormd door de zogeheten “Trojka”. Die Trojka is een samenwerking tussen de Europese Commissie (niet verkozen), de Europese Centrale Bank (niet verkozen) en het IMF (niet verkozen), en heeft bijzonder verregaande invloed op de manier waarop die crisis “bestreden” wordt. Het gaat hier om technocraten die in wezen het effectieve bestuur van het land overnemen.

2) De prioriteiten in de zogeheten “crisisbestrijding” worden vastgelegd door de Raad, en daarin is met name de visie van Duitsland (Merkel, dus) doorslaggevend gebleken. Via de Trojka wordt de Griekse begroting opgelapt naar de zin van de Duitsers. De lokale regering, het Griekse parlement, en de bevolking spelen daarbij geen enkele rol van betekenis. En de Grieken hebben vanzelfsprekend geen enkel instrument van democratische controle of inspraak tegenover Merkel.

3) Nodeloos te zeggen dat ook het Europese Parlement (verkozen) daarbij geen enkele rol van betekenis speelt. De recepten van de Trojka zijn volkomen immuun voor democratische invloeden.

De allereerste doelstelling bij deze Europese verkiezingen is dan ook: dit reusachtige machtsinstrument terug in handen van de democratie te krijgen. Hierin hebben we geen keuze, het is van moeten. 

De neoliberale unie 

Het tweede punt dat ik als inzet zie voor de Europese verkiezingen is ideologisch, en het sluit aan bij het vorige. Men kan het democratisch deficit in de EU makkelijk aflezen van het feit dat het Europees Parlement gedurende de laatste twee decennia grotendeels is gedomineerd geweest door, zeg maar, linkse fracties – terwijl het beleid van de EU in die periode in een uitgesproken neoliberale richting is geëvolueerd. De EU is een gigantische en zeer effectieve vrijhandelszone. Het is echter geen sociale of politieke unie en elke maatregel in die richting botst snel op een “njet”.

We kunnen hier lange verhalen vertellen over hoe die evolutie naar een neoliberale Unie mede het werk is geweest van prominente sociaaldemocraten – Delors, Rasmussen, Van Miert en anderen – maar dat is het punt niet. De zaak is dat de EU, met de beschreven machtsstructuren, zich nagenoeg uitsluitend richt op een rol als wereldspeler in een volkomen geliberaliseerde economie, met verregaande sociale en politieke gevolgen binnen de Unie zelf. De EU is de laatste twee decennia een cruciaal speler geworden in wereldwijde handelsakkoorden die maar één richting hadden: liberalisering, “vrijmaking” van de handel in goederen, kapitaal en diensten die daardoor niet langer meer onder controle van democratische instellingen staan, maar enkel nog van de markt. De geschiedenis van de werking van de EU over de afgelopen decennia kan men lezen als een sequens van steeds meer “vrijgemaakte” sectoren van handel en industrie, van steeds verder afgebouwde overheidsregulering. En zoals gezegd: deze ideologische tendens vertaalt zich rechtstreeks in wetgeving in alle lidstaten, ongeacht of de nationale regeringen en parlementen deze ideologie genegen zijn.

De EU is dan ook zelf aansprakelijk voor een aantal van de meest kwalijke aspecten van de Unie op dit moment. Het beleid heeft een interne concurrentie geschapen tussen lidstaten inzake arbeidskost en fiscaal klimaat, een “race to the bottom” die de delocalisatie van duizenden bedrijven vanuit West-Europa naar de nieuwe lidstaten heeft veroorzaakt – nieuwe eldorado’s voor kapitalisten zonder dat dit de plaatselijke werkende bevolkingen ten goede is gekomen, en met werkloosheid in de landen van waaruit bedrijven weggetrokken zijn. En het heeft zeker in de arbeidsmarkt een enorme neerwaartse druk op loonkost gegenereerd. Telkens wanneer een Vlaams politicus spreekt over de “loonhandicap” of de “loonkloof” spreekt hij niet over Vlaanderen maar over het hogere EU-schaalniveau waarin verschillen in loon genadeloos worden uitgespeeld. Om het punt even te beklemtonen: die Vlaamse politicus kan dat probleem van de “loonkloof” dan ook nooit in Vlaanderen oplossen, omdat hij/zij geen enkele controle heeft over wat er op het hogere schaalniveau gebeurt.

