Wie steunt een besparingspolitiek nog?

Jan Blommaert (en z'n gedachten)

Jan Blommaert

No-Austerity-protest

In het “World Economic Outlook” rapport van het IMF, gepubliceerd in oktober 2012, ging de hoofdeconoom van dit eerbiedwaardige instituut tot een opvallende bekentenis over. Olivier Blanchard is als hoofdeconoom bij het IMF één van de machtigste mensen in de wereldeconomie, en de World Economic Outlook rapporten worden over de gehele wereld gezien als toonaangevende richtlijnen voor de economische en fiscale politiek van regeringen. Welnu, in het rapport van 2012 gaf Blanchard toe dat het IMF over de voorbije jaren de vooruitzichten voor economische groei in landen die een radicale besparingspolitiek voerden systematisch overschat had. Het gaat om schattingen die gebaseerd zijn op een hele reeks paramaters, maar schattingen zijn nooit harde wetenschap. Wat Blanchard toegaf in zijn rapport kwam erop neer dat een toonaangevend instituut zoals het IMF zich in z’n ramingen liet leiden door een geloof, een ideologie zo U wil, die austeriteit (loonmatiging, afbouw van de overheidseigendommen…

View original post 1.663 woorden meer

Advertenties

Een Vlaanderen van Verliezers: Een analyse van het Regeerakkoord van de Vlaamse Regering

Ico Maly

halina

Een regeringsakkoord is altijd meer dan een feitelijk akkoord, het is ook altijd een stuk propaganda. Het moet zorgen dat kritiek zich slechts traag ontwikkelt en kristalliseert. Het staat dan ook meestal vol van de afkortingen, vakjargon en eufemismen. En in het geval van het Vlaamse regeerakkoord is dit verhullend taalgebruik massaal aanwezig. Onder de eufemismen van het Vlaamse Regeerakkoord schuilt echter een koude realiteit. Deze regering is niet alleen een besparingsregering, ze hertekent Vlaanderen op een structurele manier. Het regeerakkoord maakt van Vlaanderen steeds meer een neoliberale staat die Vlaanderen wil verenigen om te concurreren op een wereldmarkt. Dit regeerakkoord kan niet anders begrepen worden dan als een uiting van neoliberaal nationalisme. Het combineert een neoliberaal economisch beleid met een versterkte vervlaamsingspolitiek. Het resultaat is een samenleving die gekenmerkt wordt door structurele ongelijkheid en door een structurele herverdeling van arm naar rijk.

Neoliberaal nationalisme

Het is al langer geweten dat N-VA haar nationalisme koppelt aan het neoliberalisme. De partij surft daarbij mee op een economische doctrine die in de laatste decennia dominant geworden is. Sinds de economische crisis van 2008 staat deze doctrine echter steeds meer onder druk. In het academische veld zijn er nog maar weinig gezaghebbende economen te vinden die dit economische perspectief onderschrijven. Piketty hebben de regeringspartners duidelijk niet gelezen. Mochten ze dat gedaan hebben dan zouden ze weten dat deze doctrine niet alleen een aanslag inhoudt op de welvaartstaat, de middenklasse raakt en de ongelijkheid doet toenemen, maar dat het ook een aanslag is op de economie an sich. Ierland en IJsland zijn slechts twee voorbeelden. Achter een stijgend BNP op korte termijn, profiteert enkel een kleine elite op lange termijn.

Toch heeft N-VA net dat neoliberalisme in combinatie met een versterkt nationalisme gepromoveerd tot het centrale bindmiddel van de Vlaamse regering. Weliswaar valt hier en daar het woord “sociaal” of “groen”, het is onmiskenbaar dat deze enkele adjectieven louter dienen als schaamlapjes om dat radicaal-neoliberaal nationalisme aanvaardbaar te maken. Beide logica’s zijn zo dominant dat ze in elke sector van het beleid terug te vinden zijn. Het hoeft echter niet te verbazen dat deze centrale motieven niet expliciet vermeld worden in het beleidsplan. Het economische beleid wordt voorgesteld als efficiënt, krachtdadig en concurrentieel terwijl de natievormende beleidsmaatregelen beschreven worden als verbindend, in dienst van de sociale cohesie en neerzetten van Vlaanderen als merk. Dat verbaast op zich niet. Elke regering wil haar beleid graag voorstellen als normaal, noodzakelijk en niet ideologisch.

Deze regering doet echter wel heel veel moeite om het draconische beleid te verbloemen. Het woord “besparen” komt maar 6 keer voor in een regeerakkoord dat bol staat van de besparingen. Bovendien wordt in 3 van de 6 keer verwezen naar energiebesparingen en slechts 1 maal naar ‘echte besparingen’: besparingen in het overheidsapparaat. Gezien de densiteit van deze newspeak is het noodzakelijk dat het regeerakkoord eens onder de microscoop gelegd wordt. Doen we dat, dan merken we dat er een radicaal en door en door ideologisch programma voorligt dat een heel nieuwe samenleving vooropzet: een samenleving waar de markt penetreert in elk domein en waar het sociale herleid wordt tot nationale verbondenheid. 

Neoliberalisme

In de ogen van deze regering wordt het neoliberalisme gezien als de enige mogelijkheid om Vlaanderen “economisch leefbaar” te houden. Vlaanderen is als land te klein om een economie op te zetten die in grote mate draait op een interne markt, zo gaat de redenering. De enige optie is dan instappen in een globale concurrentiestrijd en het voorzien van gunst-en steunmaatregelen voor de bedrijven en multinationals in het bijzonder, en een drukking van de loonkosten van de werknemers. De neoliberale globalisering wordt als een natuurwet omschreven en Vlaanderen moet in die context hyper commercieel en concurrentieel zijn. Kernwoorden in het regeringsakkoord zijn dan ook klassiekers uit het neoliberale lexicon zoals efficiëntie, effectiviteit, efficiëntiewinsten, ondernemen, ondernemerschap, win-win-situatie, winst …

Om Vlaanderen in de markt te zetten, trekt de nieuwe Vlaamse regering de economische wetmatigheid door in alle terreinen van de samenleving: van de landbouw tot het onderwijs, van het toerisme tot de cultuur – alles staat in het teken van de concurrentiepositie van onze regio.

Een overheid in dienst van de economie

Het is een misvatting dat de overheid in een neoliberale doctrine per definitie een smalle overheid is. Het is wel altijd een smalle sociale overheid, maar niet noodzakelijk een smalle financiële of repressieve overheid. Het dominante kenmerk van de neoliberale staat is dat het die staat en bij uitbreiding de gehele samenleving ondergeschikt maakt aan de wensen van de economische elite. Dat kan in de praktijk dus gepaard gaan aan een serieuze groei in de kostprijs van die staat, zolang die prijs maar niet betaald wordt door die economische elite. De staat fungeert in deze logica als een herverdelingsinstrument van ‘de mensen’ naar ‘een kleine economische elite’.

Het Vlaamse regeerakkoord is duidelijk over de rol die de overheid moet spelen: ze opteren voor ‘een vraaggericht en marktgedreven overheidsbeleid (Regeerakkoord Vlaamse regering pg. 21). De overheid moet instaan voor een ‘ een gunstig ondernemingsklimaat. In het bijzonder voor wat betreft de kostencompetitiviteit moet een krachtig federaal beleid gevoerd worden voor o.a. het verlagen van loon- en energiekosten’ (Regeerakkoord Vlaamse Regering pg. 23). Deze opvatting van de rol van de overheid kon letterlijk gekopieerd zijn uit de neoliberale bijbels van Hayek. De Vlaamse regering opteert voor  ‘een beleid van ‘backing winners’ of potentiële winnaars en niet van het krampachtig (met overheidssteun) vasthouden aan de economie van het verleden’(Regeerakkoord Vlaamse regering pg. 21).

