A-sociaal beleid: over “Thatcher aan de Schelde”

Jan Blommaert (en z'n gedachten)

Jan Blommaert 

Image

De biecht van Stiglitz

In The Roaring Nineties beschrijft de Amerikaanse Nobelprijswinnaar Economie Joseph Stiglitz de ontwikkeling van een compleet losgeslagen financieel kapitalisme in de VS onder Clinton. Het boek is grotendeels een zelfkritiek, want Stiglitz was onder Clinton de man die het economische beleid van de VS mee gestalte gaf. Dat beleid was ogenschijnlijk een succes: zoals we weten werd niet enkel de huizenhoge openbare schuld afgebouwd, maar sloot Clinton zijn ambtstermijn zelf af met een serieus financieel overschot – iets wat door G.W. Bush bliksemsnel werd verkwanseld – en het land beleefde economisch gouden jaren.

Die verbazende economische resultaten van Clinton waren het gevolg van een zeer sterke begrotings- en fiscale discipline en van wat later een economische bubble bleek te zijn: fenomenale stijgingen van de aandelenkoersen dank zij een verregaande deregulering van de geldmarkten, die het volume rijkdom in de VS althans op het eerste…

View original post 3.524 woorden meer

De mythe van de onderstroom

Jan Blommaert (en z'n gedachten)

Bart De Wever kan enkel beweren dat de verkiezingen van 14 oktober 2012 een nationale inzet hadden in zoverre zijn these van de ‘onderstroom in Vlaanderen’ klopt. Laat ons die these eens  van naderbij bekijken.

Voor De Wever is de klinkende overwinning van 14 oktober een bewijs van het feit dat er in Vlaanderen een onderstroom aanwezig is die zich nu rond de N-VA kristalliseert. Volgens die stelling is die onderstroom identiek aan zijn programma: de kristallisatie verloopt dus langsheen lijnen van staatkundig confederalisme, een neoliberale sociaaleconomische agenda en een ethisch conservatisme, ook wel eens Law-and-Order genoemd. Vermits er zowat een kwart van de Vlamingen voor zijn partij stemt gaat hij ervan uit dat al die mensen alles onderschrijven wat hij vertelt.

In wat volgt wil ik twee elementen aangeven die minstens ernstige vraagtekens plaatsen bij die these. Het eerste is een korte terugblik naar het verleden; het tweede gaat…

View original post 3.464 woorden meer

Hayek fout gelezen? Een repliek op Cossaer.

Image

Karim Zahidi 

Vorige week verscheen op DWM een hoofdstuk van het boek “De paradox van Hayek” van Jan Blommaert en mezelf. Kort daarna kwam er een reactie op dat hoofdstuk van Lode Cossaer waarin hij ons verwijt te grossieren in “groteske misrepresentaties” en waarin hij stelt dat het  werkstuk  geen gebalanceerde studie is van de liberale traditie maar een

“uitstekend boek wordt voor hen die vooroordelen over het liberalisme – als een slavernij rechtvaardigend, minderhedenonderdrukkend en armen uitbuitende ideologie – willen bevestigd zien.”

Dit oordeel is streng. In deze bijdrage wil ik nagaan of het ook terecht is. Vooraleer ik een aantal kritieken van Cossaer aan een onderzoek onderwerp, is het zinvol even stil te staan bij de methodologie van het boek. We vertrekken van de, volgens ons correcte, vaststelling dat ideeën geen geïsoleerde dingen zijn die, afgesloten van de politieke en economische wereld, ergens in een filosofisch universum rondzweven.  Zij worden voortdurend gebruikt, misbruikt, aangepast en vertroebeld om reële politieke beslissingen te rechtvaardigen. Ze hebben effecten buiten het politiek-filosofisch universum die het leven van miljoenen mensen beïnvloeden.  Dat lijkt allemaal triviaal en vanzelfsprekend, maar de conclusie die we daaruit trekken is dat een evaluatie van politieke ideeën geen abstractie kan of mag maken van de politieke en socio-economische effecten die er door worden gegenereerd. Dit idee passen we toe op de dominante ideologie die de laatste decennia het politieke doen en laten heeft beïnvloed, namelijk het neoliberalisme en één van haar aartsvaders: Friederich Hayek. We bekijken de ideeën van Hayek en andere neoliberale denkers niet als geïsoleerde politiek-filosofische ideeën, maar we belichten ze door het prisma van hun reële effecten. En die effecten zijn niet fraai: toenemende ongelijkheid, precarisering, concentratie van politieke en economische macht in de handen van een kleine elite, uitholling van de democratie, overconsumptie, … .  Onze vaststelling is dat een politieke filosofie die vrijheid hoog in het vaandel voert, in de feiten leidt tot onvrijheid voor velen. Een van de tegenwerpingen die tegen deze werkwijze kan worden ingebracht en die Lode Cossaer impliciet lijkt te hanteren, is de volgende. De filosofische ideeën van Hayek zijn nooit in hun zuivere vorm toegepast en dus is het intellectueel oneerlijk, om niet te zeggen karikaturaal, om deze effecten op conto van Hayek en zijn ideeën te schrijven. In zijn algemeenheid is deze kritiek terecht, maar ze geldt niet in alle gevallen. Dat een denker niet altijd verantwoordelijk kan gesteld worden voor het gebruik of misbruik van zijn ideeën aanvaarden we. Zo zou het inderdaad karikaturaal zijn om Nietzsche verantwoordelijk te stellen voor het misbruik van zijn ideeën door het Duitse nationaal-socialisme. Er is echter een belangrijk verschil tussen Nietzsche en de politieke denkers van het neoliberalisme die we bespreken. Terwijl Nietzsche niet in staat was om te protesteren tegen het misbruik van zijn ideeën door het nationaal-socialisme – hij was al ruim 30 jaar overleden toen de Nazi’s aan de macht kwamen – kon Hayek zich wel distantiëren van eventueel misbruik van zijn ideeën door politici. Dat heeft hij echter nooit gedaan: politici zoals Margaret Thatcher en Ronald Reagan hebben steeds kunnen rekenen op zijn publieke steun. Ook t.o.v. van meer sinistere regimes zoals de Zuidamerikaanse junta’s van de jaren 80, voor wie individuele vrijheid niet bepaald een strijdpunt was, was de houding van Hayek op zijn zachtst gezegd coulant te noemen. In tegenstelling tot wat Cossaer beweert, nemen wij denkers als Hayek wel serieus. Dat impliceert voor ons dat we concrete politieke interventies niet afdoen als accidents de parcours, maar als integraal deel van hun politieke denkwereld. Dat Hayek bijvoorbeeld voor overheidsregulering pleit in zijn geschriften is zeker waar, maar de steun die hij aan politici gaf die stelselmatig overheidsregulering hebben afgebouwd, zetten die passages toch in een ander licht.

Met dit in het achterhoofd lijken heel wat van de opmerkingen van Lode Cossaer weinig relevant. Inderdaad we hebben niet alle redeneringen van Hayek weergegeven. Maar dat was ook niet de bedoeling. Onze stelling is eenvoudig weg dat de ideeën van Hayek en andere neoliberalen zoals die in de laatste decennia zijn toegepast en schijnbaar met goedkeuring van Hayek, desastreuze gevolgen hebben gehad voor een overgroot deel van de wereldbevolking.

Laten we enkele van de opmerkingen van Lode Cossaer van dichterbij bekijken. In ons artikel schreven we dat het vrijheidsconcept van Hayek uitgaat van een competitief mensbeeld. Cossaer verwerpt deze interpretatie:

“voor Hayek (en, bij uitbreiding, de andere Oostenrijkse economen) is het hele marktproces (en de samenleving) een gigantisch proces van sociale coöperatie. Een bedrijf – of het nu een VZW is of een Naamloze Vennootschap – is een coöperatief geheel van interacties. Uiteraard speelt er wel een competitief element: mensen concurreren met elkaar over de voorwaarden om samen te werken. De samenleving is dus zowel coöperatie als concurrentie, […]” 

Dit is inderdaad de visie van Hayek, maar het is onduidelijk hoe dit onze stelling ondergraaft. (Terloops dient opgemerkt te worden dat niet alleen mensen concurreren, maar vooral bedrijven. En die concurreren niet alleen “over de voorwaarden om samen te werken”; ze concurreren om grondstoffen, om productiemiddelen, om afzetmarkten etc. ) Immers, de markt als proces van sociale coöperatie werkt alleen maar als mensen concurreren, en belangrijker, in een marktsysteem worden mensen, om sociale coöperatie te realiseren, voornamelijk aangesproken op hun competitiviteit. Dus de sociale coöperatie, als die er is, is een gevolg van concurrentie. Dit is een thema dat bij  alle liberale denkers terugkomt en door Mandeville beschreven werd met de prachtige oneliner private vices, public benefits. Er kan uiteraard gediscussieerd worden over de vraag of interindividuele concurrentie leidt tot sociale coöperatie (wij zijn daarover minder optimistisch dan Lode Cossaer), maar dat is niet wat hier ter discussie staat. Wat wel ter discussie staat is de vraag of dit een competitief mensbeeld veronderstelt of niet. En hierover lijkt weinig discussie te bestaan.

Merk op dat het bovenstaande citaat ook aangeeft dat maatschappelijke processen steeds worden gedacht in termen van economische processen. Ook vrijheid wordt dus in economische termen geconcipieerd. Opnieuw is dat een perfect legitieme opvatting waar wij het echter niet mee eens zijn. Wat we vreemd vinden is dat deze tendens om maatschappelijke processen in termen van economische concepten te denken, wordt ontkend.

Opmerkelijk is ook dat Lode Cossaer beweert dat Hayeks opvattingen ruimte laten voor substantiële herverdeling:

“Nogmaals, dit laat uitgebreide herverdelingen toe zodat mensen meer kansen hebben om deel te nemen aan het proces van sociale interactie.”

Dat lijkt ons een weinig genuanceerde voorstelling van het denken van Hayek. Hayek waarschuwt herhaaldelijk dat herverdeling – zoals gebaseerd op progressieve belastingen – niet de doelstelling mag zijn van overheidsbeleid. Zijn kritiek op het sociaal beleid van de na-oorlogse welvaartstaat is precies dat het gericht is op herverdeling en dat dit onverzoenbaar is met de vrijheidsgedachte. Weliswaar betreurt Hayek het bestaan van een te grote materiële ongelijkheid en is niet tegen de vermindering er van. Zo schrijft hij in The Constitition of Liberty:

“Wanneer er legitieme redenen zijn voor overheidsinterventie en wanneer er verschillende mogelijkheden bestaan om het doel van de interventie te verwezenlijken, en wanneer toevallig één van deze interventies ongelijkheid vermindert, dan kan dat een goede reden zijn om de ongelijkheidsreducerende interventie te verkiezen.”

Dit klinkt mooi, maar tegelijk ook zeer vrijblijvend. Het cruciale punt is natuurlijk dat voor Hayek ongelijkheid op zich geen legitieme reden is voor overheidsinterventie. Wel laat hij toe dat overheidsinterventies toevallig leiden tot minder ongelijkheid. Hayek is inderdaad geen voorstander van ongelijkheid, maar dat maakt hem nog geen voorstander van bewust vorm gegeven herverdeling (en dus geen voorstander van meer gelijkheid). Dat hij in zijn concrete politieke interventies steeds beleidsmaatregelen heeft gesteund die (bewust) tot groeiende ongelijkheid hebben geleid, geeft aan hoe hoog het thema van herverdeling op zijn agenda stond.

Een van die herverdelende maatregelen die Hayek verafschuwde zijn progressieve belastingen. In ons stuk  verwijzen we naar progressieve belastingen als limieten op accumulatie van rijkdom. We schrijven dan ook dat het vrijheidsconcept van Hayek impliceert:

“dat er geen beperkingen mogen opgelegd worden aan een individu in het proces van private eigendomsverwerving. Geld verdienen voor zichzelf verdraagt geen beperkingen en limieten.”