Als we alweer de zogenaamde “crisisbestrijding” van de EU bekijken zie we, de neoliberale Unie in volle actie. We merken dat

(a) de EU een zeer nauwe economische definitie van “crisis” hanteert, volledig toegespitst op de “supply side” – op bedrijven en kapitaal met andere woorden. In Griekenland, Spanje en andere landen is men daardoor, onder de noemer van “economisch herstel”, bereid gebleken een sociale en politieke catastrofe te organiseren, met enorme koopkrachtdalingen, aanslagen op de arbeidsstatuten van mensen, en ongekende werkloosheidscijfers, gekoppeld aan een toenemende politieke instabiliteit, toegenomen repressie van protest, en een nagenoeg totaal verlies van democratische legitimiteit voor de nationale politieke instellingen.

(b) We zien ook dat de EU de oplossing voor deze “crisisbestrijding” bepaalt in functie van de financiële markten – de “vrije markt” van kapitaalspeculatie door banken en beleggers – die hun “vertrouwen” moeten herwinnen in de EU lidstaten. Het “belang” dat men poogt te dienen door middel van dit beleid is dan ook geen algemeen belang, het is een particulier belang – het belang van financierskapitaal. Aan dat particulier belang wordt het maatschappelijk belang opgeofferd, zoals we zagen.

(c)  Het voornaamste middel hiertoe is begrotingsdiscipline, en het “stabiliteitspact” dat we eerder bespraken moet dit reguleren. Hoe ziet die begrotingsdiscipline eruit? Een zo klein mogelijk deficit (3%) op de begrotingen, die nu ook rechtstreeks onder curatele staan van de EU. Om die deficits te verlagen nadat ze sinds 2008 over de gehele Eurozone spectaculair waren toegenomen vermits nationale regeringen de banken met vele miljarden waren bijgesprongen, moet er bezuinigd worden – en dat betekent, in goeie neoliberale zin, de “afslanking” van het overheidsapparaat, de afbouw van publieke voorzieningen en diensten, de ontmanteling van de Europese verzorgingsstaat. Het aldus vrijgekomen geld moet dan worden geïnvesteerd in “economische relance”, waarbij “economisch” de nauwe betekenis heeft die hierboven is gegeven: het geld gaat uit de samenleving en naar bedrijven.

(d) De EU vaart deze koers onder deskundige begeleiding van zeer effectieve industriële lobby’s, en van de OESO en het IMF. Prioriteiten van nationale democratische actoren worden, zoals gezegd, niet in aanmerking genomen. En zelfs in het gezelschap van deze uitgesproken neoliberale partners springt de EU eruit omwille van z’n radicalisme: wetenschappers bij het IMF waarschuwen al geruime tijd voor de grote sociale en politieke gevolgen van de eenzijdige klemtoon op fiscale discipline, en maken zich ernstige zorgen over de toekomst van de EU als democratische ruimte in de wereld. De theorie die de EU volgt wordt dan ook steeds meer beschouwd als een zeer verouderd en mank instrument voor crisisbestrijding. De EU laat dit echter niet aan z’n hart komen.

Dit is dan ook het tweede grote punt voor de Europese verkiezingen: de EU duidelijk maken dat het menens is met de onvrede over dit neoliberale bestuur en dat men eens en voor altijd het sociaal-economische geweer van schouder moet veranderen. 

Tot slot 

Kritiek op de concrete werking van de EU wordt snel vertaald naar een “anti-Europese” stellingname. Wie het niet eens is met de neoliberale koers van de Unie wordt snel een “eurosceptic” die terug zou willen naar de tijd van de Belgische Frank en de Rijkswachter aan de grens met Nederland.