De ‘ondernemer’ staat centraal en de overheid staat ter zijner beschikking. Daarom moet de overheid ‘het signaal geven dat ze ondernemen en ondernemers waardeert’ (Regeerakkoord Vlaamse regering pg. 21).  Ze moet dat niet alleen doen door ‘beginnende ondernemers en zelfstandigen te steunen’, ‘zich bedrijfsvriendelijk te gedragen’ of ‘door zo weinig mogelijk administratieve lasten op de schouders van zelfstandigen en ondernemers te leggen’, ze moet ook bij jongeren ondernemingszin aankweken (Regeerakkoord Vlaamse regering pg. 21)

De overheid werkt in dat systeem uiteraard ook zelf volgens de regels die de neoliberale doctrines opleggen. Burgers worden klanten en de overheid een bedrijf. Het regeerakkoord is ter zake heel duidelijk: ‘De Vlaamse overheid moet functioneren als een holdingstructuur, met operationele entiteiten die een zekere autonomie hebben en met een moedermaatschappij.’ (Regeerakkoord Vlaamse Regering, pg. 12). Die overheid moet net zoals elk bedrijf beroep moeten kunnen doen ‘op uitzendarbeid en onder dezelfde voorwaarden als de privésector’ (Regeerakkoord Vlaamse Regering, pg. 12). En net zoals een bedrijf moet die overheid ‘slank, transparant, efficiënt en klantvriendelijk’ zijn én ze moet ‘met één stem spreken’. Heel het overheidsapparaat wordt gedwongen ‘kostenefficiënt te produceren’. Niet alleen zien we besparingen opduiken in het onderwijs, de socio-culturele sector, het openbaar vervoer, ook de overheid zelf moet ‘ingrijpend besparen op het eigen apparaat’. (Regeerakkoord Vlaamse regering, p.9).

Toch moeten we geloven dat die drastische besparingen in het ambtenarenapparaat (1950 ambtenaren minder tegen 2019) geen effect zal hebben op de ‘kwaliteitsvolle dienstverdeling’ (Regeerakkoord Vlaamse Regering, pg. 10). We moeten met zijn allen zelfs geloven dat ‘een slanke Vlaamse Overheid betere resultaten levert met minder maar doelgericht ingezette middelen’ (Regeerakkoord Vlaamse Regering, pg. 9). De verhoogde werkdruk voor ambtenaren heet dan weer ‘ambtenaren meer vertrouwen en verantwoordelijkheid’ (Visietekst Regeerakkoord Vlaamse Regering pg. 2) geven. Ondanks die verhoogde werkdruk streeft men naar ‘enthousiaste medewerkers’, dat enthousiasme is het gevolg van een ‘modern HR-beleid’ en duidelijk niet van de werkomstandigheden. Qua misleidende propaganda kan dit wel tellen, en we beginnen ook al een fundamentele denkfout te bemerken: alle sectoren waarin wordt bespaard zijn tevens arbeidsmarkten; een slankere overheid betekent structurele verlaging van de tewerkstelling in die sector. We zullen verder nog zien dat dit gegeven zich herhaalt.

Een regio in dienst van de private economie

De neoliberale staat trekt zoals gezegd de economische logica door in alle domeinen van de samenleving. En ook hier volgt de Vlaamse regering gedwee. De Vlaamse regering plant een beleid waarbij de hele samenleving in dienst staat van de concurrentiepositie van ‘onze’ economie.

Onderwijs fungeert dan niet meer als een omgeving om kritische en democratische burgers op te leiden, maar wordt gezien als een steunpilaar van ‘de economie’. Wetenschappelijk onderzoek wordt dan vooral gezien als de basis voor ‘economische omwentelingen.’ (Regeerakkoord Vlaamse Regering, pg. 26) en daarom wil de regering de samenwerking tussen het hoger onderwijs en de bedrijfswereld’ stimuleren en moedigt men ‘crosssectorale onderzoeksamenwerking aan’ en wil met ‘spillovereffecten’ bevorderen (Regeerakkoord Vlaamse Regering, pg. 26). Het onderwijs staat duidelijk ten dienste van de economie, niet van de samenleving.

De landbouw ontsnapt niet aan het economisch keurslijf. In een neoliberale logica is voedsel een product als een ander en landbouw functioneert in eerste instantie als een bouwsteen van een concurrentiële economie en niet als een fundament van een duurzame en gezonde voedselproductie voor de inwoners van een land. En ook hier toont de Vlaamse regering zich orthodox. ‘Land- en tuinbouwers en agrovoedingsbedrijven zijn ondernemers van de toekomst.’ En terug wordt de neoliberale organisatie van de wereldmarkt aanvaard als norm en Vlaanderen moet volop de concurrentiestrijd aangaan met de hele wereld. Vlaanderen moet ‘de Food Valley van Europa’ worden en daarom is een ‘sterkere samenwerking tussen landbouw en economie […] een must om de export te versterken en buitenlandse voedingsinvesteringen aan te trekken’ (Vlaams Regeerakkoord, pg 66).

Eén van de potentiële innovaties zijn genetisch gemodificeerd gewassen. En dus stimuleert men als regering onderzoek ter zake. (Vlaams regeerakkoord, pg. 69). Ecologie is belangrijk aldus het regeerakkoord, maar het ‘moet hand in hand gaan met economische groei’  en dus kunnen er nog altijd emissierechten worden gekocht; enkel de rapportering moet transparant gebeuren (Vlaams Regeerakkoord, pg 75).

Het sociaal-cultureel werk ontsnapt niet aan de neoliberale dans. De sector moet niet alleen goed werk leveren, ze moet zich op de markt begeven en scoren. Zo moet volgens de Vlaamse regering in het Kunstendecreet de focus leggen op initiatieven met ‘impact, bereik en uitstraling op Vlaams en internationaal niveau’ (Vlaams Regeerakkoord, pg. 131). Kwaliteitsvolle nicheproducties voldoen dan ook niet. De Vlaamse regering is duidelijk: ‘publiekgerichte initiatieven moeten al het nodige doen om publiek te bereiken. Dit moet aantoonbaar zijn.’ (Vlaams Regeerakkoord, pg. 132) En ook in deze sector moet er ‘gewerkt worden aan samenwerking tussen de cultuursector en de markt. (Vlaams Regeerakkoord, pg. 131) Kwantiteit haalt het van kwaliteit: het moet verkopen. Ook hier zien we dat de negatieve tewerstellingseffecten van besparingen in deze sector (overigens ruiterlijk toegegeven door Minister Gatz) geen enkele aandacht genieten.

De Vlaming, mag dan al gekend staan als een ‘werkende Vlaming’, een cliché dat ook weer in de septemberverklaring veelvuldig gehuldigd wordt, vandaag moeten vooral ‘ondernemende Vlamingen gecreëerd worden. Onze media en ons onderwijs worden ook hier ingeschakeld. De openbare omroep moet niet alleen scherp besparen, ze moet ook meebouwen aan een ondernemende cultuur: ‘via gerichte initiatieven in de media en het onderwijs dragen we Vlaamse succesverhalen en goede praktijken uit en creëren we een positieve attitude tegenover ondernemingszin en ondernemerschap.’ (Regeerakkoord Vlaamse Regering, pg. 27). De VRT moet niet alleen werken volgens een neoliberale logica, ze moet ook ‘de zin in ondernemen promoten’, ook bij studenten, ‘Daartoe maken we sluitende afspraken in de eindtermen en de beheersovereenkomst van de VRT. We voorzien in een speciaal statuut voor studentondernemers’ (Regeerakkoord Vlaamse Regering, pg. 27). Alweer is het duidelijk dat deze wending in de beheerslogica werkloosheid zal scheppen, en alweer blijkt de Vlaamse Regering – die zoals gezegd staat voor ‘werkend Vlaanderen’ – daar niet wakker van te liggen.