Cossaer brengt hier tegen in dat dit geen correcte weergave is van Hayeks standpunt. Hij heeft gelijk wanneer hij stelt dat Hayek wel degelijk overheidsregulering toelaat. Maar wat wij bedoelden – en wat in deze formulering inderdaad niet helemaal duidelijk is – is dat er geen limiet, in de zin van progressieve belasting, op rijkdomsverwerving staat.  We zijn Cossaer dankbaar dat hij ons op deze onduidelijkheid heeft gewezen, maar voor het overige lijkt hij ons wel degelijk gelijk te geven als hij schrijft dat

“dat Hayek geen voorstander was van het limiteren van kapitaalaccumulatie omwille van het limiteren.”

Maar in tegenstelling tot Cossaer en Hayek denken we niet dat herverdeling een beperking is op kapitaalaccumulatie “omwille” van kapitaalaccumulatie, maar wel een beperking is die de vrijheid van hen die niet in staat zijn om te accumuleren mogelijk maakt.

Over Cossaers opmerkingen i.v.m. meritocratie kunnen we kort zijn: we schrijven nergens dat Hayek de vrije markt verdedigt op basis van meritocratie of stellen nergens Hayeks ideeën gelijk aan meritocratie.  We schrijven wel dat de facto de toepassing van de vrije markt leidt tot een meritocratie. Zoals Cossaer schrijft, is het Hayeks overtuiging dat de markt

“grosso modo, mensen beloont wanneer ze welvaart produceren voor anderen.”

Door het marktproces te reïficeren als ultieme en onpersoonlijke arbiter lijkt het alsof het om een objectief proces gaat. Maar dat proces wordt bepaald door mensen die zich op die markt begeven, en op die markt telt niet iedereen even zwaar mee. Wie meer macht, d.w.z. koopkracht, heeft op de markt kan zijn evaluatie veel sterker laten doorwegen. Het is dus inderdaad de waardeschaal van een klasse van mensen die uitmaakt wie er beloond dient te worden en wie niet. Op die waardeschaal worden diegenen die al veel macht hebben dan ook als de meest verdienstelijken beschouwd en navenant beloond.    Dit leidt de facto tot een reproductie van een meritocratische klasse.

We vinden in de kritiek van Lode Cossaer geen enkele reden om onze evaluatie van Hayeks politieke filosofie of het neoliberalisme te herzien. Dat onze voorstelling van zaken geen volledige behandeling van het denken van Hayek en bij uitbreiding van de neoliberale politieke filosofie is, accepteren we. Dat was ook niet de bedoeling, wel was het de bedoeling om de maatschappelijke ramificaties van het denken van Hayek te illustreren. Dat we hiermee een karikatuur maken van die politieke denkrichting verwerpen we echter ten stelligste en geen enkele van de door Cossaer aangebrachte argumenten wijzen in die richting.

Hayeks Vrijheid

Jan Blommaert & Karim Zahidi

(Ontwerp van hoofdstuk 2 uit “De Paradox van Hayek”; EPO 2014)

Image

 

Sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw is het begrip vrijheid niet meer weg te denken uit het taalgebruik van onze politici. Alles moet worden vrijgemaakt: de energiemarkt, de financiële markt, het openbaar transport, de arbeidsmarkt, etc. Weg met die regels en overheidsbemoeienis die de volle ontwikkeling van onze maatschappij, welvaart en economie remmen. Deze vrijmaking, zo heeft men ons beloofd, zal er voor zorgen dat we er met z’n allen kunnen op vooruitgaan. De vrijmaking van alle economische sectoren zal er voor zorgen dat deze dankzij de concurrentie opnieuw dynamisch en innovatief zullen worden, wat onze economische groei zal bevorderen. Dankzij de concurrentie zullen de consumenten kunnen genieten van lagere prijzen en zullen de keuzemogelijkheden aan diensten en producten op de markt enorm toenemen. Kortom de vrijmaking van allerlei markten zal ons allen niet alleen welvarender, maar ook vrijer, zelfstandiger en dus vollediger mensen maken. Ook de arbeidsmarkt, dat is duidelijk, moet vrijgemaakt worden en in handen komen van bedrijven zoals Randstad.

Het plaatje oogt na dertig jaar van deregulering wel anders. In verschillende sectoren heeft deregulering niet geleid tot goedkopere prijzen of betere producten. De deregulering van de arbeidsmarkt heeft vooral gezorgd voor een precarisering van de arbeidsmarkt: onzekere loopbanen, afbouw van sociale rechten gekoppeld aan arbeid, afbouw van sociale bescherming, etc. De vrijmaking van de energiemarkt heeft in ons land gezorgd voor een enorme stijging van de prijzen en dus voor een toename aan energiearmoede. Uit recente cijfers van de Federale Overheidsdienst Economie blijkt dat 1 op 7 gezinnen het financieel moeilijk heeft om de woonplaats te verwarmen. 

Maar niet alleen op de energiemarkt heeft de vrijmaking van de markt niet gezorgd voor meer keuze of lagere prijzen. In verschillende sectoren, zoals de agro-industrie, zien we een toename van monopolievorming: steeds minder (maar grotere) bedrijven beheersen de markt. Dit heeft niet alleen een effect op de consumenten, maar ook op de producenten. Kleine voedselproducenten worden bijvoorbeeld steeds afhankelijker van grote agroconglomeraten. Hetzelfde fenomeen doet zich voor in de sector van de media, waar zich in Vlaanderen de jongste jaren een enorme concentratie heeft voltrokken die er enerzijds voor zorgt dat de hoeveelheid eenheidsworst spectaculair is toegenomen zodat de lezer en kijker steeds minder keuze heeft, dat anderzijds het beroep van journalist uiterst precair is geworden (wie vandaag journalist wil worden moet jaren als free-lancer aan de bak), en daarnaast dat nieuwe media-initiatieven nu moeten optornen tegen reusachtige concerns die enorme middelen kunnen inzetten in de concurrentieslag. In tegenstelling tot wat werd beloofd, is de vrijheid en autonomie voor een overgroot deel van de wereldbevolking op een aantal vlakken niet toegenomen, maar verminderd. Ze zijn veel afhankelijker geworden van processen en actoren waar ze zelf geen enkele invloed meer kunnen op uitoefenen. Wat de laatste dertig jaar wel laten zien heeft, is dat voor een handvol mensen de mogelijkheden spectaculair gestegen zijn. Elites hebben, ondanks opeenvolgende crisissen, hun macht en rijkdom zien uit breiden.

Ondanks deze feiten, weerklinkt de roep om deregulering, vrijmaking enz. nog steeds even luid? Hoe komt dit? Hoe kan het dat een mens- en maatschappijbeeld met zo’n faliekante gevolgen voor de mens en zijn leefomgeving, toch nog steeds kan rekenen op brede steun binnen bijna alle politieke partijen? 

Het is zeker te danken aan het feit dat de peetvaders van het neoliberalisme hun politieke ideologie hebben weten te presenteren als dè politieke stroming van de vrijheid, als de enige maatschappijvisie die het individu in staat stelt zich in alle vrijheid te ontwikkelen en te . ontplooien. Elke maatschappijvisie die afwijkt van de neoliberale ideologie kan dan worden weggezet als een ideologie die de menselijke vrijheid aantast en een opstapje is naar een totalitaire maatschappij. Het is de twijfelachtige verdienste van Hayek, Friedman en andere neoliberale denkers om dat beeld bij een brede waaier van maatschappelijke actoren ingang te laten vinden.

Het is natuurlijk ooit anders geweest. In het zog van de wereldwijde crisis van 1929 en na de 2de wereldoorlog was bijna iedereen, van links tot rechts, het erover eens dat juist het ongebreidelde kapitalisme een van de kernoorzaken was van de dertigjarige periode van instabiliteit, oorlog en genocide die begon met de 1ste wereldoorlog. Dit was de opvatting van mensen zoals John Maynard Keynes – heus geen linkse jongen – en ook van de zeer invloedrijke Amerikaanse publicist Walter Lippman, wiens boek The Good Society in 1937 de grondslag vormde van wat “Neoliberalisme” ging heten. Lippmans argument was dat, om het kapitalisme te doen overleven, de primitieve en barbaarse aspecten ervan moesten uitgeroeid worden. Kapitalisme was een systeem dat “a good society” moest realiseren, een samenleving waarin de geproduceerde rijkdom iedereen van nut zou zijn, en niet enkel de geld-elite. De crash van 1929 had een heel fout kapitalisme aan het licht gebracht, en om te vermijden dat het westen massaal voor de recepten van de Boksjevieken zou kiezen moest het kapitalisme zichzelf vernieuwen. We komen hier in het volgende hoofdstuk nog uitgebreider op terug.[1] 

Om catastrofes zoals de grote crash in de toekomst te vermijden, was het van belang dat de staat een belangrijke rol speelde of zou spelen in de heropbouw van een maatschappij. Dit nieuwe maatschappijmodel zou een serieuze correctie op het ongebreidelde kapitalisme worden. De staat kreeg een belangrijke rol in het socio-economische leven, niet alleen als regulator van de markt, maar eveneens als belangrijke economische actor: de uitbouw van de gezondheidszorg, openbaar vervoer, industriële sleutelsectoren e.d. werden ofwel het unieke speelterrein van de staat of werden terreinen waar de staat een van de belangrijkste spelers werd. De idee was dat enkel een maatschappijmodel waar niet de ongebreidelde markt speelde, maar waar planning een integraal onderdeel uitmaakt van de functionering van de maatschappij, er kan in slagen om te voldoen aan de basisbehoeften van iedereen. Dankzij een politiek van herverdeling, van prijzenregulering en volledige tewerkstelling – de recepten van Keynes en de New Deal economen in de VS – werden de negatieve effecten van de vrije markt getemperd. 

Rond 1938 zag men Keynes als de leidende “neoliberaal”, de vernieuwer en redder van het kapitalisme, en zijn methoden leken te werken. De oppositie tegen deze ideeën – een groepje met onder andere Hayek en Von Mises, die zich ‘paleoliberalen’ noemden, ‘oude liberalen’ – zag deze toegenomen rol van de staat als een pervertering van het pure en zuivere kapitalisme, en bepleitte – lange tijd in de marge en zonder noemenswaardige aanhang – een hard kapitalistisch systeem dat we nu, paradoxaal, “neoliberaal” noemen. Ondanks het feit dat het politieke en intellectuele klimaat van de naoorlogse periode geen gunstige bodem was voor de “neoliberale” (of paleoliberale) gedachten van Hayek en de zijnen, bleven zij verder bouwen aan een wijdvertakt netwerk van gelijkgezinde politici, intellectuelen, bedrijfsleiders en denktanks, daarbij vanaf de jaren 1950 fors gesteund door zeer conservatieve Amerikaanse zakenlui. Met de crisis van de jaren zeventig en het onvermogen van de oude Keynesiaanse recepten om de crisis te bezweren, leken zij dan ook de enigen die een schijnbaar verfrissend en radicaal nieuw politiek antwoord op de crisis konden bieden.[2] De ideeën van Hayek en co. werden als een radicaliserend en polariserend ideologisch verhaal opgepikt door de Amerikaanse republikeinen en de Britse conservatieven. Met de verkiezingen van Reagan tot president van de VS en Thatcher tot premier van het Verenigd Koninkrijk konden ze in de praktijk worden omgezet. De retoriek van vrijheid paste niet alleen perfect bij de economische denkbeelden van deze politici, ook hun politiek van ideologische confrontatie met het Sovjetblok was er uitermate mee gediend. Vrijheid was het kenmerk van het liberale Westen, terwijl de Sovjet-Unie de verpersoonlijking was van het door de staat gedomineerde totalitarisme dat inherent is aan elke politieke denkwijze die afwijkt van het neoliberalisme. Hayeks Road to Serfdom zette dit verhaal op literaire muziek. 