Dit is uiteraard kindertaal. Men kan moeilijk tegen de vorming van een politiek schaalniveau zijn dat als grote speler in de wereld het verschil probeert te maken. De meeste critici van het reëel bestaande Europa zijn overtuigde Europeanen die echter van oordeel zijn dat Europa zijn kansen verknoeit en eerder dan een wereldmacht inzake welvaart, mensenrechten, solidariteit en rechtvaardigheid – de oude Europese droom – een wereldmacht aan het worden is inzake ongelijkheid, ruig laissez-faire kapitalisme, sociale harteloosheid en onrechtvaardigheid.

Globalisering heeft trouwens een onvermijdelijkheid geschapen: men moet vandaag politieke en economische macht op een zeer hoog, globaal schaalniveau beoefenen, en dat proces is onomkeerbaar, want van zodra je een aantal spelers in het veld brengt die op een zeer hoog schaalniveau opereren moeten de andere spelers eveneens op dat schaalniveau werken om hun belangen effectief te behartigen. Die gedachte ligt mee aan de basis van de Europese gedachte en men vindt ze in zowat alle grote Europese verdragen terug. In dat opzicht lopen nationalisten en nationaal-chauvinisten de feiten hopeloos achterna: kleinere politieke en economische eenheden zijn een bijzonder groot deel van hun macht onherroepelijk kwijt; ons wijsmaken dat dit niet zo is, is een grove leugen. De Vlaamse regering kan bijvoorbeeld de migratiestromen in de wereld niet buiten Vlaanderen houden, want ze worden door ontwikkelingen op wereldschaal bepaald.

Wat echter niet onvermijdelijk is, is dat men dit schaalniveau neoliberaal  moet bespelen. De manier waarop globalisering zich ontwikkelt is derhalve het gevolg van keuzen en niet van noodzaak, en wat keuzen betreft: Europa is niet enkel de bakermat van het liberalisme maar ook van het socialisme. Neoliberalisme sluit dan ook niet beter aan bij de Europese traditie dan socialisme, beide opties liggen open.

Keuzen uit het verleden dreigen evenwel een fait accompli te scheppen. De neoliberale opstelling van de EU en het enthousiasme van de Commissie om vooral veel vrijhandelsverdragen te sluiten hebben paradoxaal gezorgd voor een vermindering van de Europese macht en impact. Ze hebben immers mee een nog hoger schaalniveau geschapen: dat van de geglobaliseerde industrie en kapitaal die zich in toenemende mate autonoom bewegen over grote gebieden in de wereld en in staat zijn om de grote machtsblokken tegen mekaar uit te spelen. Als dit proces van globale machtsvorming niet snel wordt afgeremd dan wordt ook dat een onomkeerbaar gegeven, en dan wordt de EU op z’n beurt zeer afhankelijk van de macht van heel andere actoren (die, uiteraard, weinig op hebben met democratische controle).

Dit is de echte inzet van de verkiezingen: Europa heroveren en een heel andere richting insturen. De inzet is dus niet de keuze tussen een “PS-model” en een “N-VA model”: ook dit behoort tot het rijk der kindertaal. Wie denkt dat enkel lokale thema’s van belang zijn, die riskeert een overheid te verkiezen die enerzijds bijzonder weinig kan veranderen in ons leven, maar anderzijds wel telkens zal moeten doen alsof ze heel veel heeft veranderd – een overheid die gedwongen is te liegen en te huichelen, met andere woorden. De echt grote hefbomen van de macht liggen elders, ze liggen op het schaalniveau waarop de EU kan spelen. De tijd dat we politieke afdankertjes of bruggepensioneerden naar het Europese Parlement stuurden, en de meest ambitieuze en autocratische naar de Commissie, moet dan ook voor eens en altijd gedaan zijn: we eisen de beste mensen daar, en dat moeten echte en ernstige democraten zijn. 