Alle burgers moeten geschoold worden als toekomstige ondernemers die kunnen ingezet worden voor de wereldwijde concurrentiestrijd van Vlaanderen. Immers: “ondernemen is ook een kwestie van cultuur. Met gerichte initiatieven in de media en het onderwijs willen we bijdragen aan een grotere waardering voor ondernemingszin en ondernemerschap. “ (Samenvatting, Vlaams Regeerakkoord, pg. 7)

Nationalisme

Enkel als Vlaanderen erin slaagt om die concurrentiestrijd aan te gaan, kan ze erin slagen om een onafhankelijke natie te worden. Het neoliberalisme wordt geïnstalleerd als een springplank voor de onafhankelijke natie. Dat betekent enerzijds dat heel Vlaanderen zich in die strijd moet inschakelen en dat de markt-logica de norm wordt in alle domeinen. Anderzijds wordt de natiestaat verder uitgebouwd en wordt er een vervlaamsingspolitiek gevoerd. In deze logica staat sociaal zijn voor verbinden en blind vertrouwen geven in de werkgevers. Wat goed is voor de economie, is goed voor Vlaanderen. Het neoliberalisme gaat hand in hand met de verdere uitbouw en constructie van een Vlaamse natiestaat. Die uitbouw zien we in twee grote beleidscategorieën: de creatie van structuren en de creatie van een Vlaamse cultuur.

De structuren van de natiestaat

De Wever is altijd duidelijk geweest: objectief gezien is Vlaanderen al goed op weg om een natiestaat te worden. Het heeft al een parlement, eigen structuren en Vlaamse media. Het is vooral op het subjectieve niveau dat nog verder gewerkt moet worden. We zullen dan ook zien dat de Vlaamse regering de meeste energie stopt in het voeren, ondersteunen en het opleggen van wat we niet anders kunnen noemen dan een vervlaamsingspolitiek. Er worden echter ook twee belangrijke structurele zaken opgezet die duidelijke voorbereidende stappen zijn voor de constructie van een onafhankelijke natiestaat.

Het eerste initiatief dat in het oog springt, is de uitbouw van wat een Vlaamse sociale bescherming genoemd wordt: ‘de Vlaamse sociale bescherming is een volksverzekering met rechten en persoonsgerelateerde uitkeringen (zorgverzekering, THAB, …) toegekend op basis van inwonerschap (in Vlaanderen en Brussel (keuze)) en mits betaling van een premie’ (Regeerakkoord Vlaamse Regering, pg. 107). Hoe die bescherming concreet zal werken en hoe “sociaal” die zal zijn valt nog te bezien. Wat wel al duidelijk is, is dat ze niet “socialistisch” zal zijn, d.w.z. niet gebaseerd op solidariteit. Wat eveens duidelijk is, zijn de effecten voor de Brusselaars. Immers ‘in Vlaanderen is de toetreding tot de volksverzekering verplicht. De Vlaamse Brusselaars kunnen ervoor kiezen om toe te treden tot de Vlaamse sociale bescherming’ (Regeerakkoord Vlaamse Regering, pg. 107). Concreet betekent dit dat Vlaanderen ongelijkheid organiseert in Brussel en concurrentie opzet met andere systemen. Dat vertaalt zich in de realiteit in een systeem waar burgers in eenzelfde straat heel andere rechten hebben en dat is een fundamenteel democratisch probleem.

Een tweede opvallend initiatief is de nadruk om vanuit Vlaanderen rechtstreeks te communiceren en te onderhandelen met Europa (Regeerakkoord Vlaamse Regering, pg. 152). Hier zien we hoe de oneliner van De Wever en zijn kompanen over het verdampen van het Belgisch niveau geconstrueerd wordt door een heel concreet beleid. Er is met andere woorden niets spontaan aan dat ‘verdampen’, integendeel, het is het gevolg van een heel weloverwogen beleid. Men wil Vlaanderen erkend krijgen door Europa als een zelfstandig opererende entiteit: we vragen ‘aan de EU waar mogelijk informatie rechtstreeks aan Vlaanderen te bezorgen. We vragen dat de EU de eigen Vlaamse programma’s en plannen voor structurele hervormingen (zoals het hervormingsprogramma en het stabiliteitsprogramma) apart beoordeelt en afzonderlijke aanbevelingen doet’ ( Regeerakkoord Vlaamse regering, pg. 152).Ook dat is nog niet voldoende voor deze regering, men wil ook een ‘versterkte Vlaamse vertegenwoordiging bij de EU’ ( Regeerakkoord Vlaamse regering, pg. 152). Tevens wordt ‘bij de federale overheid’ aangedrongen ‘op een snelle en grondige aanpassing van het samenwerkingsakkoord in zake coördinatie en vertegenwoordiging in de EU’.

We zien dat Vlaanderen verder inzet op een eigen buitenlands beleid, een eigen EU-vertegenwoordiging los van het Belgisch niveau en ‘de Vlaamse permanente vertegenwoordiger bij de EU moet structureel deel kunnen uitmaken van de Belgische delegatie in de Europese Raad en de ministerraden (Regeerakkoord Vlaamse regering, pg. 152). De erkenning van Vlaanderen als een natie los van België is een cruciale voorwaarde vooraleer de onafhankelijkheid kan uitgeroepen worden en de huidige Vlaamse regering is blijkbaar duidelijk van plan om hier in de volgende vijf jaar werk van te maken.

De constructie van een Vlaamse cultuur

Op basis van structuren alleen bouw je geen natiestaat. Of om het in de woorden van De Wever te zeggen: er moet gewerkt worden aan de subjectieve natie. De Vlamingen en migranten moeten zich Vlaming voelen. In tijden van superdiversiteit is die monoculturele en monolinguïstische samenleving verder weg dan ooit en de ‘etno-culturele’ natie vergt dan ook een zeer sterk ontwikkeld (en dwingend!) beleid. En ook daar trommelt deze Vlaamse regering zich op de borst. Alle mogelijke domeinen in de samenleving worden ingezet om dat subjectieve Vlaamse natiegevoel te realiseren. Bovendien zien we dat deze domeinen ook structureel heel wat middelen verliezen. Ze krijgen dus en een nieuwe rol opgelegd en worden verplicht om zich daar voor een groot deel op toe te leggen om de werking draaiende te houden.

In die vervlaamsingspolitiek kunnen we drie doelgroepen onderscheiden. Ten eerste de ‘etno-culturele Vlamingen’, ten tweede worden ook de inwoners van Brussel en de Vlaamse rand geviseerd en de laatste doelgroep bestaat uit de migranten. 

De vervlaamsingspolitiek voor alle de Vlamingen

Deze vervlaamsingspolitiek is gericht op alle inwoners van Vlaanderen. Ze is inclusief en niet specifiek. Centrale doelstelling is het promoten en vrijwaren van ‘de Vlaamse cultuur’. In wezen gaat het uiteraard om de constructie van zo’n cultuur. De massa media zijn de eersten die daarvoor ingezet worden. Zij moeten meebouwen aan die Vlaamse cultuur, aan de Vlaamse eigenheid. Daarom moet niet alleen ‘ingezet worden op Vlaamse en Nederlandstalige producties en muziek’ en dit tijdens zenduren met ruim bereik en in verschillende genres’ maar moeten ook lokale radiozenders maximaal beluisterbaar zijn, want zij ‘zijn verbindend’. (Regeerakkoord Vlaamse regering, pg. 137). Tevens moet de openbare omroep ook de viering van de Vlaamse Feestdag, die de Vlaamse regering jaarlijks zal organiseren in de vorm van een ‘breed toegankelijke 11 juli viering op de Brusselse Grote markt, een Vlaams volksfeest’ voorzien van maximale zichtbaarheid in de media (Regeerakkoord Vlaamse regering pg. 16).