Vrijheid is het centrale begrip in het lexicon van neoliberale politieke filosofie. Hayek geldt dan ook als een van de grote theoretische voorvechters van vrijheid. Dit blijkt duidelijk uit de titels van zijn vele boeken zoals “The constitution of Liberty”, “The road to serfdom”, etc. In al zijn geschriften waarschuwt Hayek voortdurend voor het gevaar dat de vrijheid wordt ingeperkt. Het is daarom van belang dat we een duidelijk beeld krijgen wat vrijheid voor Hayek betekent. Het is voor hem de belangrijkste waarde voor de mensheid. Elk politiek of sociaal systeem moet afgemeten worden aan slechts één maatstaf: die van de vrijheid, meer bepaald: In hoeverre is vrijheid gewaarborgd door dat systeem. Elke politieke filosofie of opvatting over de organisatie van een maatschappij die de vrijheid inperkt is, aldus Hayek, een opstap naar de dictatuur of een totalitair bestuur. Voorbeelden van dergelijke maatschappijen zijn het Duitsland van de jaren dertig en de Sovjetunie onder Stalin.

Positieve en negatieve vrijheid

Vooraleer we dieper ingaan op de neoliberale invulling van vrijheid, staan we even stil bij de verschillende betekenissen die het woord vrijheid kan hebben. We gebruiken vrijheid in verschillende contexten: zo zeggen we over iemand die pas genezen is van een ziekte, dat hij “vrij is van ziekte”; van iemand die net zijn schulden afbetaald heeft dat “zij vrij is van schulden”. Dit gebruik kenmerkt zich door de zinsnede “vrij zijn van …” en slaat meestal op het feit dat we dingen kunnen doen en laten zonder inmenging van buitenaf. Dergelijke vrijheid wordt vaak aangeduid met de term – ontleend aan de Russisch-Britse filosoof Isaiah Berlin, maar gebaseerd op het werk van Erich Fromm[3] – negatieve vrijheid. Negatieve vrijheid kan een breed gamma aan vrijheden bepalen, we hebben er al enkele opgesomd. Maar naast dergelijke formele vrijheden kan ze ook een substantiëlere vorm krijgen. Zo kan men namelijk het recht hebben om vrij van honger te zijn, vrij van ziekte e.d. .

Alhoewel negatieve vrijheid een belangrijke dimensie van vrijheid blootlegt, is er nog een andere dimensie . Dat aspect van vrijheid komt tot uitdrukking in zinsneden zoals “vrijheid tot…”. Hiermee wordt aangegeven dat we de vrijheid hebben om bepaalde doelen te realiseren. Hier hebben we te maken met een substantiële dimensie van vrijheid. Dergelijke vrijheid wordt positieve vrijheid genoemd. Om te bepalen of een bepaalde maatregel de positieve vrijheid al dan niet belemmert, volstaat het niet om vast te stellen of die maatregel bepaalde dingen verbiedt. De vraag die moet gesteld worden, is of die maatregel de vrijheid tot het verwezenlijken van het doel beperkt of niet, of die vrijheid ook dingen mogelijk maakt. Maar dit betekent dat positieve vrijheid een bepaald mensbeeld veronderstelt: het vooronderstelt immers de gelijkheid van mensen, die dus allemaal bepaalde mogelijkheden uit hun positieve vrijheid kunnen halen. In die zin is positieve vrijheid substantieel en niet louter formeel. 

Een voorbeeld kan dit verduidelijken. In een bepaald opzicht is democratie een typisch voorbeeld van positieve vrijheid. De leden van een democratische gemeenschap kunnen door deelname aan de politiek zelf vorm geven aan de maatschappij waarin ze willen samenleven. Democratie is in die zin een politiek systeem waarin de vrijheid voor de creatie van een maatschappelijke orde door alle deelnemers centraal staat. Het voorbeeld van democratie laat ons inzien dat positieve vrijheid niet kan gereduceerd worden tot negatieve vrijheid. Er zijn politieke systemen denkbaar waarin een aantal belangrijke negatieve vrijheden zijn gegarandeerd, maar waarin de maatschappijvorm niet wordt gekozen door alle leden van de politieke gemeenschap. Het is zeker zo dat een aantal negatieve vrijheden noodzakelijk zijn voor de realisatie van positieve vrijheid. Maar het is zeker niet zo dat negatieve vrijheden voldoende zijn om positieve vrijheid te realiseren. 

Wanneer Hayek het over vrijheid heeft, bedoelt hij steeds individuele negatieve vrijheid. Waaruit bestaat die individuele vrijheid dan? Voor Hayek is de individuele vrijheid de idee dat een individu vrij, d.w.z. zonder dwang, kan bepalen wat hij doet, denkt en voelt. Niemand – en zeker niet de overheid – mag of kan het individu dingen opleggen of ontzeggen. Het individu kan zelf beslissen wat zijn politieke voorkeuren zijn, hoe hij zijn leven wenst in te richten, wat hij eet, hoe hij zijn brood verdient, met wie hij economische contracten sluit etc.[4] Dit is inderdaad negatieve vrijheid zoals we hierboven hebben aangetoond. Noteer – en we zullen dat verder nog onderstrepen – dat deze individuele vrijheid geen gelijkheid onder mensen vooronderstelt. Integendeel, ze wordt gevat in een mensbeeld dat competitief is, en waarbij de gelijkheid van mensen volledig zou worden gegarandeerd door de “democratische” werking van de vrije markt. We hebben allemaal onze keuzen en verantwoordelijkheden in een “vrije” samenleving volgens Hayek en volgelingen, en we moeten daar elk voor zich maar het beste van maken.

Maar er vallen onmiddellijk een aantal zaken op. Ten eerste is het zo dat voor Hayek slechts een aantal negatieve vrijheden behouden blijven, terwijl andere helemaal van het toneel verdwijnen. Er is geen sprake van vrijheid van honger, vrijheid van ontbering etc. Ten tweede is het zo dat er bij Hayek helemaal geen sprake is van positieve vrijheid. Het vrijheidsconcept van Hayek is eendimensionaal – het focust alleen op negatieve vrijheden en vergeet de dimensie van de positieve vrijheden – en zeer restrictief. Het is restrictief omdat de negatieve vrijheden zelf ook beperkt worden. Wie Hayeks boeken leest, heeft bovendien snel de indruk dat hij zijn vrijheid ook nog eens heel specifiek opvat: zijn voornaamste preoccupatie draait meer bepaald rond vrijheid in de economische sfeer, en dit is een constante in de neoliberale literatuur. Ook voor Milton Friedman, bijvoorbeeld, is er een hiërarchie van vrijheden, waarbij de economische vrijheid de voornaamste is en de politieke vrijheden van een democratische samenleving garandeert.[5] Hayek en zijn volgelingen hebben het in de regel dus slechts over vrijheid binnen een zeer specifiek domein van menselijke activiteit: de economische sfeer (die op haar beurt wordt gezien als een autonoom domein dat aan z’n eigen wetten gehoorzaamt). Hierop gaan we nu dieper in.

Economische vrijheid

Alhoewel Hayek zich opwerpt als de verdediger van vrijheid in het algemeen, legt hij toch vooral de nadruk op economische vrijheid. Later komen we op die verenging nog terug, want die is zeker niet evident. Maar voorlopig volgen we Hayek en bekijken we eerst zijn invulling van het begrip economische vrijheid. Hieruit kunnen we een en ander afleiden over zijn meer algemeen begrip van vrijheid. 

Een centraal aspect van Hayeks begrip van economische vrijheid is de vrijheid of het recht op privaat bezit, en dit met behulp van een mensbeeld waarin elkeen concurreert met anderen op een vrije markt Individuen en bedrijven hebben recht op het bezit van private eigendom zolang dat bezit rechtmatig verworven is (d.w.z. niet gestolen is). Verder is het zo dat dat bezit in wezen ongelimiteerd is in die zin dat er geen redenen zijn om bepaalde materiële of immateriële zaken uit te sluiten van privaat bezit. Een individu kan bezitter zijn van een huis, een ziekenhuis, een bron van natuurlijke rijkdom, een rivier, etc. maar ook een patent; copyright, etc. Dat Hayek aan individuen en bedrijven een zeer ruim palet aan te bezitten goederen toestaat, is niet zo verwonderlijk. Hoe groter het aandeel aan private bezittingen, hoe kleiner het aandeel aan collectieve of sociale goederen. En, volgens Hayek, is het bestaan van collectieve goederen een vorm van collectivisme waarbij deze goederen niet via persoonlijke competitieve inspanningen verworven of verdeeld worden, en dus een bedreiging voor de vrijheid (zie hieronder).

Een tweede karakteristiek is dat het gebruik van die private eigendom, door diegene die er bezitter van is, volledig vrij is. Dit betekent onder andere dat de bezitter vrij is om zijn bezittingen naar goeddunken te verkopen. Met andere woorden, er moet een markt bestaan waarop die goederen kunnen worden verhandeld, zonder dat die markt aan strenge regels onderhevig is. De bezitter kan, opnieuw zonder inmenging van de overheid, zijn private goederen inzetten om andere private goederen te produceren of te verwerven. Belangrijk is hierbij dat dit alles moet gebeuren zonder overheidsinmenging of -sturing. De overheid kan bijvoorbeeld niemand verplichten om zijn bezit op een bepaalde manier te gebruiken. Een huiseigenaar die beschikt over 100 huizen, kan besluiten om zijn huizen te verhuren, maar kan evenzeer beslissen – omwille van speculatie bijvoorbeeld – om die huizen leeg te laten staan, ongeacht het feit of er woningtekort is of niet. Een door de overheid opgelegde verplichting om die huizen ter beschikking te stellen op de woningmarkt is, aldus Hayek, een beperking van de economische vrijheid van de bezitter er van; voor Ayn Rand is het niet minder dan een vorm van staatsgeweld..

Zoals hierboven reeds werd aangehaald, is het bestaan van collectieve goederen een bedreiging voor de neoliberale economische vrijheid. Maar wat zorgt ervoor dat het bestaan van collectieve goederen zo bedreigend is voor neoliberalen? De redenen daarvoor zijn niet zo moeilijk te vinden. Nemen we als voorbeeld het openbaar vervoer. Tot voor kort was het openbaar vervoer in de meeste landen volledig in handen van de overheid. Dergelijke ondernemingen vergen ongelofelijk veel geld: niet alleen moet een enorme infrastructuur worden uitgebouwd (aanleg spoorwegen, aankoop treinen, bussen trams); dergelijke infrastructuur moet ook worden onderhouden en het personeel moet maandelijks worden betaald. De overheid financierde openbaar vervoer deels door de inkomsten van ticketverkoop en deels met belastinggeld. Dat betekent uiteraard dat de overheid belastingen moet heffen. Die belastingen worden onder andere geheven op de inkomsten van ieder individu. Maar dat betekent dat elk individu moet inboeten op het vrije beschikkingsrecht over een deel van zijn inkomen. Het is de gemeenschap die beslist dat een deel van mijn inkomen zal worden geïnvesteerd in openbaar vervoer. Dat is een deel dat ik als individu niet meer kan gebruiken voor andere doeleinden. Mijn vrijheid om te beschikken over mijn eigendom, is geschonden. Dat een dergelijk systeem van openbare dienstverlening is ingegeven door positieve vrijheid, en gericht is op gelijke toegang tot mobiliteit voor eenieder is een gegeven dat voor Hayek en zijn volgelingen geen enkele rol speelt. 

Voor Hayek kan een minimale vorm van belastingen (en dus beperking van de economische vrijheid) worden gerechtvaardigd als de opbrengsten van die belasting worden ingezet voor het vrijwaren van het systeem van privé-eigendom. Dit vereist onder meer het bestaan van een justitie- en politieapparaat en dat kost geld. Problematisch wordt het voor Hayek en andere neoliberalen als belastingopbrengsten worden gebruikt om maatregelen te financieren die een herverdelend effect hebben (en dus de positieve vrijheid en het gelijkheidsideaal dienen). Collectieve goederen hebben de neiging om door een bepaalde groep van mensen meer gebruikt te worden dan anderen. Iemand die niet in staat is om een auto te bezitten en te onderhouden, zal door de band genomen meer gebruik maken van het openbaar vervoer dan iemand die wel over een auto beschikt. Als de overheid collectieve goederen subsidieert, d.w.z. goederen en diensten ter beschikking stelt aan een prijs die onder de marktprijs ligt – bijvoorbeeld als een treinticket minder kost dan de reële prijs van de treinrit – dan zorgt ze ervoor dat een bepaalde groep meer profiteert van overheidsgeld dan een andere groep omdat de behoeften van die ene groep groter zijn dan die van de andere. Vermits overheidsgeld voornamelijk bestaat uit bijdragen van individuele belastingbetalers, betekent dat dat er een transfer gebeurt van bepaalde groepen binnen de samenleving naar andere groepen. Of, om het in neoliberale termen te verwoorden, de overheid ontneemt een deel van mijn inkomen om het aan anderen te geven. Ik ben dus verplicht om voor anderen op te draaien. 

