De foute vertrekpunten van Matthias Storme

ben wyts 021

Thomas Decreus 

“De fundamenteelste vrijheid: de vrijheid om te discrimineren”. Het is de titel van een lezing die Matthias Storme gaf bij het in ontvangst nemen van de Prijs voor de vrijheid in 2005. In die tekst trekt Matthias Storme van leer tegen de antidiscriminatiewet. Het is een betoog dat  opnieuw onderwerp van debat is. Maar dat debat verloor zichzelf in sofismen en intellectueel geneuzel. Het meest fundamentele bleef netjes uit het zicht: discriminatie is nog steeds een reëel probleem.

De bewuste tekst van Matthias Storme opent met enkele beschouwingen over vrijheid en totalitarisme. Zijn aanname? Dat de antidiscriminatiewet ons land omtovert tot een totalitair regime. De grootste totalitaire bedreigingen van de twintigste eeuw het bolsjevisme en het nationaal-socialisme, zo schrijft Matthias Storme. Maar vandaag is er een nieuwe dreiging. Want er is een “nieuwe variante van het totalitarisme, een nieuwe intolerante religie, de eureligie van de non-discriminatie.”

Het zijn bijzonder sterke woorden. De antidiscriminatiewet wordt op dezelfde hoogte gesteld als het nationaal-socialisme en het bolsjevisme. Nochtans is er bij mijn weten nog geen enkel dodelijk slachtoffer gevallen door toedoen van de antidiscriminatiewet. Evenmin zijn er in naam van de antidiscriminatie kampen opgericht waarin honderdduizenden politieke gevangenen verblijven. Verder heeft Matthias Storme nog nooit de binnenkant van een cel gezien omwille van wat hij schreef of zei. Het valt dus nogal mee met dat totalitarisme.

Door de antidiscriminatiewetgeving meteen als totalitair te bestempelen wordt een retorische kunstgreep uitgevoerd. De voorstanders van de wet worden in het kamp van het totalitarisme geduwd en moeten eerst zien te bewijzen dat ze niet totalitair zijn alvorens ze mogen meespreken. Eigenlijk probeert Matthias Storme gewoon zelf de ruimte te bepalen waarin het debat kan en mag plaatsvinden. Want, totalitarisme bevindt zich per definitie buiten de democratische debatruimte en verdient geen legitimiteit. Ergo, het verdedigen van de anti-discriminatiewet is niet legitiem in de democratie à la Storme.

Antidiscriminatiewetgeving op karikaturale wijze als totalitair bestempelen dient nog een ander doel. Het zorgt ervoor dat het kind met het badwater kan weggegooid worden. Er hoeft niet gewezen te worden op juridische moeilijkheden of onduidelijkheden betreffende de wetgeving of verbeteringen in de goede richting. Nee, de wetgeving zelf kan met een gerust hart naar de prullenbak verwezen worden. De zwart-wit logica die Matthias Storme aan anderen verwijt, komt in zijn  eigen denken op haast karikaturale vorm terug.

Containers

Ondanks de erg scherpe veroordeling van de antidiscriminatiewetgeving en het vieren van discriminatie als de meest fundamentele vrijheid, gaat Matthias Storme nergens specifiek in op wat hij precies onder discriminatie verstaat. Hij lijkt discriminatie vooral erg ruim in te vullen. Bijvoorbeeld wanneer hij stelt: “Liefde, vriendschap, trouw, kortom alles wat zin en waarde geeft in het leven, is immers in essentie gegrond op discriminatie; wanneer ze enkel op een redelijke en objectieve verantwoording berust is ze waardeloos.”

Discriminatie krijgt hier de betekenis van ‘onderscheiden’. In onze partnerkeuze maken we vanzelfsprekend een onderscheid tussen mensen, net zoals we dat ook doen met betrekking tot vrienden en kenissen. Dergelijke keuzes en onderscheidingen kunnen niet redelijk of objectief verantwoord worden. Want het gaat om intuïtieve en emotionele keuzes. Niemand die dat betwist. Maar kunnen dergelijke keuzes zomaar gelijkgesteld worden met discriminatie? Sterker nog, is het fenomenologisch correct om in dit verband te spreken over discriminatie?