Het speerpunt van die medialuik zit hem in een steun aan  de Vlaamse audiovisuele sector, ‘investeren in kwalitatieve producties van eigen bodem is immers de beste garantie tegen verdrukking, inhoudelijke verarming en verlies van culturele eigenheid door massale import van internationale “mainstream” content via nieuwe internationale distributiekanalen en -platformen . (Regeerakkoord Vlaamse regering, pg. 138)

Niet alleen de media en audiovisuele sector worden belast met deze vervlaamsingspolitiek, ook het socio-cultureel middenveld moet zich inschakelen. We zagen eerder al dat het zich nu in een vrije markt moet gaan bewegen, maar die markt blijkt terzelfder tijd niet zo vrij te zijn. Dit deel van het middenveld moet immers ‘zijn voortrekkersrol als bruggenbouwer in de samenleving bevestigen’ (Vlaams Regeerakkoord, pg. 133). Het middenveld moet dan niet zozeer een kritische rol vervuilen of de spreekbuis zijn van de civiele maatschappij, maar moet verbindend werken, ze moeten ‘blijven zorgen voor ontmoeting, ontspanning, gemeenschapsvorming, zelfontplooiing, sociale innovatie en creatief denkvermogen’ (Vlaams Regeerakkoord, pg. 133). En ook sport wordt ingezet voor de bevordering van de sociale cohesie(Regeerakkoord Vlaamse regering, pg. 139). Dus: de cultuurmarkt is niet vrij maar wordt meer dan ooit van boven uit inhoudelijk aangestuurd; wie die sturing weigert is niet “concurrrentieel” en zal dan ook de “survival of the fittest” (zoals Minister Gatz het noemde) niet aankunnen. Van vrijheid op deze cultuurmarkt is in de feiten geheel geen sprake meer.

Het sluitstuk van deze algemene vervlaamsingspolitiek is niet verwonderlijk weggelegd voor erfgoed. Dat erfgoed wordt meteen ook begrepen als het ‘etno-cultureel’ Vlaams erfgoed: ‘ons erfgoed vormt, als getuige van ons verleden, de basis van onze gemeenschappelijke identiteit.’ (Vlaams Regeerakkoord, pg. 133) En het is die identiteit die als basis fungeert voor de vervlaamsingspolitiek in Brussel en ten aanzien van migranten.

De vervlaamsingspolitiek voor Brussel

Brussel krijgt een vrij centrale plaats in het regeerakkoord en de Vlaamse regering ontwikkelt en bestendigt een beleid dat Brussel beschouwd als een deel van Vlaanderen. ‘Brussel wordt vastgehouden als hoofdstad van Vlaanderen en de band tussen Brussel en Vlaanderen moet versterkt worden ’ (Regeerakkoord Vlaamse regering pg. 14). Ook dit zit geheel in lijn met de officiËle visie van N-VA over Brussel. Brussel moet, bij een eventuele onafhankelijk van Vlaanderen, onder een gezamenlijk beleid komen te staan van Vlaanderen en Wallonië en dus haar autonomie verliezen. De Vlaamse regering ziet het dan ook als haar taak om Brussel te claimen en de Vlaamse invloed in Brussel te versterken.

Het Nederlands moet daarom terug aanwezig zijn in Brussel. Gezien de absolute minderheidspositie van het Nederlands (zelfs in de meest optimistische cijfers is slechts een 6 à 7% Nederlandstalig) moet er dan ook ingezet worden op ‘een taalpromotiebeleid en het voorzien van een voldoende aanbod Nederlands als Tweede Taal’. Het Nederlands moet niet bewaard worden, maar geïntroduceerd worden en dat moet afdwingbaar gemaakt worden door met de ‘verenigingen die we ondersteunen […] klare afspraken [te maken] over het gebruik van en communicatie in het Nederlands.’ (Regeerakkoord Vlaamse regering pg. 16)

‘We zullen de naleving van de taalwetgeving in Brussel actief opvolgen, en ondersteuning bieden aan burgers die het slachtoffer zijn van taalwantoestanden in Brussel, in het bijzonder in de ziekenhuizen, in de welzijnsvoorzieningen (in het bijzonder de voorzieningen erkend door de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie), bij de politie, bij de brandweerdiensten, en bij de lokale besturen. We gebruiken daarvoor onder meer de dienstverlening van het Steunpunt Taalwetwijzer en het Vlaams Meldpunt taalklachten in de Brusselse ziekenhuizen. ’ (Regeerakkoord Vlaamse regering pg. 16)

En uiteraard zien we dat ook hier de socio-culturele sector wordt ingezet voor deze vervlaamsingspolitiek.  ‘De door de Vlaamse overheid bestuurde en mee-bestuurde culturele instellingen (Muntpunt, Ancienne Belgique, Kaaitheather, KVS, Beursschouwburg, …) tonen zich als Vlaamse instellingen in Brussel en maken zich kenbaar als Ambassadeurs van het Vlaamse cultureel beleid.’ (Regeerakkoord Vlaamse regering pg. 15) Topinstellingen als de KVS en de Ancienne Belgique moeten zich niet richten op de kosmopolitische en superdiverse stad die Brussel is, maar moeten zich inbedden ‘in de ruime Vlaamse gemeenschap te Brussel in en werken daarbij structureel samen met andere Nederlandstalige actoren uit bijvoorbeeld het onderwijs en de socio-culturele sector’ (Regeerakkoord Vlaamse regering pg. 15)

Terwijl Franstalige Brusselaars moeten aangemoedigd worden om Nederlands te leren en door Vlaanderen gesubsidieerde instellingen moeten ingezet worden om een ‘Vlaamse aanwezigheid’ te construeren in Brussel, moeten nieuwkomers zich integreren in die te creëren Vlaamse gemeenschap in Brussel en Nederlands leren. Daarom blijft de Vlaamse regering ‘ijveren voor de invoering van verplichte inburgering in Brussel’ en ‘voor toeleiding naar lessen Nederlands’ (Regeerakkoord Vlaamse regering pg. 15). De ironie dat nieuwkomers zich moeten inburgeren in ‘een gemeenschap’ en ‘een taal’ die nagenoeg niet aanwezig zijn in Brussel wordt niet opgemerkt.

De vervlaamsingstrijd stopt niet in Brussel, ook de 19 gemeenten van de Vlaamse rand, een traditioneel strijdtoneel van de Vlaamse beweging wordt opgenomen in het beleid van de Vlaamse regering. Daar moet men strijden tegen de ‘ontnederlandsing , internationalisering en verstedelijkingsdruk met gevolgen voor de grond- en woonprijzen, mobiliteitsproblemen, bijzondere noden op het vlak van onderwijs, kinderopvang, sociale en welzijnsvoorzieningen, enz.’ (Regeerakkoord Vlaamse regering pg. 17).

De vervlaamsingspolitiek voor de Ander

De laatste doelgroep van deze vervlaamsingspolitiek en misschien wel de cruciaalste, is de migrant of de allochtoon. In tijden van globalisering en superdiversiteit is de homogene, monoculturele en monolinguïstische natie verder weg dan ooit. Om in die context een homogene natie te scheppen, is er behoorlijk wat werk nodig. Migratie moet zoveel mogelijk tegen gehouden worden, tenzij als het ‘de economie helpt’ (Regeerakkoord Vlaamse regering, pg. 36). Eenmaal de migrant inwoner is van ons land, dan moet deze een ‘Vlaming onder de Vlamingen worden’, hij mag dan wel zijn “eigenheid” hebben, hij moet vooral integreren en inburgeren in ‘de Vlaamse cultuur’ en uiteraard het Nederlands verwerven. De identiteit en cultuur waarnaar die nieuwkomer zich moet oriënteren is de klassieke Vlaamse gemeenschappelijke etno-culturele identiteit die voortvloeit uit ons verleden:

‘Het doel van het inburgering- en integratiebeleid is tot meer samenhorigheid te komen tussen allen die een gemeenschappelijke toekomst in Vlaanderen hebben, op basis van een gemeenschappelijke sokkel van waarden, fundamentele rechten en vrijheden.’ (Regeerakkoord Vlaamse Regering, pg. 128)

Het opmerkelijke aan dit citaat is, is dat het de enige keer is dat men spreekt over rechten in combinatie met allochtonen of migranten. Rechten, waarden en vrijheden worden voorgesteld als de gemeenschappelijke sokkel van de Vlaamse cultuur, een Vlaamse cultuur die zij zich eigen moeten maken. De rest van het regeerakkoord spreekt in eerste instantie over de plichten van deze doelgroep. En die plichten worden verstrengd. ‘Voor inburgeraars waarvoor de verplichte deelname aan inburgering van toepassing is, voeren we de vervanging van de bestaande inspanningsverplichting door een resultaatverbintenis.’ (Vlaams Regeerakkoord, pg. 130). Nieuwkomers moeten niet alleen bereid zijn om inburgeringslessen te volgen, ze moeten nu slagen voor een examen, en om dat afdwingbaar te maken moeten er consequenties verbonden worden aan het niet slagen.