Links

http://europa.eu/eu-law/treaties/index_nl.htm

http://eur-lex.europa.eu/nl/treaties/dat/11992M/htm/11992M.html#0001000001

http://www.dewereldmorgen.be/artikels/2013/12/26/de-trojka-in-griekenland-hoe-een-land-zijn-onafhankelijkheid-kwijt-raakt

http://www.dewereldmorgen.be/artikels/2014/01/15/bedrijfslobbying-een-aanval-op-de-democratie

 

            

It’s the capital stupid!

Dirk Van der Maelen

Image

 

Drukkingsgroepen en partijen ter rechterzijde stellen systematisch dat de lasten op kapitaal in België hoog zijn. Gisteren was het de beurt aan De Tijd om te beweren dat vermogen in België heel zwaar belast wordt. Vandaag natuurlijk kritiekloos overgenomen in de meeste andere media. Allen wijzen ze op het feit dat de belastingsopbrengst uit kapitaal in België 3,4 % bedraagt van het BNP. Hiermee staat België in de statistieken van OESO op de derde plaats.

Volgens de Nationale Bank is de omvang van de heffingen op kapitaal in verhouding tot het BNP geen relevant cijfer. Relevanter als benadering van belastingdruk is de betaalde vermogensbelasting af te zetten tegen het totale vermogen of het totale inkomen uit vermogen in een land.

En als we dat doen dan ziet het plaatje er helemaal anders uit. Vooral omdat België in vergelijking met de andere landen een veel hoger vermogen heeft dan zijn BNP. In 2012 bedroeg het totaal nettovermogen van de Belgen 1.882 miljard euro samengesteld uit 1.003 financieel  vermogen, 1.090 miljard onroerend  vermogen en 211 miljard schulden. Met die cijfers staat België voor het totaal vermogen op de vierde plaats en voor het financieel vermogen zelfs op de eerste plaats in de Europese Unie. Daarenboven blijkt dat dit vermogen niet alleen heel groot is maar ook dat het veel sneller groeit dan het BNP. Anders gezegd : in België word je niet rijk met werken maar wel met beleggen! 

Hoe zit het nu met de belastingdruk op vermogen in vergelijking met de andere landen?

Heel recent heeft OESO een studie gedaan naar de belastingdruk op dividenden,interesten en meerwaarden op aandelen en onroerend goed. Uit de OESO grafiek hieronder blijkt dat België op deze vier domeinen bij de landen met de allerlaagste belastingsdruk behoort!

Dividenden: belasting alleen in Slowakije, Mexico, Italië en Estland lager dan bij ons. Meerwaarden op aandelen en vastgoed: nergens lager dan bij ons. Overal zitten we in belangrijke mate onder het OESO-gemiddelde.

Image

Een ook heel vaak door de rechterzijde gebruikt argument is dat vermogensbelasting vooral de hardwerkende middeninkomens zou treffen.

Het debat over een belasting op het vermogen wordt in België bemoeilijkt door de afwezigheid/ moeilijke toegankelijkheid van informatie over het vermogen van de Belgen: omvang, inkomsten uit vermogen, verdeling van vermogen en vermogensinkomsten uit vermogen, … .

In een zeer interessant stuk in Samenleving en Politiek van deze maand hebben Inti Ghysels en Alex Van Steenbergen enig zoekwerk verricht in de laatste enquête van de Europese Centrale Bank en nationale bronnen en volgende markante vaststellingen gedaan:

Volgende vaststellingen vallen op:

-Sterke concentratie van het financieel vermogen: slechts 7,5% van de gezinnen bezit obligaties of kasbons,minder dan 15% bezit aandelen en minder dan 18% bezit beleggingsfondsen.

-De verdeling binnen België van het financieel vermogen behoort Europees tot de meest ongelijke: het verschil tussen de armste en de rijkste 20% is alleen in Spanje groter dan in België. Het financiële vermogen van de rijkste 20% is in België bijna 400 keer dat van de armste 20%.