Zoals vele liberalen is Hayek niet tegen herverdeling op zich, maar wel tegen maatregelen die van staatswege worden opgelegd voor herverdeling. In zoverre er herverdeling kan plaatsvinden, moet die een bijproduct zijn van de markt. Met andere woorden, Hayek is er van overtuigd dat een onzichtbare hand eventueel kan zorgen voor herverdeling – hier zien we het ideaalbeeld van de perfect democratische vrije markt. Concrete maatregelen, zoals het inrichten van collectieve diensten of progressieve belastingschalen, worden door hem afgewezen als vrijheidsberovend.

Collectieve goederen betekenen nog een andere bedreiging voor de individuele economische vrijheid. De reden hiervoor is dat het bestaan van collectieve goederen of diensten vaak gepaard gaat met een monopolie. Zo waren openbaar vervoer, nutsvoorzieningen zoals elektriciteit en water, en telefonie lange tijd het alleenrecht van de overheid. De overheid monopoliseerde deze goederen omwille van hun specifieke karakter: het waren dingen die iedereen nodig heeft en die, wanneer ze niet beschikbaar zijn leiden tot armoede en kansenbeperking. Het doel van de overheid was dus positieve vrijheid, gedreven door het gelijkheidsideaal. Voor de neoliberaal is dit evenwel een verschrikking. Als collectieve goederen gepaard gaan met een monopolie, wordt een individuele ondernemer het recht ontzegd om een bepaalde economische activiteit te ontplooien. Hij kan zijn kapitaal niet investeren zoals het hem belieft. Hem wordt, aldus Hayek, de vrije beschikking over zijn goederen ontzegt. Maar ook als collectieve goederen bestaan in een sector waar nog andere private spelers actief zijn, is de kans reëel dat de vrijheid van de private spelers beperkt wordt. Immers, in vele gevallen zullen de collectieve goederen beheerd worden door de staat. Die kan, aldus Hayek, een heel arsenaal aan middelen inzetten om de private spelers uit de markt te drijven. Zo kan de staat naast zijn economische gewicht ook zijn wetgevende macht inzetten om andere spelers uit de markt te verdrijven. Kortom, collectieve goederen bedreigen de economische vrijheid van private individuen en zijn daarom volstrekt uit den boze. 

Deze neoliberale invulling van vrijheid, met zijn afkeer voor collectieve goederen en de verwerping van de gelijkheidsgedachte die eraan onderliggend is, is de ideologische basis waarop de privatiseringsgolven van de laatste 30 jaar zijn voltrokken. Hierbij dient opgemerkt te worden dat deze ideologische basis verder werd aangevuld met het economisch argument dat markten altijd efficiënter zijn dan collectief georganiseerde diensten. Wat ook de theoretische merites van dit economische argument mogen zijn, de vele voorbeelden van volledig geprivatiseerde markten die minder goed presteren dan collectief georganiseerde diensten, geven aan dat die efficiëntie in de praktijk eerder tegenvalt. 

Vrijheid en mogelijkheid

We hebben hierboven reeds opgemerkt dat Hayeks vrijheidsconcept een formeel concept is. Dat komt duidelijk naar voor in het feit dat hij een volledige scheiding doorvoert tussen vrijheid enerzijds en de mogelijkheid om die vrijheid uit te oefenen anderzijds. Het onderliggende mensbeeld is daarbij van groot belang. 

Net zoals iedere Belg heb ik, even goed als Davignon of Lippens in beginsel de vrijheid en het recht om mij op gelijk welke economische markt te begeven en te trachten mijn rijkdom te vergroten. Ik ben aan dezelfde wettelijke verplichtingen en rechten onderworpen als beide heren. In zekere zin zou je kunnen zeggen dat ik over dezelfde eigendomsvrijheid beschik, en dat ik dus op de democratische vrije markt kan gaan concurreren met Davignon en Lippens. In de echte wereld is er echter natuurlijk een enorm verschil tussen de gemiddelde Belg en deze twee Belgische epigonen van het mondiaal financierskapitaal. Ze hebben naast het recht om zich op de markt te begeven en daar te doen wat ze willen, ook de macht, de middelen en de mogelijkheid om die vrijheid daadwerkelijk uit te oefenen. Ik daarentegen heb die macht of mogelijkheid niet omdat ik niet over de noodzakelijke middelen beschik om de wettelijke en principiële vrijheid, die ons allen in dezelfde mate gegarandeerd is, uit te oefenen. Ik kan gewoonweg geen vijf miljoen Euro investeren in een activiteit naar keuze. In zekere zin kan je dus stellen dat we niet allemaal over dezelfde economische vrijheid beschikken, simpelweg omdat we niet allemaal dezelfde middelen hebben.[6]

Hayek, en in zijn zog andere neoliberalen, weigeren echter de mate waarin iemand in realiteit beschikt over middelen om zijn vrijheid uit te oefenen, te zien als een onderdeel van die vrijheid. Voor hen volstaat het dat de wet aan iedereen dezelfde abstracte vrijheid geeft om zich op de markt te begeven en daar te doen wat hij wil met zijn private eigendom. 

Het probleem met deze opvatting is dat de macht en mogelijkheden van de een de mogelijkheden van de ander ernstig kan beperken. We bespreken hieronder een aantal voorbeelden die aangeven in hoeverre het artificieel scheiden van vrijheid en de mogelijkheid tot het uitoefenen van die vrijheid wel degelijk effect heeft op het leven van de meeste mensen. 

Het eerste voorbeeld raakt ons allemaal en heeft te maken met het recht op (waardig) werk. Net zoals huizen, pc’s en auto’s, is arbeid een koopwaar die verkocht en gekocht wordt op een economische markt. Het kopen en verkopen van arbeid is een private aangelegenheid tussen twee private partijen en dat contract moet volledig vrij kunnen onderhandeld worden door die partijen zonder overheidsbemoeienis. Werkgever en werknemer zijn voor Hayek volmaakt gelijke partijen in deze transactie. In concreto betekent dit dat het niet aan de overheid is om minimumlonen op te leggen. Als een persoon bereid is om tegen een hongerloon zijn arbeid te verkopen, mag de overheid daar niet in tussen komen. Dit zou immers de vrijheid van zowel de verkoper van de arbeid als de koper aantasten. De vrijheid van arbeider of bediende om te werken tegen een loon waarvan hij niet kan overleven, mag door de overheid dus niet geschonden worden. De keuze voor een hongerloon is immers een gevolg van de negatieve vrijheid van beide partijen tijdens de transactie, en elke beperking daarvan zou een vorm van geweld zijn.

Hayek, en met hem vele neoliberalen, lijken echter te vergeten dat de echte arbeidsmarkt verre van symmetrisch is. Het is geen plaats waar gelijken elkaar ontmoeten om te onderhandelen over de prijs van het aangeboden goed arbeid. De meeste mensen die zich op de arbeidsmarkt begeven, hebben geen andere mogelijkheid om te overleven. Ze zijn verplicht om op de markt hun arbeidskracht te verkopen in de hoop daarvoor een prijs te krijgen die hen in staat stelt te overleven. Diegenen die arbeid willen kopen, staan in een veel gunstigere positie. Allereerst zijn zij zijn niet verplicht om zich op die markt te begeven om te overleven. Ze beschikken over middelen die hen toelaten zonder al te veel problemen op een comfortabele manier te leven. Als ze zich op de markt begeven, is het om die middelen in te zetten om nog meer rijkdom te vergaren, maar daar zijn zij allerminst toe gedwongen. Ten tweede is het zo dat de aanbieders van arbeid veel talrijker zijn dan de aankopers, waardoor die laatsten ten volle de concurrentie tussen de aanbieders kunnen laten spelen. De ene partij heeft dus veel meer keuze dan de andere. Dit geeft hen een veel grotere macht om de voorwaarden van het contract en dus ook de prijs te bepalen – dat discussies over “loonlast” opduiken in tijden van hoge werkloosheid is dan ook geen toeval. 

Het reële machtsonevenwicht dat op de arbeidsmarkt heerst, is het gevolg van een lange historische ontwikkeling – onder meer door Marx beschreven als primitieve accumulatie – waarbij een groot deel van de bevolking de middelen werd ontnomen om zelf in hun levensonderhoud te voorzien en zo gedwongen werd om zich op de arbeidsmarkt te begeven. Dit proces van primitieve accumulatie wordt gekenmerkt door dwang en geweld. Met andere woorden, de machtsonevenwichten vinden hun oorsprong in praktijken die vrijheidsberovend zijn. Het is dan ook ironisch dat Hayek, onder het mom van vrijheid, machtsonevenwichten verdedigt die hun oorsprong vinden in de totale ontkenning van vrijheid. Dit onevenwicht lag overigens aan de basis van het syndicalisme: enkel wanneer arbeiders collectief onderhandelen wordt dit reële en structurele onevenwicht gecorrigeerd. 

Een van de belangrijkste verwezenlijkingen van de sociale strijd in de 20ste eeuw, en een belangrijk effect van de collectieve beweging van het syndicalisme, is het feit dat arbeid gedeeltelijk uit de vrije markt is gehouden. De arbeidsmarkt is na de tweede wereldoorlog streng gereguleerd: minimumlonen zorgden ervoor dat iedereen die werkte een menswaardig bestaan kon opbouwen, collectieve loononderhandelingen zorgden ervoor dat concurrentie tussen individuele arbeiders en bedienden werd opgeheven waardoor patroons het moeilijker hadden om de prijs van de arbeid te bepalen; werkloosheidsuitkeringen zorgden ervoor dat mensen die tijdelijk zonder werk zaten niet verplicht waren om gelijk welk werk te aanvaarden; andere vormen van sociale bescherming zorgden ervoor dat werkomstandigheden grondig verbeterden. Vanuit Hayeks standpunt zijn al deze verwezenlijkingen van sociale strijd echter een regelrechte aanval op de economische vrijheid van de ondernemer en de arbeider of bediende. Immers, ze werden allebei het recht ontzegd om zonder bemoeienis te onderhandelen op een markt. Wie de zaken echter nuchter en realistisch bekijkt, kan enkel vaststellen dat deze maatregelen de vrijheid van de meesten ten goede is gekomen. Door deze maatregelen werden de historisch gegroeide machtsonevenwichten voor een deel teniet gedaan. 

Het is niet verwonderlijk dat neoliberalen sinds de jaren tachtig getracht hebben om de regulatie van de arbeidsmarkt ongedaan te maken en de machtsonevenwichten terug ten volle te laten spelen op een “vrijgemaakte arbeidsmarkt”. Dat die “vrijmaking” van de arbeidsmarkt voor de meeste loontrekkenden geen zegen is, is al duidelijk geworden in het vorige hoofdstuk. Zoals daar reeds werd betoogd, heeft die flexibilisering gezorgd voor een aangroei van lage kwaliteitsjobs (korte contracten, lagere loonvoorwaarden, slechtere werkomstandigheden) en minder sociale bescherming. De aanslag op de collectieve dimensie van arbeid resulteert in datgene wat de historische aanleiding ervoor was: zwakke individuele werknemers met zeer beperkte vrije keuzemogelijkheden die moeten optornen tegen sterke werkgevers die een zee van keuzemogelijkheden hebben. 