Het inburgeringsbeleid maakt ‘hun’ rechten voorwaardelijk. Zij zitten aan de plichtenkant van het verhaal. Zo moeten nieuwkomers niet alleen voldoen aan de inschrijvings-en toelatingscriteria om een sociale woning te mogen huren, ze moeten ook slagen voor een test Nederlands vooraleer ze in aanmerking komen (Regeerakkoord Vlaanderen, pg 93). Deze extra verplichtingen schaden het grondwettelijke gelijkheidsbeginsel en ondermijnen het recht op wonen.

Deze Vlaamse regering rijdt voor de (ondernemende) Vlamingen, en enkel als migranten zich schikken naar de dominante cultuur worden ze getolereerd. ‘De Vlaamse cultuur’ is de norm en wordt als neutraal bestempeld en als ‘zij’ niet voldoen aan de norm, dan worden ze uitgesloten. Zo installeert de Vlaamse regering een neutraliteitpolitiek voor haar ambtenaren: ‘we waken erover dat dienstverlening van de Vlaamse overheid aan de burgers neutraal is en als neutraal ervaren wordt. De leidend ambtenaren zorgen ervoor dat voor de ambtenaren die in contact staan met het publiek aan deze vereiste voldoen.’  (Regeerakkoord Vlaamse Regering, pg. 12). Het discours van Etienne Vermeersch aangaande een hoofddoekenverbod echoot hier door. De vraag is dan hoe een moslima een neutrale ambtenaar moet zien? Dergelijke beleidsmaatregel ondermijnt meteen ook de geloofwaardigheid van het voornemen om meer allochtonen bij de overheid aan te werven.

Het kan echter nog erger. Zo zien we dat de allochtonen als doelgroep geschrapt worden uit het doelgroepenbeleid ten aanzien van de arbeidsmarkt (Regeerakkoord Vlaamse regering, pg. 33). Nochtans hebben zijn met een werkzaamheidsgraad van niet meer dan 46% meer dan ooit nood aan een specifiek beleid. Hun positie in Vlaanderen is overigens de slechtste van heel Europa.

Deze concrete daden staan in schril contrast met de vaagheid als het over diversiteitsbeleid gaat. Dan zijn er geen concrete maatregelen, maar enkel intenties. Dan lezen we frasen als ‘We streven naar ….’, ‘We hebben aandacht voor….’  (Regeerakkoord Vlaamse regering, pg. 122) en ‘waakt de Vlaamse regering’ (Regeerakkoord Vlaamse Regering, pg. 127). En als er concrete acties beschreven zijn dan vertrekken ze nog altijd van de klassieke premisse: het ligt aan hen. Ze kunnen dan maar geholpen worden via ‘het activerings-en competentiebeleid’. Concreet zet men ‘sterker in op een geïntegreerd taalbeleid en compententieversterkende acties en specifieke toeleidings-en werkervaringstrajecten voor. (Regeerakkoord Vlaamse regering, pg. 35).

De bestrijding van discriminatie komt slechts als laatste maatregel naar voor en ook daar lezen we niets concreets. Er wordt enkel melding gemaakt van het ‘preventief als curatief’ bestrijden van discriminatie(Regeerakkoord Vlaamse regering, pg. 35). Zoals de laatste tien jaar gaan we sensibiliseren, remediëren en bemiddelen. Over een juridische strijd tegen discriminatie wordt niet gerept, laat staan dat praktijktesten vermeld worden. Voor de (laaggeschoolde) allochtone werkzoekende ziet het er dus allesbehalve rooskleurig uit: de steunmaatregelen verdwijnen, de schuld-toewijzing blijft, net zoals de niet efficiënte strijd tegen discriminatie.

Een gelijkaardig verhaal zien we als we naar het vooropgestelde Gelijke Kansenbeleid kijken. Daar is geen enkele structurele, bindende en concrete maatregel te vinden ten aanzien van de werkgevers. De eerste prioriteit van het Gelijke Kansenbeleid is ‘het streven’ van de Vlaamse regering naar een meer evenwichtige participatie in advies en bestuursorganen bij de overheid, maar nergens lezen we over bindende streefcijfers, en concrete cijfers. Het blijft bij ‘streven’, ‘werk maken van’, ‘inzetten op’ en ‘waken over’.

Een Vlaanderen van verliezers

De Orwelliaanse newspeak spat van de pagina’s, maar de logica is nu glashelder. Het gehele akkoord stoelt op neoliberale en nationalistische logica. De economie doordringt elk domein van de samenleving. Van onderwijs over landbouw tot cultuur elk domein moet functioneren volgens de neoliberale principes en moet functioneren ten dienste van ‘de economie’. Onderwijs moet geschoolde en kant-en-klare arbeidskrachten afleveren, universiteiten en hogescholen moeten onderzoeken in dienst van economische innovatie. De landbouw moet fungeren als een concurrentiële agro-industrie. De socio-culturele sector moet zich vermarkten en inschakelen in de Vlaams nationalistische strategie.

De neoliberale staat is geen instrument om de rechten van de burgers te garanderen, maar moet eerst en vooral de concurrentiepositie en de winsten van de bedrijven te garanderen. Deze regering herverdeelt van de gewone mensen naar ‘de economie’. Dat is een klassiek neoliberaal recept. De werkgevers krijgen vrij spel, worden op hun wenken bediend om hun ‘concurrentiekracht’ (lees winstcijfers veilig te stellen). Het regeerakkoord is zeer concreet en uitgebreid als het over economie gaat. Dan lezen we welke projecten ondersteund worden, welke concrete maatregel opgestart zullen worden, wat bestendigd wordt en wat afgeschaft wordt.

Kijken we naar de sociale thema’s dan zien we een heel ander taalgebruik. Dan blijft het bij vage, algemene en abstracte doelstellingen. De beschrijving van het armoedebeleid is hierbij tekenend: ‘de Vlaamse Regering’, zo staat er, ‘gaat in tegen mechanismen die armoede veroorzaken en stimuleert dat mensen zelfredzaam worden’, Dat eerste, zo weten we al, betekent dat men bedrijven zal steunen in hun winsthonger; het tweede, zo weten we, betekent dat men allerhande steunende voorzieningen afbouwt of schrapt.

Maar toch, ‘er worden concrete doelstellingen geformuleerd over elk van de grondrechten.’ Dit vaag taalgebruik verbergt echter een harde realiteit: er wordt bespaard op de collectieve voorzieningen zoals openbaar vervoer, Kind & Gezin en de openbare omroep. De zorgverzekering wordt dan weer duurder. De huurcontracten van de sociale woning worden opzegbaar na 3, 6 en 9 jaar. Het inschrijvingsgeld van de hogescholen en universiteiten wordt verhoogd. Al snel komen deze maatregelen de gewone gezinnen heel duur te staan – de cijfers daarover circuleren en zijn moeilijk te betwisten. De besparingen worden afgewenteld op de gewone mens en geïnvesteerd in ‘de economie’.

Terwijl de werkgevers moeten gevrijwaard worden van regulering en de hele overheid gemodelleerd wordt ten bate van die ondernemers, worden de burgers en zeker migranten overladen met regeluleringen. Daar wordt steeds weer ingezet in meer controle en repressie, op dwang en bestraffing. Zo worden ‘de opvolging en controle van de beschikbaarheid van de werklozen’ versterkt met als het kan ‘administratieve controle en sancties’. Hiervoor wordt binnen de VDAB een nieuw orgaan geïnstalleerd dat zelfstandig opereert. Een sociale huurwoning wordt slechts middels tijdelijke contracten ter beschikking gesteld na het voldoen van de inschrijvings –en toelatingscriteria en er wordt verder ingezet op het bestrijden van ‘elke vorm van fraude’. Hier bedoelt men vanzelfsprekend enkel sociale fraude.