Uiteraard niet. De reden is eenvoudig. Het is compleet contra-intuïtief om een partnerkeuze te benoemen als discriminatie. Een partnerkeuze is immers een positieve keuze. Je kiest vóór iemand. Ook vrienden kies je omdat je vóór je vrienden kiest, niet omdat je tegen alle mensen bent die toevallig niet je vrienden zijn.

Discriminatie – in de courante,  ordinary language betekenis -is tégen iets kiezen. Het gaat om het uitsluiten van een groep of een individu omwille van het uitsluiten zelf. Vaak zonder dat daar een direct positieve keuze tegenover staat. Denk aan de discotheekuitbater die geen kleurlingen binnen wil omwille van hun kleur of de werkgever die geen vrouwen aanvaardt omwille van hhun vrouw-zijn. De logica die achter het discrimineren in deze tweede, meer enge (en meest gebruikte) betekenis schuilt, staat mijlenver van de logica die achter een partner- of vriendschapskeuze schuilt.

Matthias Storme hanteert het begrip discriminatie zo ruim dat de betekenis van het begrip uitgehold raakt. Wanneer discriminatie louter synoniem wordt van scheiden of onderscheiden dan verdwijnt de betekenis van het begrip discriminatie in de courante zin, namelijk: het systematisch uitsluiten van groepen en individuen.

Maar misschien is dat uiteindelijk wat Matthias Storme wil: het begrip discriminatie zodanig oprekken dat niemand nog tégen discriminatie kan zijn. Het perverse effect hiervan is dat reëel bestaande discriminatie (conceptueel) onzichtbaar wordt.

Macht

Wanneer Storme over discriminatie schrijft, vertrekt hij van de assumptie dat de samenleving een horizontaal vlak is, waarin geen structurele machtsonevenwichten bestaan en waarin iedere groep of overtuiging op evenredige wijze gerepresenteerd wordt. Structureel racisme of discriminatie lijken niet te bestaan in het universum van Matthias Storme. Hij weigert in te zien dat burgers met een niet-Belgische origine op structurele wijze minder toegang hebben tot arbeidsmarkt of dat vrouwen nog steeds met heel veel moeite weten door te stoten naar de hoogste functies. Zaken die zwart op wit bewezen zijn. Onderzoek na onderzoek.

Maar als we vertrekken van het empirisch gegeven dat sommige groepen wel degelijk op systematische wijze achtergesteld worden, dan krijgt het discours van Matthias Storme een heel andere klank. Want dan wordt het duidelijk dat hij spreekt en schrijft ten voordele van één bepaalde, dominante groep en ten nadele van minoritaire groepen die een zwakke machtspositie hebben binnen onze samenleving.

We hoeven zelfs niet zo ver te zoeken in de lezing van Matthias Storme om veelzeggende voorbeelden in dat verband te vinden. Hij schrijft: “Zo is het verbod om bij het sluiten van arbeidsovereenkomsten te discrimineren een verbod dat uitsluitend de werkgever treft; er is nog nooit een werknemer verplicht om te rechtvaardigen waarom hij bepaalde soorten werkgevers wenst en andere niet. Het verbod om bij het sluiten van huurovereenkomsten te discrimineren treft alleen verhuurders, niet de huurders.”

Matthias Storme kiest dus feitelijk partij voor werkgevers en verhuurders. Zij zouden de grote slachtoffers zijn van de antidiscriminatiewetgeving. Dat het hier gaat om personen die vanuit een machtspositie opereren ten opzichte van huurder of werknemer, lijkt bij Storme niet te dagen. Het is nochtans duidelijk: een werknemer is afhankelijker van de werkgever dan de werkgever van de werknemer. De werkgever vervangt met gemak de werknemer, maar de werknemer verandert niet met hetzelfde gemak de werkgever. Dat geldt uiteraard ook voor huurders en verhuurders.