De blinde vlekken van Hayek

Wat men ook moge vinden van Hayeks idee over vrijheid, zijn maatschappelijke analyse vertoont grote lacunes. Om het iets scherper te stellen: ze is onbestaande. In zijn analyses wijst hij terecht op het gevaar van grote machtsconcentraties in de handen van een staatsapparaat. Laat ons niet vergeten dat hij zijn oeuvre schreef in de periode van de Tweede Wereldoorlog en de Koude Oorlog. Maar vreemd genoeg blijft hij blind voor de enorme reële macht die grote economische spelers hebben en de bedreiging die van deze machtsaccumulatie uitgaat. Noteer dat het precies die machtsaccumulatie was die de oorspronkelijke “neoliberalen” Keynes en Lippman zagen als datgene wat het kapitalisme uiteindelijk de kop zou kosten. Alhoewel Hayek, in tegenstelling tot andere neoliberale denkers, een bepaalde vorm van overheidsregulatie toelaat en dus in principe de optie openhoudt dat de macht van grote economische spelers aan banden wordt gelegd, ontgaat het hem dat deze spelers zich makkelijk kunnen onttrekken aan dergelijke regulatie. Het kapitalisme heeft bij hem enkel een ideale gestalte. Dat grote economische spelers ook een veel grotere invloed hebben op de verschillende politieke beleidsniveaus en zo daadwerkelijk elke vorm van regulering kunnen verhinderen, is voor Hayek blijkbaar ook geen probleem. Nochtans is deze vorm van politieke beïnvloeding zeer reëel en nefast voor de vrijheid van veel mensen.

Het voorbeeld van het TTIP-handelsakkoord dat vandaag wordt onderhandeld tussen de EU en de VS, kan dienen om dit punt te illustreren. Dit akkoord, dat als doel heeft de handel tussen de EU en de VS vrij te maken door onder andere allerlei tolheffingen op te heffen, bevat een clausule die private bedrijven in staat stelt om landen aan te klagen als het bedrijf in kwestie van mening is dat de wetgeving van die landen hun investering in die landen bedreigt. Dit geeft private instellingen een nooit geziene macht om democratisch tot stand gekomen wetgeving naar de prullenmand te verwijzen. De politieke vrijheid van landen en hun bevolking om op democratische wijze hun eigen wetgeving op te stellen, wordt op die manier potentieel ondergraven. De economische vrijheid van bedrijven krijgt met andere woorden voorrang op de politieke vrijheid van individuen – het ideaal van Hayek, Friedman en hun volgelingen.

Dat deze merkwaardige zaken volgen uit de vrijheidsopvatting van Hayek heeft natuurlijk alles te maken met de manier waarop Hayek vrijheid invult. Merk op dat Hayek altijd spreekt over vrijheid in het enkelvoud. Hij ontkent niet dat er verschillende soorten vrijheden zijn zoals politieke vrijheden, economische vrijheden. Maar in zijn concrete analyse en argumentatie worden al die vrijheden samengeperst in een enkele vrijheid: de economische vrijheid om privaat bezit te accumuleren binnen een competitieve markt. Dit mag een pedante opmerking lijken, maar ze is niet onbelangrijk want deze manier van spreken maskeert een bepaalde politieke opvatting over vrijheid, namelijk dat vrijheid één en ondeelbaar is. Wanneer we over vrijheden in het meervoud spreken, dan laten we toe dat verschillende vrijheden met elkaar in conflict komen. Zo kan de vrijheid van private eigendom in conflict komen met andere vrijheden. Of laten we open dat economische vrijheid in conflict kan komen met sociale en politieke vrijheden. Maar voor Hayek, en in zijn zog de hedendaagse neoliberalen, is elk beperking van economische vrijheid een aanval op dè vrijheid tout court. Vandaar dat Hayek elke vorm van politiek die zelfs op minimale wijze de economische vrijheid beperkt, een eerste stap is op het hellend vlak naar totalitarisme. Alhoewel dergelijke monolithische opvatting over vrijheid het retorische voordeel biedt dat neoliberalen zichzelf kunnen voorstellen als de enige echte verdedigers van vrijheid, is het een ontkenning van de complexe interactie tussen verschillende soorten vrijheden. 

Voor Hayek en de zijnen, en in hoofdzaak bij Friedman, is de enige interactie tussen economische vrijheid en andere vrijheden er een waarbij de economische vrijheid de basis is voor alle andere vrijheden. We zagen dit eerder: er is een hiërarchie tussen de vrijheden, en zonder economische vrijheid geen andere vrijheden. Maar zo draait het neoliberale vrijheidsconcept uit op een schijnbare tautologie: alles wat compatibel is met de neoliberale economische vrijheid, zijn echte vrijheden, terwijl alles wat mogelijk in conflict komt met de neoliberale economische vrijheid per definitie schijnvrijheden of aanslagen op “de” vrijheid zijn. Als we dit aanvaarden, kunnen we niet anders dan Hayek gelijk geven. Als dit de definitie van vrijheid is, dan is het inderdaad zo dat elke inperking van economische vrijheid, alsook elk streven naar gelijkheid tussen mensen, een aanval betekent op vrijheid als dusdanig. Echter, Hayek noch zijn neoliberale volgers zijn er in geslaagd om een argument te geven waarom we deze definitie zouden aanvaarden. We doen er dus goed aan om de vereenzelviging van economische vrijheid met vrijheid in twijfel te trekken en een complexere interactie tussen economische vrijheid en andere vrijheden als uitgangspunt te nemen.

 

[1] Walter Lippman, The Good Society. New Brunswick: Transaction Publishers 2005 (eerste uitgave 1937). De historiek die volgt is gebaseerd op het standaardwerk van Serge Audier, Neoliberalisme(s): Une Archeologie Intellectuelle. Paris: Grasset.

[2] Het is nuttig te vermelden dat Hayek in 1874 de Nobelprijs Economie ontving, hetgeen hem als wetenschappelijk econoom aanzien gaf. De vader van het hedendaagse neoliberalisme moest zijn prijs echter delen met … Gunnar Myrdal, de vader van de hedendaagse Scandinavische welvaartstaat en iemand die ideologisch lichtjaren verwijderd was van de visie van Hayek.

[3] Zie Erich Fromm, The Fear of Freedom. London: Routledge & Kegan Paul 1942.

[4] Bij de neoliberale cult-auteur Ayn Rand neemt dit haast lachwekkende vormen aan. Zo is Rand van oordeel dat belastingen enkel op vrijwillige basis kunnen betaald worden. Zie voor een mooie bloemlezing Ayn Rand, Answers, New York: New American Library 2005.

[5] Milton Friedman, Capitalism and Freedom, Chicago: University of Chicago Press 1962.

[6] Op dit punt is lectuur aan te bevelen van Thomas Piketty, Le Capital au XXIe siècle, Paris: Seuil.

De paradox van Hayek, hoofdstuk 3 (draft, sneak preview)

 

Jan Blommaert & Karim Zahidi

(Ontwerp voor het derde hoofdstuk van “De Paradox van Hayek”, verschijnt medio 2014 bij EPO)

0022190dec450b2aa13906

Hoofdstuk 3:

De vrijheid verkwanseld

We hebben in het vorige hoofdstuk de notie van vrijheid geanalyseerd die we in het werk van Hayek en vele volgelingen vinden, en we hebben met nadruk op een aantal zaken gewezen. Ten eerste: dat Hayek een uiterst beperkte blik op vrijheid heeft. Hij ziet vrijheid nagenoeg uitsluitend als negatieve vrijheid – de vrijheid van beperkingen door derden – en binnen een zeer specifiek veld – de economische activiteiten die gericht zijn op de accumulatie van private eigendommen. Hayeks concept van vrijheid komt er dus op neer dat er geen beperkingen mogen opgelegd worden aan een individu in het proces van private eigendomsverwerving. Geld verdienen voor zichzelf verdraagt geen beperkingen en limieten. Wanneer een samenleving geen enkele beperking of limiet oplegt aan hoe individuen geld verdienen, dan spreken Hayek, Friedman, Rand en andere neoliberalen van een “vrije samenleving”. Wanneer samenlevingen dit wel doen, dan bevinden we ons op weg naar de ondergang, de tirannie en het lijfeigenschap. Immers, economische vrijheid primeert op alle anderen en is er de voorwaarde toe. Daarom beklaagt Hayek zich over het feit dat “we geleidelijk aan de vrijheid in economische zaken hebben opgegeven zonder dewelke persoonlijke en politieke vrijheden nooit bestonden in het verleden”.[1]

Mensbeelden

Onderliggend aan deze notie, zo beklemtoonden we eveneens, zien we een mensbeeld. De negatieve economische vrijheid die Hayek vooronderstelt een competitieve mens, die met elke andere concurreert in de vrije markt waarin private eigendommen moeten geaccumuleerd worden. Mensen zijn per definitie gelijk omdat de vrije markt waarop ze concurreren met anderen een perfect democratische en egalitaire markt is waarin elk individu gelijke kansen en keuzen heeft. We hebben erop gewezen dat dit laatste een complete idealisering is van een echte realiteit die door ongelijkheden wordt gekenmerkt. Etienne Davignon en een langdurig werkloze zouden in beginsel dezelfde kansen hebben op de ideale democratische markt. Dat verzinsel werkt tot wanneer er op die markt vijf miljoen Euro moet bovengehaald worden – het punt waarop we de fundamentele onevenwichten en ongelijkheden in de echte wereld in volle glorie te zien krijgen. De vrije concurrentie door vrije individuen – de schone wereld van Hayek – blijkt bij voorbaat bepaald te zijn door de wezenlijke ongelijkheden die op de echte markt spelen.

Noteer terloops dat dit concurrentieprincipe vaak vertaald wordt als een meritocratisch ideaal: als je maar zelf hard genoeg werkt lukt het je wel, en als het je lukt ben je een bijzonder en buitengewoon iemand. Lukt het je niet dan ligt de verantwoordelijkheid vooral bij jezelf, immers je bent niet in staat geweest om de (negatieve) vrijheid te gebruiken om het te maken Vanzelfsprekend is ook dit meritocratische ideaal een volkomen geïdealiseerde mythe (men spreekt niet ten onrechte van “the American dream”) die voorbijgaat aan de werkelijke en wezenlijke ongelijkheden die structureel andere trajecten in de samenleving aansturen. Dat die mythe voor werkelijkheid wordt genomen heeft veel te maken met het feit dat er wel degelijk voorbeelden zijn van individuen die erin geslaagd zijn om vanuit relatieve armoede zeer snel enorme fortuinen te vergaren. Echter, dergelijke gevallen zijn zeer grote uitzonderingen: steile opwaartse (of neerwaartse) mobiliteit is een sociologisch verwaarloosbaar feit.

De aantrekkingskracht van het meritocratisch ideaal is gebaseerd op het feit dat een meritocratisch systeem – d.w.z. een systeem waarbij individuen beloond worden op basis van verdienste en werk, in tegenstelling tot een een aristocratisch systeem – waar individuen beloond worden op basis van hun afkomst – democratisch en egalitair zou zijn. Maar, zoals de Britse socioloog Michael Young, die de term in 1958 introduceerde, opmerkte kan een meritocratisch systeem aristocratische trekjes vertonen. [2] Young stelde namelijk vast dat er binnen een dergelijk systeem een klasse kan ontstaan die alle politieke en economische macht die ze in handen heeft kan gebruiken om haar eigen bevoorrechte positie te verdedigen. Dit hoeft niet te verwonderen, diegenen die bovenaan de meritocratische ladder staan zijn diegenen die de macht hebben om de verdiensten van zichzelf en de anderen te beoordelen en te belonen. Een sterk staaltje van dergelijke zelfbedieningspolitiek zien we aan het werk in de discussie over de toplonen van CEO’s. Diegenen die in deze discussie als experts het hoge woord voeren, zijn precies diegenen die het meeste baat hebben bij het in stand houden van het systeem van toplonen. En, ze hebben recht van spreken – in tegenstelling tot u en ik – want ze hebben reeds bewezen verdienstelijker te zijn dan wij.