Het is een beleid dat herverdeelt van de gezinnen naar de werkgevers en dus onvermijdelijk ongelijkheid realiseert. Ongelijkheid tussen werkgevers en werknemers,  tussen eersterangs Vlamingen en tweederangs Vlamingen, tussen Vlaamse Brusselaars en  Waalse en Brusselse Brusselaars in het kader van de Vlaamse sociale bescherming. Niet alleen de kloof tussen arm en rijk wordt verdiept, ook de kloof tussen de ‘etno-culturele Vlaming’ en ‘de (nieuwe) Belgen’ wordt verder uitgegraven.

Het voordeel van het huidige akkoord is dat als men eenmaal de Orwelliaanse newspeak achter zich laat, het een heel duidelijk akkoord is. Dat is dan meteen ook het laatste voordeel. De storm die men ontketent met dit document zal, als het gerealiseerd wordt, de hele samenleving hertekenen. Het is hoog tijd dat de burgers wakker worden en hun recht op verzet opnemen vooraleer het te laat is. Vooraleer ze wakker worden in een koud, kil en arm Vlaanderen, een Vlaanderen van verliezers, beheerd door een kleine welvarende elite.

Politiek ploegen in het middenveld

10622940_10204599439084291_1156072016668495169_n

Robrecht Vandenbeeken

Nu besparen en vermarkten de kardinale deugden van onze regering zijn, is de discussie over de politisering van het middenveld van vitaal belang. Twee aanvullingen bij het lopende debat – als filosoof weliswaar van op de zijlijn. 

Uit verschillende hoeken hoor je stemmen opgaan, en sinds de laatste verkiezingen vooral ook uit de hoek van Groen en Sp.a, die pleiten voor een ‘herpolitisering’ van het middenveld. Zo bracht DeWereldMorgen bijvoorbeeld een interview met Pascal Debruyne en Bart Van Bouchaute naar aanleiding van een boeiende analyse die in Oikos verscheen en die ook in het volgende nummer van Sampol zal verschijnen, respectievelijk een denktank gelinkt aan Groen en Sp.a.

Dominique Willaert maakte er recent enkele noodzakelijke kanttekeningen bij, waaruit blijkt dat er heel wat meer aandacht mag gaan naar de complexiteit van dit onderwerp. In zijn repliek komen er ook minstens twee essentiële zaken aan de oppervervlakte die onze speciale aandacht verdienen: (1) Klopt de historische schets wel dat ‘het middenveld’ een proces van depolitisering en herpolitisering door moet, of is dat vanuit een bepaalde lezing zelf al een problematische ideologische interpretatie?; (2) Is een definiëring van ‘politisering’ in termen van een antagonistische relatie ten aanzien van het bestuur in wezen ook niet apolitiek en dus ‘depolitiserend’?

De- en repolitiseren?

Het valt natuurlijk moeilijk te betwisten dat ‘het middenveld’, toch wat betreft de grote organisaties, de voorbij decennia een proces van verzakelijking doormaakte: met het oog op de versterking van het sociale weefsel werd er ingezet op een professionalisering en schaalvergroting. Het militante karakter maakte plaats voor een uitvoerende rol, in overleg met en gesteund door het beleid. Het is allicht ook alles behalve problematisch om te stellen dat er met die verzakelijking naast een bureaucratisering ook een neoliberaal managementdiscours zijn intrede deed, waarbij er op het bestuurlijke niveau van menige organisatie steeds meer gehandeld werd vanuit een klantgericht formalisme eerder dan persoonlijke sociale betrokkenheid of een ethisch appèl.

Toch kunnen we er moeilijk omheen dat deze professionalisering ook door en door een politieke aangelegenheid is: het gaat duidelijk over een partijpolitieke operationalisering van een maatschappijvisie van beleidspartijen. Die operationalisering werkte evengoed naar een bepaalde maatschappelijke doeltoestand toe en is dus ‘politiek’, in de algemene betekenis: ‘vormgeven aan de samenleving’. Maar omdat dat vanuit een bepaalde verwachting niet ver genoeg gaat, niet consequent gebeurt, niet het juiste doel voor ogen heeft, of gewoon te weinig door idealisme gedreven is, lijken sommige middenvelders eerder de beheerders van de stilstand te zijn, waardoor we, ondanks alle goede bedoelingen, gezamenlijk achteruit boeren. De klassieke kritiek aan het middenveld dus: ‘zij moeten het doen en ze doen te weinig’.  Laten we daar gewoon vanuit gaan, al was het maar omdat er altijd zoveel meer kan en moet gebeuren, zonder daarbij te vergeten dat er ondertussen wel naar verbetering wordt gestreefd en daar ook op sommige vlakken progressie in wordt gemaakt, weliswaar gedresseerd door en op aansturen van een uitgezet beleid.

Zo bekeken, kunnen we evengoed stellen dat het middenveld dus niet gedepolitiseerd maar juist sterk gepolitiseerd geraakte: het nam zijn rol op in de huishouding van ons bestuur, conform de ambitie en het tempo ervan. Het deed wat van haar werd verwacht en kreeg daarvoor in ruil de nodige middelen. Dat betekent ook dat de verantwoordelijkheid van alles wat als het tekort of het falen van het middenveld omschreven kan worden, in de eerste plaats bij de gevoerde, sturende ideologische koers ligt van de partijen die zich maximaal wisten te verankeren in het middenveld: Sp.a en CD&V.  Nu pastoraal de schuld doorschuiven naar het middenveld zelf, is alles behalve onschuldig. Want mocht ‘de politiek’ andere ambities hebben gehad, het middenveld had haar op haar wenken bediend.

Partijpolitieke poppenmeesters

Deze partijpolitieke bril is onmisbaar voor een heldere blik op het huidige en vooral ook toekomstige debat over het middenveld. Vlak voor de verkiezingen konden we bijvoorbeeld vaststellen hoe de top van de twee grote Vlaamse vakbonden toch nog met een stemoproep kwamen, respectievelijk voor Sp.a en CD&V. Hoewel dat in tegenspraak is met hun basis en bijgevolg sterk gecontesteerd werd, ondermeer vanwege de negatieve terugslag die dergelijke stemoproepen hebben op het imago van wat een vakbond in de 21ste eeuw zou kunnen zijn. Net doordat bepaalde partijen een monopolie claimen op middenveldorganisaties – Willaert spreekt van ‘de houdgreep van de politiek’ – wordt het middenveld een speelbal van een partijpolitiek spel: de onderlinge concurrentie tussen partijen in hun strijd voor een greep op het middenveld, ondermeer om er als buikspreker hun promotiekanaal en uitvoerend front van te maken.

De ‘aanval’ van N-VA op de vakbonden is bijvoorbeeld duidelijk een offensief op de machtsbasis van politieke opponenten, en via de ARCO-affaire tegelijk een machtig drukmiddel op een huidige coalitiepartner. Zowel Sp.a en Groen hebben tijdens de verkiezingen alles ingezet op een regeringsdeelname. Dat is mislukt, ze hebben dus volgens de eigen doelstelling de verkiezingen verloren. Bijgevolg is het ook begrijpelijk dat zij momenteel in hun heroriënterende beweging zoveel nadruk leggen op een politiserende rol van het middenveld.

Voor Sp.a is dat strategisch handig, omdat zo de schuld voor een gebrek aan ‘politisering’ bij het middenveld kan worden gelegd, hoewel zovele organisaties hun militante engagement net onder druk van de sociaaldemocratie temperde, zelfs opgaven. Talrijk zijn de gevallen waarin leden van middenveldorganisaties ter orde werden geroepen of carrières in termen van partijpolitieke volgzaamheid werden gemaakt dan wel gebroken. Het is ook begrijpelijk dat Sp.a via een verzoek tot ‘herpolitisering’, een appèl naar het middenveld uitstuurt, om zo ‘haar’ middenveld alvast niet te verliezen en meteen ook druk te kunnen uitoefenen op de achterban van christendemocratische middenveldorganisaties.