 Image

Ik kan niet nalaten om bij deze cijfers te denken aan de fulminerende Jambon van NVA die op de Kamertribune toeterde dat de door de regering Di Rupo besliste verhoging van de roerende voorheffing  de hardwerkende middengroep trof. Natuurlijk werd dit kritiekloos overgenomen door radio,televisie en geschreven pers. Allemaal  zaten ze er glad naast :  85% van de bevolking heeft er niets van gevoeld!

Het vermogen is zeer ongelijk verdeeld maar hoe zit het met de verdeling van het inkomen uit vermogen?

 Noch de ECB enquete, noch nationale info is voor België ( en we zijn ook het enige fiscaal geciviliseerd land waarvoor dat niet beschikbaar is!) geven enig inzicht in de verdeling van de vermogensinkomsten. Voor die verdeling moeten we dus naar het buitenland kijken en naar alle waarschijnlijkheid zal de Belgische situatie het meest vergelijkbaar zijn met Frankrijk. In dat laatste land hebben de 10 % hoogste inkomens 97% van de geregistreerde meerwaarden en 71% van de interesten en dividenden terwijl ze maar 23% van de lonen hebben.  Andermaal moeten we vaststellen dat de rijken  hun rijkdom dus niet verdiend  hebben met werken!

Deze cijfers zeggen ook iets over hoe gesofisticeerd de moderne kapitaalmarkt is geworden:vermogensinkomsten worden sneller omgezet in meerwaarden via ingewikkelde beurstransacties. Dit vergt een beheer van de portefeuille die voor de meeste mensen zonder financiële raadgever niet haalbaar is.

Dit is geloof ik de aanwijzing dat de Belgische vrijstelling voor meerwaarden ( waarmee België alweer een bijna unieke positie inneemt) een achterpoortje in de fisscale regelgeving is dat vooral door hen met toegang tot dure adviseurs wordt benut. Opnieuw niet echt de middenklasse zou ik denken. 

 Image

Bron: Conseil des prélèvements obligatoires (2011)

Het zal de lezer van dit artikel niet verbazen dat ik voorstander ben voor een herverdeling van de belastingdruk: minder op arbeidsinkomen en meer op vermogensinkomens.

 Ik zet mijn argumenten voor een  hervorming in die richting ter afsluiting nog eens op een rijtje:

– Het totale nettovermogen en vooral het financiële vermogen van de Belgen is in vergelijking met onze buurlanden  zeer omvangrijk .

– België  heeft een in vergelijking met andere fiscaal beschaafde landen een zeer voordelige fiscale behandeling van vermogensinkomsten . Opschuiven naar het gemiddelde van onze buurlanden levert al een pak nieuwe inkomsten op. Ik durf een ( voorzichtige) raming van 2 à 3 miljard euro voorspellen.

– Het financieel vermogen in België  is zeer ongelijk verdeeld  en zit geconcentreerd  bij een bovenlaag van 15% . Deze bovenlaag kan wat meer belast worden zonder dat de midden- en lage inkomsten daar iets hoeven van te voelen. Vermogens belasten versterkt dus de progressiviteit in ons belastingssysteem

– Recent onderzoek wijst uit dat het uitbalanceren van belastingen in de richting van meer op vermogens en minder op arbeid wel een positieve invloed heeft op de economische groei.

– De groeiende internationale samenwerking beperkt de kansen op kapitaalvlucht.

– Opinieonderzoek wijst uit dat 80% van de bevolking meer belasting op vermogen ziet zitten.  20% is dus tegen. Wedden dat het grootvermogen juist bij die 20% zit!

Ik stel een grote consensus vast om de lasten op arbeid te verlagen. Velen pleiten voor een verschuiving naar hogere BTW of milieubelastingen. Ik ben daar tegen omdat het de midden- en lage inkomens zwaar zal treffen. Ik pleit voor een belastingdruk op vermogens op het gemiddelde van onze buurlanden. Dat leidt tot een meer gelijke en progressieve verdeling van de bijdragen, raakt de modale gezinnen niet en bevordert de economische groei. Zoek het dus niet in een verhoging van BTW of milieubelastingen. It’s the capital stupid.

Dirk Van der Maelen.

Kamerlid sp.a