We zijn in onze kritiek van Hayek even die andere vorm van vrijheid uit het oog verloren: de positieve vrijheid, de vrijheid om zichzelf te ontplooien als mens, de vrijheid om elke mogelijkheid aan te grijpen en gelijk te blijven aan anderen. Ook aan dit concept van vrijheid ligt een mensbeeld ten gronde: het gelijkheidsideaal. Positieve vrijheid heeft enkel zin wanneer iedereen toegang heeft tot dezelfde mogelijkheden. Een samenleving waarin slechts een deel van de mensen toegang heeft tot een weelde aan mogelijkheden, en een ander deel helemaal niet, is geen vrije samenleving. Het andere deel van de bevolking beschikt immers niet over de positieve vrijheid om alle beschikbare mogelijkheden te benutten, waardoor die vrijheid geen vrijheid meer is, maar een privilege voorbehouden aan een bepaalde groep mensen. In zo een samenleving is discriminatie het basismechanisme van sociale processen: de ene kan en mag dit, de andere niet. Een maximale negatieve vrijheid – bijvoorbeeld, een staat die zich niet bemoeit met het reguleren van deze discriminaties – kan daaraan vanzelfsprekend niets verhelpen.

We kunnen beide patronen van vrijheid kort en schematisch samenvatten als volgt:

Negatieve vrijheid = vrijheid + concurrentie

Positieve vrijheid = vrijheid + gelijkheid

Deze schematiseringen zullen we in wat volgt uitwerken, en voor beide patronen wijzen op uitwassen en gevaren. Die analyse zal dan weer onderliggend zijn aan onze eigen visie op vrijheid, die we in hoofdstuk 4 zullen ontwikkelen.

De vrijheid van de slavenmeester

Het is opvallend dat aanhangers van beide patronen van vrijheid zich beroepen op de Liberale traditie – de Verlichting en haar uitlopers in de 19de eeuw. In die traditie spelen mensen als John Locke en John Stuart Mill een rol, maar ook Jean-Jacques Rousseau. Ze waren allemaal begaan met de schepping van een nieuwe vrije samenleving waarin precies de privileges van de aristocratie en de clerus – de exclusieve vrijheden die bestonden voor enkelen maar niet voor allen – het doelwit waren van hun kritiek. Bij al deze figuren was het gelijkheidsideaal in de ene of andere vorm aanwezig. Bij de eersten bestond het uit het benadrukken van het rationele potentieel dat elke mens intrinsiek bezit en dat in gelijke mate aan bod moet komen in de nieuwe samenleving. Het ging hier om een immateriële gelijkheid-in-beginsel, die verder door de “natuurwetten” zou geleid worden. Dat dergelijk gelijkheidsbeginsel kan leiden tot reële ongelijkheid is dan geen aanslag op het gelijkheidsbeginsel, maar een gevolg van de natuurwetten. Zoals we verderop zullen zien kan het werk van de 17de eeuwse liberale politieke denker Locke gezien worden als een op abstracte gelijkheid gebaseerde verrechtvaardiging van de grote reële ongelijkheid in het Engeland van de 17de eeuw.[3]

Rousseau ging evenwel verder. In zijn Discours sur l’Inégalitélegde hij de klemtoon op materiele gelijkheid als doelstelling in een ideale samenleving. Voor Rousseau was de menselijke samenleving de foute weg op gegaan op het ogenblik dat iemand zei: “dit stuk grond is van mij”. Vanaf dat moment zorgden niet de natuurwetten, maar de menselijke wetten van bezit, macht en ongelijkheid ervoor dat niet alle mensen hun rationeel potentieel konden ontwikkelen. Een samenleving die deze materiele ongelijkheden in stand houdt kon volgens Rousseau nooit vrij zijn. Vrijheid was een universeel gegeven en was dus enkel mogelijk wanneer de gelijkheid der mensen (alle mensen) een feit was.

De visie van Rousseau gaf aanleiding tot wat men de “radicale Verlichting” is gaan noemen, terwijl de andere visie de “gematigde Verlichting” (of voor Sternhell, de “Anti-Verlichting”) gestalte gaf.[4] De visie van Hayek en zijn volgelingen sluit om duidelijke redenen aan bij de tweede tendens, en Hayek, Friedman en vele anderen herleiden de hele Liberale traditie tot die tweede stroming.

Binnen die interpretatie van de Liberale traditie is, zoals we al zagen, gelijkheid geen prioriteit. We laten Milton Friedman uitvoerig aan het woord:

“De kern van de liberale filosofie is het geloof in de waardigheid van het individu, in diens vrijheid om het beste te maken van z’n capaciteiten en mogelijkheden op grond van het eigen inzicht, enkel beperkt door de regel dat hij het recht van anderen om hetzelfde te doen niet mag schaden. Dit houdt een geloof in de gelijkheid van de mens in een bepaalde zin in; in hun ongelijkheid in een andere zin. Elk persoon heeft gelijke rechten op vrijheid. Dit is een belangrijk en fundamenteel recht precies omdat mensen van mekaar verschillen, omdat de ene mens iets anders zal willen doen met z’n vrijheid dan de andere, en zodoende meer zal bijdragen dan een ander tot de algehele cultuur van de samenleving waarin zoveel mensen leven.

Een Liberaal zal daardoor een scherp onderscheid maken tussen gelijkheid van rechten en van kansen enerzijds, en materiele gelijkheid of gelijkheid van uitkomsten anderzijds. Hij kan zich erover verheugen dat een vrije samenleving in realiteit neigt naar grotere materiele gelijkheid dan in elk ander systeem dat ooit is getest. Maar hij zal dit zien als een nastrevenswaardig nevenproduct van een vrije samenleving, niet als haar voornaamste reden van bestaan. Hij zal maatregelen verwelkomen die zowel vrijheid als gelijkheid bespoedigen – zoals maatregelen om monopolievorming tegen te gaan en de werking van de markt te verbeteren. Hij zal private liefdadigheid, gericht op hulp aan de minder fortuinlijken, zien als een goed gebruik van vrijheid. En hij kan overheidsmaatregelen goedkeuren die armoede bestrijden, als een meer effectief middel om de grote massa van de gemeenschap dezelfde gemeenschappelijke doelen te laten nastreven. Hij zal dat echter met tegenzin doen, omdat het gedwongen actie in de plaats stelt van vrijwillige actie.

De voorstander van gelijkheid (“egalitarian”) zal even ver gaan. Maar hij zal nog verder willen gaan. Hij zal verdedigen dat men van de ene neemt om het aan anderen te geven, niet als een effectiever middel waarbij “sommigen” een doel kunnen bereiken dat ze willen bereiken. Hij zal het verdedigen uit hoofde van “rechtvaardigheid”. Op dat punt komt gelijkheid in scherp conflict te staan met vrijheid; en men moet keuzen maken. Men kan geen voorstander van gelijkheid in deze zin zijn, en tegelijkertijd een liberaal.”[5]

Duidelijker kan men het onderscheid tussen gelijkheid en vrijheid moeilijk maken: elke georganiseerde poging tot herverdeling staat haaks op de vrijheid zoals Friedman die begrijpt. Immers, zoals in het vorige hoofdstuk reeds werd besproken, impliceert herverdeling op één of andere manier dat de vrijheid om onbeperkt private rijkdom te vergaren en die te gebruiken zoals men wil, wordt aan banden gelegd. Gelijkheid is louter een abstracte zaak van vrijheid en kansen – elk mens wordt vrij geboren en heeft in beginsel dezelfde rechten en mogelijkheden als elke andere. De grens van deze vrijheid is het latente en abstracte recht van anderen op diezelfde vrijheid. Het gaat hier dus om gelijkheid als vertreksituatie in een competitieve samenleving, waarin de ene nu eenmaal meer zal realiseren en bijdragen dan de andere. Gelijkheid als uitkomst is dan ook simpelweg onliberaal of antiliberaal, en, ja, men moet als mens harde keuzen maken. Een volbloed Liberaal kan zich voor Friedman en andere neoliberalen uit de traditie van Hayek nooit achter een gelijkheidsproject scharen – de suggestie van enige vorm van “collectivisme” was voor Hayek meteen voldoende aanleiding tot doembeelden van Hitler en Stalin, en van een nieuwe vorm van “slavernij” die op de loer lag voor ons.

Maar die weigering om gelijkheid als uitkomst te realiseren toont onmiddellijk ook het abstracte en volstrekte utopische karakter van gelijkheid als vetreksituatie aan. De vetreksituatie van een individu is in grote mate gedetermineerd door de situatie van zijn directe omgeving: wie uit een welstellend gezin komt, heeft nu eenmaal meer kansen dan iemand die opgroeit in een arm gezin. Of anders gezegd de vertreksituatie van een kind is in grote mate bepaald door de uitkomstsituatie van het gezin. De facto betekent dit dat de gelijkheid van vetreksituatie enkel kan gerealiseerd worden als er ook gestreefd wordt naar gelijkheid als uitkomst. Hayek en Friedman erkennen weliswaar de ongelijkheid in vetreksituatie vandaag, maar deze wordt door hen ofwel geminimaliseerd ofwel als rechtvaardiger beschouwd dan een situatie waarin deze reële verschillen worden weggewerkt door herverdeling

We komen zo tot de paradox die we al eerder identificeerden: de vrijheid van Hayek en z’n aanhangers veronderstelt de ongelijkheid van mensen. In de visie van Hayek is dit een simpel gevolg van het individualisme dat onze Westerse samenleving karakteriseert sinds de 18de eeuw – we zijn nu eenmaal mensen geworden die graag hun zin doen en niet graag het gezag van anderen aanvaarden, en we concurreren dus spontaan en graag met anderen. Daardoor – zo hoorden we van Friedman – zal de ene meer bijdragen tot de “algemene cultuur van de samenleving” dan anderen. Dat is vanzelfsprekend, moreel volstrekt te rechtvaardigen en dus goed. We zien hier opnieuw het meritocratische ideaalbeeld opdoemen, waarin meer begaafde mensen het beter zullen doen dan anderen die minder capaciteiten, kracht of toewijding vertonen. Deze ongelijkheden zijn trouwens net de motor achter ons systeem: het is dankzij deze supermensen dat het kapitalisme van vernieuwing naar vernieuwing zeilt en meer voorspoed, vrijheid en democratie produceert dan ooit in de geschiedenis.

Het is een logica met donkere kantjes. Ze leidt immers tot het inroepen van vrijheid als het sleutelargument om te discrimineren. De partij van Geert Wilders heet, geheel in die logica, de “Partij voor de Vrijheid”, en ook de extreemrechtse Italiaanse partij die ijvert voor de afscheiding van Zuid-Tirol draagt trots de naam van Die Freiheitlichen. Dichter bij ons ontving de Antwerpse hoogleraar Matthias Storme in 2004 de “Prijs voor de Vrijheid” van de liberale organisatie Nova Civitas voor zijn pleidooi voor de vrijheid om te discrimineren. Binnen de hier geschetste logica was Storme van oordeel dat we in een onvrije samenleving leven omdat er een antidiscriminatiewetgeving bestaat, terwijl een mens maar echt vrij is wanneer hij/zij z’n medemens ongehinderd kan discrimineren.[6] Meer nog, de vrijheid om te discrimineren is de fundamenteelste vrijheid binnen ons liberaal en democratisch samenlevingsmodel, zo stelde Storme, toegejuicht door een publiek van mensen die zichzelf als volbloed en “traditionele” liberalen aanzien, en vertegenwoordigers van het Vlaams Belang. Ook Geert Wilders zou hier tegen allicht geen verzet hebben aangetekend. Hij bepleitte enkele jaren terug de afschaffing van artikel 1 uit de Nederlandse Grondwet – het artikel dat luidt:[7]

“Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan”.

Men doet dat soort zaken nogal snel af als uitwassen, als een Liberalisme dat de pedalen kwijt is. Helaas klopt dat niet. In Liberalism: A Counter-History vertrekt Domenico Losurdo van de vraag hoe het kon dat de auteurs van de Amerikaanse onafhankelijkheidsverklaring – een centraal document over menselijke vrijheid en een klassieker uit de Verlichting – zelf slavenhouders waren.[8] George Washington, Thomas Jefferson en andere Founding Fathers waren eigenaars van hoge aantallen slaven, die uiteraard niet mee genoten van de fundamentele vrijheden die de Declaration of Rights als universeel en onvervreemdbaar beschreef: het recht op leven en persoonlijke vrijheid, het recht op privaat eigendom, op geluk en veiligheid.