Voor Groen is het eveneens een gelegenheid om zich een voortrekkersrol te kunnen aanmeten in de nu te voeren politieke oppositiestrijd. Dat is natuurlijk positief, maar het is wel een nieuw gegeven (bijvoorbeeld afgaande op het OIKOS archief vergeleken met de laatste twee nummers). Groen was in het verleden immers de partij zonder grote verankering in het klassieke middenveld en bijgevolg was de verzuiling een van haar geliefkoosde punten van kritiek. Waarbij niet zelden ‘de vakbonden’ in het algemeen werden geviseerd, met heel wat reputatieschade van de arbeidsbewegingen tot gevolg. Dikwijls werd het bestaande middenveld weggezet als ‘conservatief’, een gedateerd product van een ‘industrieel economisch model’, in contrast met een transitieverhaal dat zij actief als alternatief mee uitbouwde (i.s.m. de cultuursector, samenlevingsopbouw, jeugdwelzijnswerk en milieubewegingen) en zich electoraal mee profileerde.

Dat transitieverhaal is natuurlijk bijzonder belangrijk. Maar wie het accent op het ene legt, ten koste van het andere, terloops karikaturen bevestigt, speelt een dubbel spel waarbij het nettoresultaat voor ‘het middenveld’ wel eens op een breakeven, zelfs verlies dreigt uit te draaien. Toch zou volgens de OIKOS-analyse het middenveld vooral zichzelf buitenspel hebben gezet? Een oproep tot kritische introspectie is op zich als boodschap natuurlijk niet verkeerd, maar laten we dan wel beginnen met de vraag te stellen wie de boodschapper is, en waarom.

Ontpolitiseren om te kunnen politiseren

Spreken over een gedepolitiseerd middenveld is dus riskant, omdat we het partijpolitieke verhaal uit het oog dreigen te verliezen en de oorzaak leggen bij een vrij vage vijand waar het middenveld vooral zelf schuld aan zou hebben: ‘het managementsdenken’.  Eerder dan om een of ander ondernemersmodel naar een marktconforme inspiratie, gaat het dikwijls vooral om ideologische keuzes die gemaakt werden vanuit de partijpolitiek van beleidspartijen in samenspraak met hun netwerk, en die toegedekt werden met een pragmatisch discours van ‘eindtermen’, ‘beleidsplan’ en ‘beheersovereenkomst’. Of met excuses in termen van na te streven begrotingsprotocollen afgevaardigd door een regering waarin ‘die andere partijen’ verantwoordelijk zijn voor de tekortkomingen van het gevoerde consensusbeleid.

Natuurlijk is het instrumentaliserende managementsdenken op zich ook een probleem, maar het functioneert bij menige probleemanalyse tevens als een handige ideologische dekmantel voor wat in wezen een partijpolitiek beleidsmatig spanningsveld is, waarbij wat goed loopt snel wordt gerecupereerd en de verantwoordelijkheid voor wat mislukt, kan doorverwezen worden. Het is die laatste functie  – de neoliberale omgangsvorm als zondebok om het werkzame ideologische krachtenspel niet te moeten expliciteren – die in het debat over het middenveld aan populariteit wint en dus een en ander camoufleert.

Het middenveld zou, om effectiever te worden, vanuit deze optiek dus in de eerste plaats beter ‘ontpolitiseren’: minder afhankelijk worden van partijpolitieke netwerken, te beginnen met die zichtbaar te maken, en meer te herbronnen: een retour naar haar basismissie, met name de verdediging van grondrechten, zoals Dominique Willaert terecht betoogt. Kortom, werken aan een renaissance van de aspiraties waarmee deze organisaties in het leven werden geblazen: de universele strijd voor vrijheid, gelijkheid en rechtvaardigheid. Dat mag best op een zakelijke manier aangepakt worden, hippies zijn er toch al genoeg in deze ‘zachte’ sector?

Communautaire valstrik

De oproep om het politieke karakter van het huidige middenveld net wel heel expliciet voor ogen te houden, vertrekt hier geenszins vanuit een academische, omschrijvende bezorgdheid. Het is daarentegen allesbepalend voor het succes van de huidige frontvorming. Drie voorbeelden: (1) In Vlaanderen is het middenveld nog sterk verankerd in twee politieke families waarvan één in de regering en één in de oppositie. Dat is wellicht één van de centrale aspecten van wat Willaert bedoelt met ‘de onderlinge verdeeldheid van het middenveld’. Dit zal ook ongetwijfeld een breuklijn vormen waarbij er een relativerende en neutraliserende stuwing te verwachten valt uit christendemocratische hoek (e.g. oKo, Verenigde Verenigingen) dat zich desondanks in constructieve termen van ‘bruggenbouwer’ zal omschrijven, met de ministers als ‘bondgenoot’.

(2) In Wallonië is de grootste vakbond verbonden aan een sociaaldemocratisch bestuur dat evengoed het Europese soberheidsbeleid zal uitrollen, maar in electoraal-strategisch opzicht alles in het werk zal stellen om het net iets minder bont te maken dan op federaal niveau. Om dan in 2019 naar de kiezer te kunnen trekken met de boodschap dat zij toch wel een verschil maken. Voor die socialistische vakbond is dat een verscheurend dilemma: de politieke bevoorrechte partner ruggensteunen of de mensen op straat roepen tegen een keihard beleid?

(3) Door het verschil in partijpolitieke organisatie van het middenveld tussen het Noorden en Zuiden van het land, valt het te verwachten dat het Waalse middenveld niet alleen veel feller tot actie zal overgaan, maar ook dat ze het woedepotentieel, zoals Di Rupo nu al doet, mee zullen afleiden naar de federale regering, met N-VA als grote boosdoener. Dat is electoraal gezien wel interessant voor de PS, maar het is op lange termijn nefast voor de mobiliserende kracht van de civiele samenleving omdat daarmee voluit de communautaire kaart getrokken wordt. Dat brengt niet alleen N-VA opnieuw in pole position – Bart De Wever die dan weer in de media verschijnt met zijn favoriete splijtzwam: ‘kijk: twee democratieën, twee culturen’ – het verdeelt vooral de solidaire frontvorming van onderuit tussen landregio’s.

Laten we dus vooral wél oog hebben voor de uitgesproken politisering van het huidige middenveld. Het is immers doorslaggevend in wat er ons de volgende jaren te wachten staat en het politiserende project dat zich daarbij opdringt. Cruciaal daarbij is dat, als het middenveld zich in de discussie over het gevoerde beleid mengt, het even intensief mobiliseert tegen het beleid van alle regeringen: Waals, Vlaams en federaal.

Apolitiek politiseren

Een tweede aanvulling heeft betrekking op de manier waarop ‘politisering’ in het lopende OIKOS debat begrepen wordt. De politieke missie van het middenveld zou er uit bestaan de ‘bestaande orde’ te ontregelen. Dat klinkt rebels en aanstekelijk, maar enige scepsis is nodig omdat alles afhangt van wat dan voor ‘bestaande orde’ moet doorgaan. We lopen hier immers het risico verzeild te geraken in een vaag anarchistisch schema waarbij de bestaande orde al snel ‘de staat’ wordt, waartegen we ons dan moeten afzetten. ‘Die ambtenaren en politici’, weet je wel.

Natuurlijk is het logisch dat vandaag, met een rechtse regering in stelling die een zwaar offensief op de verzorgingstaat heeft ingezet, de civiele maatschappij mobiliseert tegen een overheid die het agenda van de financiële elites wil doordrukken, tegen het belang van ‘het volk’ in. Maar een veralgemening van dit schema – ‘wij tegen de staat’ – leidt ons naar een problematische definitie van wat ‘politisering’ zou zijn. Want idealiter draagt een overheid het algemeen belang uit: in principe kan ‘de staat’ ook gewoon de gewenste, constructieve institutionalisering zijn van een georganiseerde moderne gemeenschap. Mobiliseren tegen ‘het beleid’, in algemene termen, zonder daarbij heel duidelijk te maken dat het om een wel bepaald afbraakbeleid gaat, werkt dus depolitiserend.