Losurdo beschrijft hoe de grondleggers van het Liberalisme, met hun nadruk op menselijke vrijheid, wel degelijk verveeld zaten met de kwestie van de slavernij. Hun bezwaren en ongemak brachten hen echter “niet tot het punt waarop ze het ‘eigendomsrecht’ in vraag stelden waarop de welvaart en de sociale invloed gebaseerd waren van de klasse-protagonist [d.i. de handelsklasse] in de strijd voor het zelfbestuur van de middenklasse”.[9] Immers, de slaaf werd niet gezien als een mens maar als een voorwerp, een instrument voor productie op gelijke hoogte met een paard of een ploeg. En dergelijke voorwerpen vielen nu eenmaal binnen de ruimte van private eigendom. Bovendien werd slavernij voorgesteld als aanvaardbaar in koloniale gebieden zoals de VS, maar niet in het Britse moederland. Het Liberalisme van die tijd maakte dus onderscheid tussen gebieden waar de volle Liberale vrijheden golden en gebieden waar ze met een grotere elasticiteit en exclusiviteit konden verdeeld worden. En tenslotte was er ook het raciale criterium: blanken konden geen slaven zijn. Het is in dat opzicht nuttig te vermelden dat bij het begin van de Amerikaanse onafhankelijkheidsbeweging het argument frequent gebruikt werd dat de Britten hun blanke koloniale onderdanen in Amerika als “negroes” behandelden – wat uiteraard volkomen schandelijk en onaanvaardbaar was.

Losurdo wijst hier op het pijnpunt dat we eerder al aangaven: het kreupele gelijkheidsdenken dat aan de grondslag lag van het Liberale denken in de zin van Hayek. De Amerikaanse rebellen streden voor, en schreven met grote pathos over, een nieuwe democratische republiek van vrije en gelijke mannen. Die vrije en gelijke mannen waren slechts een deel van de gehele bevolking: zij die zowel materieel als geestelijk “onafhankelijk” en sterk (en daarom vrij) waren. Vrouwen waren zwak en vielen dus niet in de categorie van gelijken; hiervoor werd een “natuurlijke orde” ingeroepen die de “natuurlijke rechten” ongelijk verdeelde. En wat slaven betrof: zij vielen binnen de ruimte van private eigendom en economische vrijheid, en konden dus evenmin de “natuurlijke” of “door God gegeven” rechten en vrijheden genieten die de vrije, welgestelde blanke mannen genoten. Hetzelfde gold voor de arbeiders. Alhoewel ze niemands eigendom waren en dus een zekere mate van vrijheid genoten, konden ze geen aanspraak maken op dezelfde rechten en vrijheden als de welgestelden precies omdat ze over geen private eigendom beschikten. Ze waren uitgesloten van de “republiek der gelijken”.

Merk op hoe het primaat van economische vrijheid en private eigendom hier al de kern is van het systeem dat onderscheiden organiseert tussen mensen, dat dus discrimineert. Het is omdat mensen vrij moeten zijn als economische actor, en dat hun aldus verworven private eigendommen volstrekt onaantastbaar zijn, dat ongelijkheden binnen de samenleving onvermijdelijk en zelfs vanzelfsprekend worden. Hayeks en Friedmans standpunten hebben dus een lange stamboom die volgens Losurdo terugloopt tot de 18de en 19de eeuw. Het is John Locke die politieke macht al omschrijft “als tirannie, en dus als een vorm van geweld, van zodra ze de private eigendommen van de dominante klassen bedreigt”.[10] Het is ook het primaat van private eigendom dat kolonisatie legitimeert, alsook, in Engeland, het in beslag nemen van gemeenschappelijke grond door private eigenaars. Het argument was immers dat deze gebieden daar “ongebruikt” lagen, en dat doorgedreven economische activiteit een vanzelfsprekend eigendomsrecht verleende aan degene die het in beslag en in gebruik nam. De Britse aristocraat die beslag legde op gemeenschappelijke gronden kon inroepen dat deze gronden onvoldoende intensief verbouwd werden, en dus “niemands bezit” waren.[11] Als hij het voornemen uitsprak om deze waardeloze grond om te zetten in winstgevend kapitaal was hij er de rechtmatige eigenaar van. Dezelfde logica werd uiteraard later gebruikt door regeringen in verband met koloniale bezittingen.

Degenen die deze grond bewoonden en bewerkten voor de privatisering ervan – kleine Britse boeren of Indianen en Afrikanen – werden dan van eigenaars omgetoverd tot werkkrachten ten dienste van privaat kapitaal, en ze konden geen enkel recht meer laten gelden op het – nu geprivatiseerde – land. De zogenaamde Black Act van 1723 zorgde ervoor dat “jagen” op het land van een Britse landeigenaar (een activiteit die de plaatselijke bewoners al sinds mensenheugenis beoefenden) plotseling “stropen” werd, en het weghalen van dood brandhout plots als “diefstal” werd gedefinieerd – en met de dood werd bestraft.[12] Het primaat van private eigendom was absoluut, en overtreding ervan werd gezien als het meest vreselijke vergrijp, ernstig genoeg voor de doodstraf.

We zien hier de discriminerende en aristocratische tendensen aan het werk die we eerder al ontmoetten. Een bezittende klasse beroept zich op een individualistische notie van economische vrijheid; het selectieve genot van deze vrijheid houdt deze elite in stand en reproduceert zo de ongelijkheden die aan de start van dit proces al aanwezig waren. Slavernij werd daardoor pas afgeschaft toen het Liberalisme al lang gemeengoed was; de wettelijke discriminaties die er in de VS de nasleep van vormden kwamen in The Land of The Free pas in de tweede helft van de 20ste eeuw tot een einde. Algemeen enkelvoudig stemrecht dat niet langer gebaseerd was op inkomen werd in Europa pas na de Eerste Wereldoorlog ingevoerd; en in België moesten vrouwen wachten tot 1948 vooraleer zij stemrecht kregen en eindelijk deel werden van de “vrije samenleving” die de grondleggers van het klassieke Liberalisme hadden beloofd. De notie van negatieve vrijheid die deze stroming karakteriseert heeft dus ruim twee eeuwen van ongelijkheid op z’n conto – en niet als gevolg van uitwassen of afwijkingen, wel als gevolg van de interne logica van het systeem dat het schiep. Zowel slavernij als kolonialisme worden door Losurdo niet gezien als aberraties van het Liberalisme, wel als typische veruitwendigingen ervan.

Het wegwerken van deze ongelijkheden was dan ook niet het werk van aanhangers van dit concept van vrijheid: het was het gevolg van een grootschalige tegenbeweging – van arbeiders, vrouwen en koloniale onderdanen. De vrijheid die Hayek aanhing heeft de emancipatie van slaven, het stemrecht voor vrouwen en de onafhankelijkheid van Afrikanen niet in de hand gewerkt, integendeel – al deze verwezenlijkingen werden aangedreven door dat andere vrijheidsconcept, het positieve begrip van vrijheid dat zich beroept op gelijkheid. Maar ook in die hoek werd de vrijheid op vele momenten en manieren verkwanseld. Laat ons dit nu van dichterbij bekijken.

De vrijheid is van de partij

Het is goed in gedachten te houden dat Hayek zijn grote werken schreef in de periode van de Tweede Wereldoorlog en de daarop volgende Koude Oorlog. We moeten ook in gedachten houden dat hij die werken schreef in de nasleep van de Grote Depressie in de VS, die een wereldwijde crisis had veroorzaakt en in Duitsland de fascistische NSDAP van Hitler wind in de zeilen had gegeven. Ook in Italië en Spanje waren dictators aan de macht gekomen die korte metten maakten met politieke en andere opposanten. En de Oktoberrevolutie met de daarop volgende burgeroorlog hadden de Sovjetunie geschapen, waar zeker na het overlijden van Lenin en het aantreden van Stalin een sinister totalitair regime was ontstaan.

Nazi-Duitsland en de Sovjetunie hadden bovendien allebei een nieuw en experimenteel economisch model ingevoerd, gebaseerd op collectieve discipline, niets ontziende inzet en meticuleuze economische planning. De idee van een geplande economie – het grootste schrikbeeld voor de Liberalen van die tijd – won voortdurend terrein tijdens de crisisjaren van de jaren 1930 in Europa. In Frankrijk kwam in 1936 een linkse Front Populaire regering aan het bewind, en in België ontwikkelde de socialistische voorman Hendrik De Man zijn Plan van de Arbeid als antwoord op de economische crisis en het oprukkende fascisme.

Waarnemers begaan met het voortbestaan van het kapitalisme hadden dus voldoende om zich zorgen over te maken. In The Good Society waarschuwde Walter Lippman er herhaaldelijk voor dat er met Hitler en Stalin alternatieven voorhanden waren voor het kapitalisme zoals we dat kenden. Als dat kapitalisme wilde overleven dan zou het van koers moeten veranderen. John Maynard Keynes was uiteraard dezelfde mening toegedaan, Joseph Schumpeter schreef met Capitalism, Socialism and Democracy (1942) een klassieker in de vergelijkende politieke economie, vol waarschuwingen voor de gevaren van zowel kapitalisme als socialisme.[13]

Bij Schumpeter werd al duidelijk dat men niet enkel begaan was met de overlevingskansen van een economisch systeem: ook de democratie stond op het spel. Ook Hayek zag dit zo: in The Road to Serfdom spendeerde hij vele pagina’s om de diepere socialistische wortels van het Nazisme bloot te leggen (een idee die later ook bij Wilders graag werd overgenomen). Nazisme was, zoals socialisme, gebaseerd op collectivisering en planning door de overheid, die op die wijze het individuele initiatief onmogelijk maakte, en zo meteen ook de democratie afschafte. Deze “methode” was onvermijdelijk verbonden met de socialistische idealen, en ze was vanzelfsprekend, in Hayeks ogen, een vijand van de menselijke vrijheid.[14] Karl Poppers The Open Society and Its Enemies (geschreven tijdens de Tweede Wereldoorlog) zou dit gegeven later nog verder uitdiepen, en tot de conclusie komen dat enkel de liberale democratie een optimaal vrije en open samenleving kon garanderen.[15] Boeken zoals die van Hayek en Popper werden Koude Oorlog bestsellers.

De kritiek op het totalitaire en antidemocratische karakter van het Sovjetsysteem onder Stalin bleef evenwel niet beperkt tot auteurs uit het kapitalistische kamp. Ook volbloed socialisten en communisten keerden zich massaal tegen het stalinistische systeem. Libertair geïnspireerde marxisten zoals Rosa Luxemburg en Anton Pannekoek waarschuwden al vroeg voor bepaalde autoritaire tendensen binnen de Russische communistische partij.[16] Van Trotsky (Stalins grootste slachtoffer) verscheen in 1941 een vernietigende biografie over Josef Stalin;[17] George Orwell – een toegewijd libertair socialist die vocht in de Spaanse Burgeroorlog– schreef met Animal Farm (1945) een klassieke en vlijmscherpe allegorie op de anti-egalitaire hypocrisie van het Sovjetsysteem;[18] in het naoorlogse Frankrijk publiceerde de groep Socialisme ou Barbarie, met o.a. Claude Lefort en Cornelius Castoriadis onder haar leden, vanaf 1948 kritische studies over het Sovjet-systeem. Het overlijden van Stalin in 1953 joeg een wind van vernieuwing doorheen de socialistische wereld. Die vernieuwing werd echter snel teruggedraaid toen Sovjettroepen in 1956 Hongarije binnen trokken om daar de lichtjes dissidente nieuwe regering te vervangen door een orthodoxe, die netjes op de maat van Moskou zou dansen. Die herstalinisering leidde tot een uittocht van leden uit Communistische partijen doorheen heel Europa en leidde tot de oprichting van een hele reeks nieuwe linkse organisaties die doorgaans onder het label New Left worden gerangschikt. De voormannen van de New Left – Ralph Miliband, Raymond Williams, E.P. Thompson en anderen – waren radicale antistalinisten die de democratische beloften van het socialisme beklemtoonden, en daarom genadeloos kritiek uitbrachten op communistische regimes die op dat vlak tekort schoten.

Dit korte overzicht toont aan dat er van bij het ontstaan van de Sovjet-Unie vanuit marxistische hoek met kritische blik werd gekeken naar de ontwikkelingen in het “Vaderland van het proletariaat”.[19] En die kritiek draaide in grote mate draaide rond democratische en egalitaire aspecten van dat politieke systeem. Liberale critici, zoals Hayek en Popper, van het socialisme in het algemeen en van de Sovjet-Unie in het bijzonder, hebben dus niet het alleenrecht op die kritiek en het is dan ook misleidend om hun liberalisme te zien als de enige politieke filosofie die vrijheid en democratie hoog in het vaandel voert.

En er was wel wat om kritiek op te leveren. Terwijl in het hart van het socialisme een mensbeeld stond dat universele gelijkheid en de onvervreemdbare waardigheid van alle mensen beklemtoont – een erfenis van de jonge Marx, zoals Erich Fromm aantoonde[20] – en het politieke programma van het socialisme een streven inhield naar een totale democratie, zag men in de realiteit van het Sovjetregime een verpletterend en antidemocratisch totalitarisme. Aan de hand van een uiterst nauwe, zeer betwistbare maar onwankelbaar doctrinaire interpretatie van de geschriften van Marx, Engels en Lenin werd het ideaal van gelijkheid vervangen door een realiteit van uniformiteit – in gedrag zowel als in denken. Wat dit laatste betreft: de nauwe en betwistbare interpretatie van (een beperkt aantal) Marxistische geschriften maakte een scheiding mogelijk tussen “correcte” en “afwijkende” interpretaties. De Partij was daarenboven de perfecte incarnatie en vertegenwoordiging van het proletarische bewustzijn en ervaring, en was dus het enige orgaan dat de ‘correcte” interpretatie kon bepalen. Vermits de correcte interpretatie de enige was die volkomen “wetenschappelijk” was, en de Partij een volmaakte weergave bood van het proletarische bewustzijn, waren afwijkende meningen onwetenschappelijk, fout, en ideologisch-politiek geïnspireerd.[21]

De processen van Moskou – breed gemediatiseerde processen tegen prominente politieke dissidenten tussen 1936 en 1938 – waren dan ook beschamende oefeningen in politieke semantiek, waarbij een echte of vermeende uitspraak van de beklaagde, een persoonlijke voorkeur voor een persoon, schrijver of componist gelezen werd als een onweerlegbaar bewijs van een complot tegen het proletariaat, dat vanzelfsprekend enkel met de dood kon worden bestraft. Revolutionairen van het eerste uur zoals Zinoviev en Kamenev moesten eraan geloven. Trotsky, de balling, zou later in Mexico zijn executie ondergaan. De legertop werd grondig gezuiverd (hetgeen bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog tot een gebrek aan ervaren commandanten leidde), en ook kunstenaars en intellectuelen – soms met een eigen mening over het werk van Marx – moesten eraan geloven.[22] Een wel bijzonder tragisch geval is dat van David Ryazanov, het hoofd van het Marx-Engels archief in Moskou. Ryazanov was zonder twijfel een van de allergrootste Marx-kenners ooit, en als we vandaag beschikken over een ruime hoeveelheid uitgegeven geschriften van Marx, Engels en andere vroege auteurs uit de arbeidersbeweging, dan heeft Ryazanov een zeer grote bijdrage daartoe geleverd. Het probleem dat Ryazanov trof was echter dat een deel van zijn onderzoek, vaak op onuitgegeven bronnen, fundamentele afwijkingen dreigde op te leveren van de bestaande stalinistische doctrine. Hij werd in 1938 opgepakt en na een summier proces waarin hij als Trotskist werd aangewezen om het leven gebracht.[23]

Het Sovjetregime was vertrokken van de belofte dat arbeiders en boeren een beter leven zouden hebben wanneer de historische ongelijkheden waren weggewerkt – voor de boeren betekende dat zelfs in het begin van de 20ste eeuw nog vaak lijfeigenschap. Men kan de Sovjetunie en haar systeem ook redelijkerwijze een aantal verdiensten niet ontzeggen: het herschiep een feodaal land tot een land waarin onderwijs en gezondheidszorg voor allen beschikbaar werden gesteld. Lenin hechtte veel belang aan onderwijs, en het geletterdheidsniveau van de plattelandsbevolking was in 1937 drie keer zo hoog als voor de Oktoberrevolutie.[24] Regimes elders in de wereld die zich lieten inspireren door socialistische idealen boekten vergelijkbare successen inzake onderwijs aan de massa – in het socialistische Tanzania onder Julius Nyerere leidde een grote geletterdheidscampagne in 1972-1975 tot zowat twee miljoen nieuw geletterde burgers, die nu in staat waren om kranten en beleidsdocumenten te lezen, en zo zichzelf konden emanciperen als democratisch burger.[25] Ook in landen als Cuba, de Volksrepubliek China en Vietnam zag men het zelfde.

Die verwezenlijkingen kunnen evenwel het democratische en socialistische deficit van het Sovjetregime en gelijkaardige regimes niet wegwerken. Het Rode leger van Mao Zedong bevrijdde de Chinese bevolking van eeuwen feodale uitbuiting, brutalisering door lokale warlords en het schrikbewind van de Japanners en Chang Kai Shek. De grootschalige ontwikkelingscampagnes na de communistische revolutie in 1949 leidden echter tot zowat de grootste rampen uit de geschiedenis, met naar schatting tientallen miljoenen slachtoffers onder de plattelandsbevolking. Toen Mao door dit soort flaters onder druk kwam te staan binnen de Communistische Partij speelde hij gewetenloos zijn eigen populariteit uit en ontketende hij de Grote Proletarische Culturele Revolutie die vanaf de vroege jaren 1960 tot de dood van Mao in 1976 het land constant in de greep van de terreur hield, en het leven kostte aan rechtgeaarde socialisten zoals Liu Shaoqi.[26] De Maopakjes van de Rode Gardisten, en hun Rode Boekje met citaten uit het werk van Voorzitter Mao, waren treffende illustraties van de verschuiving van een gelijkheidsideaal naar een realiteit van idolatrie en uniformisering. Mao’s burgers beschikten over bitter weinig positieve vrijheid, en over nog minder negatieve vrijheid. Vrijheid werd samengevouwen in horigheid tegenover de Partij en haar Leider. Men was, met andere woorden, vrij om te volgen, niet om te leiden.

Verkwanselde vrijheden

We hebben nu gezien dat de twee tendensen in de interpretatie van vrijheid in de praktijk hebben geleid tot hun tegendeel. De eerste tendens, waarin vrijheid voortkwam uit concurrentie, ontaardde in discriminatie zonder vrijheid voor velen, terwijl het volle genot van vrijheid een privilege voor de elites werd. Het is de vrijheid van een oligarchie. De tweede tendens, waarin vrijheid voortkwam uit gelijkheid, schoof evengoed af naar een nadruk op misbegrepen gelijkheid – uniformiteit – zonder vrijheid. Vrijheid stond gelijk aan onderwerping. In theorie zijn beide noties van vrijheid perfect te verdedigen; de schoonheid van teksten die ze als abstracte waarden bezingen is adembenemend. In de praktijk zien we echter vaak dat vrijheid een slogan is die allerhande onvrijheden moet verantwoorden en rationaliseren. Een woord dat handig wordt gebruikt kan snel het tegendeel gaan betekenen van waar het eigenlijk voor staat.

Wat ook duidelijk is geworden, is dat vrijheid in beide tendensen wordt vereenvoudigd tot een enkel recept. Hayek en de zijnen zien alle heil in een volmaakte economische vrijheid om privaat eigendom te verwerven. Al de rest zal daaruit wel volgen. Hun tegenstanders zetten alles in op collectivisering en het verwerpen van selectieve, oligarchische macht – en kwamen snel bij het tegendeel ervan uit. Een voller concept van vrijheid – vrijheden die met mekaar in relatie staan en op elkaar inwerken – is dus nodig, en het volgende hoofdstuk wil daarvoor een aanzet zijn.

 

[1]Friedrich von Hayek, The Road to Serfdom, p. 67. Deze en alle andere vertalingen zijn van eigen hand.

[2] Michael Young, The Rise of the Meritocracy, London: Thames & Hudson, 1958

[3] Zie o.a. Ellen Meiksins Wood, Liberty and Property. A Social History of Western Political Thought from Renaissance to Enlightenment, London: Verso, 2012, p. 266 – 273

[4]Zie Jonathan Israel, A Revolution of the Mind: Radical Enlightenment and the Intellectual origins of Modern Democracy, Princeton: Princeton University Press, 2010. Zeev Sternhell, The Anti-Enlightenment Tradition, New Haven: Yale University Press, 2010.

[5]Milton Friedman, Capitalism and Freedom, p.195.

[6]Zie http://www.politics.be/duiding/523/. De tekst van Storme is te vinden op http://www.pearsoneducation.nl/winkler/pdf/De_fundamentele_vrijheid_om_te_discrimineren.pdf

[7]Zie voor een bespreking http://jmeblommaert.wordpress.com/2014/03/20/wilders-en-waarden-2/

[8]Donenico Losurdo, Liberalism: A Counter-History, London: Verso, 2011.

[9]Losurdo, p.40.

[10]Losurdo p.120-121.

[11] Het is opmerkelijk dat Locke een arbeidstheorie over bezit hanteerde volgens de welke een stuk land toekomt aan diegenen die het bewerkt. Het consequent toepassen van deze theorie zou echter leiden tot een veroordeling van grootgrondbezit en kolonialisme. Om dat te vermijden moet dan een beroep gedaan worden op de notie van efficiëntie.

[12]Zie E.P. Thompson, Whigs and Hunters: The Origin of the Black Act, London: Breviary Stuff Publications 2013 (eerste uitgave 1975).

[13]Joseph Schumpeter, Capitalism, Socialism and Democracy. New York: Harper 1942.

[14]Hayek, Road to Serfdom p.83.

[15]Karl Popper, The Open Society and its Enemies. Princeton: Princeton University Press, 1962.

[16] De belangrijkste werken van zowel Rosa Luxemburg en Anton Pannekoek zijn online te vinden op de website http://www.marxists.org. Luxemburgs kritiek op de Russische revolutie en het “leninisme” van de Russische sociaal-democratie is vervat in de artikels “Organizational Questions
of the Russian Social Democracy” en “De Russische revolutie”. Anton Pannekoeks kritiek vindt men in Lenin als filosoof. Een kritische beschouwing over de filosofische grondslagen van het leninisme. Amsterdam: Uitgeverij De Vlam.

[17]Leon Trotsky, Stalin: An Appraisal of the Man and His Influence. New York: Harper 1941.

[18]George Orwell, Animal Farm, London: Secker & Warburg, 1945.

[19] We beperken ons hier tot critici die zichzelf als marxisten beschouwden. Andere radicaal socialistische critici, zoals anarchisten, laten we hier buiten beschouwing. Niet omdat hun kritiek irrelevant zou zijn, maar wel omdat ze al kritisch stonden t.o.v. de marxistische basisprincipes die, al dan niet terecht, beschouwd worden als grondslag van de Sovjet-Unie.

[20]Erich Fromm, Marx’s Concept of Man, New York: Continuum, 1961.

[21]Een ernstige en evenwichtige bespreking van deze zaken is te vinden in David Priestland, De Rode Vlag: De Wereldgeschiedenis van het Communisme, Amsterdam: De Bezige Bij 2009.

[22]Zie Karl Schlögel, Terreur en Droom: Moskou 1937. Amsterdam: Atlas, 2011.

[23]Voor commentaren op (en van) Ryazanov, zie Theodor Shanin, Late Marx and The Russian Road, New York: Monthly Review Press, 1983.

[24]Sheila Fitzpatrick, Stalin’s Peasants: resistance and Survival in the Russian Village after Collectivization, Oxford: Oxford’s University Press, 1994.

[25]Jan Blommaert, State Ideology and Language in Tanzania, Edinburgh: Edinburgh University Press, 2014.

[26]Zie Frank Dikötter, Mao’s Great Famine, London: Bloomsbury, 2010. Voor de Culturele Revolutie, zie het buitengewoon gedocumenteerde werk van Yan Jiaqi & Gao Gao, Turbulent Decade: A History of the Cultural Revolution, Honolulu: University of Hawai’i Press, 1996.