Daarmee trek je immers de favoriete kaart van liberale ideologen die elk marktfalen graag op de overheid afwentelen: ‘bankencrisis? Nee hoor, de overheid maakte teveel schulden, ze zit met een begrotingsprobleem’. ‘Bubbel in de huizenmarkt? Dat is niet de schuld van obscene speculatie, maar van de woonbonus’. ‘De dividendencultus zuigt de reële economie leeg als een vampier? Nee hoor, niet de financiële markt maar de loonkost is het probleem, die verhindert de concurrentie en ‘de groei’’, etc.

De grondverhouding van elke politiserende kracht binnen de huidige sociaal-economische organisatie van onze samenleving is daarentegen vanzelfsprekend die van ‘arbeid versus kapitaal’, tussen zij die werken om te overleven en zij die leven op koste van het surplus van die arbeid: niet de ‘overheid’ maar ‘de markt’, heeft de aanval op de sociale zekerheid ingezet. De overheid op zich is ‘de vijand’ niet, het probleem is echter dat we onze overheid moeten heroveren op ‘de markt’. Het is op dat punt dat het middenveld, door ideologische herbronning, een cruciale rol kan spelen, en dat vooral ook naast het parlementaire debat, gewoon als civiele maatschappij. Dat onderscheid is vandaag, op een moment dat er met ‘Hart boven hard’ collectief en constructief gemobiliseerd wordt, van belang om vooraf al enige onnodige ontmoediging te voorkomen.

Een front van fronten

Immers, als we het grotere plaatje bekijken tussen wat we ‘de heersende klasse’ en ‘de werkende massa’ kunnen noemen, zien we dat het huidige rechtse offensief al decennia lang, minstens vanaf het moment dat het neoliberalisme in de jaren 1980 doorbrak, stap voor stap zorgvuldig is opgebouwd, via een rechts partijpolitiek discours, neoliberale denktanks, commerciële media en liberale cultuur. In die mate zelfs dat de bankencrisis van 2008 als een gelegenheid aangegrepen kon worden om via een shocktherapie het neoliberale politieke beleid in een hogere versnelling te leggen. Dat gebeurde over heel Europa in verschillende schokken, en met onze nieuwe regeringen is het duidelijk dat wij nu aan de beurt zijn: een zware hervorming staat in de steigers. De krachtmeting met de civiele maatschappij zal worden afgetoetst, waarmee meteen ook de slagkracht van de tegenkrachten wordt getest en voor zover mogelijk zal worden ontkracht.

De ‘tegenkrachten van onderuit’ zullen bijgevolg evengoed jaren nodig hebben om stap per stap terrein terug te winnen. Een grote zwakte en dus een te bestrijden ‘vijand’ die nu op de loer ligt is wat we voor het gemak de Grote Aanvaarding kunnen noemen, die aangestuurd wordt door angst, gelatenheid, cynisme of defaitisme. Bijvoorbeeld, de beweging Hart boven hard zal aanvankelijk mogelijks meermaals in de commerciële media schamper worden weggezet, het zal het besparingsbeleid niet plotsklaps weten te voorkomen, en het zal ook moeilijk zijn om het momentum op langere termijn aan te houden. Het is dan ook een protest van defensieve orde, wat betekent dat de effecten ervan in eerste instantie van symbolische aard zullen zijn. Overspannen verwachtingen kunnen daarom leiden tot een terugslag en demobiliserend effect waarbij het eigenlijke succes over het hoofd wordt gezien, met name dat het toch uniek is dat zoveel sectoren samen solidair actie voeren en daartoe ook een blijvend engagement aangaan. Oproepen tot de ‘kunst van het onmogelijke’ kan dus best voorzichtig gekaderd worden, om vooral het huidige fatalisme niet nog meer armslag te geven, als blijkt dat we nog wel een tijd in de hoek zullen zitten waar de klappen vallen.

Bij een oproep tot politisering is het m.i. daarom van belang er op te wijzen dat er in tijden van frontvorming vele fronten zijn: er is het defensieve protest tegen het besparingsbeleid, waarbij het hierboven geschetste partijpolitieke speelspel op de achtergrond contraproductief kan werken, maar daarnaast heeft de civiele maatschappij vooral haar offensieve kracht: haar eigen kerntaak, de dagelijkse werking zelf, en de resultaten die het boekt. In die praktijk zit op lange termijn de eigenlijke politiserende kracht.

Cruciaal daarbij is de heroriëntering van een civiele samenleving die als een kuisploeg van het kapitalisme probeert dat wat misloopt wat op te vangen, naar een civiele samenleving die de huidige onhoudbare sociaaleconomische organisatie durft in vraag te stellen (met discussies over onze commons, over prijszetting, over democratische controle van onze economie, over alternatieve economische strategieën, etc.) en via prefiguraties experimenteert met wat een alternatief zou kunnen zijn. Alleen op die manier kan de ideologische balans terug overhellen van de huidige neoliberale culturele hegemonie in het voordeel een progressief verhaal.

Kortom, de defensieve strategie van het protest heeft schadebeperking tot doel. De offensieve strategie is oplossingsgericht en praktijkgericht op vele fronten. Eerder dan een ondersteunde functie in een politieke proteststrijd waarin politieke partijen in eerste instantie het voortouw zouden moeten nemen, heeft het middenveld in het ontwikkelen van sociaaleconomische alternatieven een voorbeeldfunctie. Hier zijn de rollen omgekeerd: inzake hun programmaverklaringen kunnen linkse politieke partijen bij dit veldwerk van de verbeelding in de leer gaan.

De bankencrisis 2008 is in wezen een sociaaleconomische crisis, het falen van een systeem. Er werd tot op heden alleen politiek op gereageerd: rechts kwam met een neoliberaal besparingbeleid waardoor winst en dividenden groeien. Links reageert daarop met een defensief politiek protest, in de hoop de bestaande organisatie en progressieve verworvenheden van onze maatschappij te behouden. Hoe noodzakelijk dat ook is, daarnaast is er vooral de uitdaging om op lange termijn, niet reactief maar actief, een sociaaleconomische oplossing te ontwikkelen voor wat dus in wezen een sociaaleconomisch probleem is. Dit is niet het front van het verzet, maar wel de vele fronten van de preventie. Vandaar dat de oproep van Willaert tot een ‘gemeenschappelijke maatschappelijke agenda’ vandaag minstens evenveel aandacht verdient dan de oproep om de bestaande orde te verstoren.

Robrecht Vanderbeeken is filosoof

De eindeloze komkommertijd

Jan Blommaert (en z'n gedachten)

20111114_18080244344ec0dafb6c732

De zomer en nazomer van 2014 gaan onopgemerkt voorbij, en zo zullen ze in de geschiedenisboeken belanden: als maanden waarin de fundamenten van onze samenleving werden hertekend, waarin onze samenleving een heel andere ideologische bovenbouw kreeg – terwijl vrijwel niemand daar een kik om gaf. Onze media hebben de komkommertijd eindeloos gerokken; of beter, ze lijken elke poging te hebben opgegeven om relevant te zijn. Het kleine domineert, het grote komt niet meer aan bod.

Kijk niet naar het grote

Laat ons eerst even kijken waarover we niet worden geïnformeerd. Voorop staat de inhoud van de regeringsonderhandelingen. Er zijn al behoorlijk wat mensen die bij het vermelden van “25 mei” al niet meer weten dat we op die dag verkiezingen hielden, en dat we daarbij alle bestuursniveaus hebben vernieuwd. De Moeder Aller Verkiezingen lijkt stilletjes verdwenen, met Jetair naar een zonnige bestemming allicht, en het ongemene belang dat er vooraf…

View original post 1.581 woorden meer