Bovendien blijkt in laatst aangehaald citaat ook duidelijk de absurditeit van Stormes interpretatie van het begrip discriminatie. Alsof de keuze van de werknemer vóór een werkgever van dezelfde orde is als de uitsluiting van een specifieke groep van mogelijke werknemers door een werkgever. Dat het hier om totaal andere grootsordes gaat die op fenomenologisch vlak niet met elkaar te rijmen vallen, komt bij Matthias Storme zelfs niet op.

Dat Matthias Storme de meest vanzelfsprekende empirische feiten naast zich neerlegt bewijst ook volgend citaat: “de winnaars bij de invoering van dit gedrocht [de antidiscriminatiewet, nvdr] zijn duidelijk aan te wijzen: enkele goed georganiseerde minderheidsgroepen die vandaag de politieke agenda bepalen en de hele samenleving deconstrueren en koloniseren vanuit hun partijdig belang.”

Het idee is dus dat bepaalde minderheidsgroepen de samenleving ‘koloniseren’ en ‘deconstrueren’. Anders gezegd: volgens Storme geeft de anti-discriminatiewetgeving teveel macht aan minderheden. En dat terwijl diezelfde minderheden in praktijk nauwelijks een stem hebben.

Wat te doen?

De vraag is in hoeverre je dient mee te gaan in een debat dat bestaat bij de gratie van een bewust slordige afbakening van het begrip discriminatie en ieder empirisch feit miskent. Uiteraard heeft Storme het over veel meer in zijn tekst. Zijn beschouwingen over recht en moraal, de mate waarin motieven moeten in rekening gebracht worden bij het beoordelen van daden en dergelijke meer, zijn interessant. Vanuit academisch oogpunt dan. Maar is een maatschappelijk debat over dergelijke, meer theoretische kwesties de moeite wel waard indien de fundamentele theoretische en emprische vertrekpunten zo grondig fout zitten?

Misschien wordt het tijd om opnieuw met de voeten op aarde te landen. In plaats van te vertrekken van spookbeelden, groteske karikaturen en sofismen zouden we beter de realiteit als startpunt nemen. Die realiteit is eenvoudig: discriminatie, racisme en seksisme zijn feiten. Mijn vraag aan Matthias Storme is nog eenvoudiger: wat ga je daar nu aan doen?

Laat ons deze regering gewoon extreemrechts noemen

Jan Blommaert (en z'n gedachten)

1871319

Jan Blommaert 

We hebben ons in dit land vele jaren lang laten leiden door een buitengewoon nauwe blik op extreemrechts. We hadden het Vlaams Blok, later Vlaams Belang – een partij van rauw verbaal geweld tegen alles wat niet tot het Eigen Volk behoorde,  gekortwiekt door een cordon sanitaire en veroordeeld door de rechtbank wegens racisme. Rond de club van Dewinter en Annemans zweefde nog wat schorremorrie: het nietige Voorpost, wat restjes van het VMO, en wat schimmige organisaties van ex-Oostfrontstrijders en andere collaborateurs, en hun nageslacht.

Ik heb er in het verleden herhaaldelijk heel veel woorden aan besteed: het is deze nauwe blik op extreemrechts die een algemene verrechtsing van onze politiek heeft veroorzaakt. Immers, vermits extreemrechts gelijkstond met het Vlaams Belang, was al wie niet tot het Vlaams Belang behoorde niet extreemrechts. Simpel was de zaak, en op die manier hebben we de afgelopen twee decennia de deuren…

View original post 1.218 woorden meer

Ten aanval

Sven Naessens 

10394468_789096497800896_1512001175834901755_n

De laatste dagen krijg ik regelmatig de vraag wat ik er van denk, van de acties bij het spoor en de raid op het MR gebouw. Ik wist het eerlijk gezegd niet goed, maar vadertje tijd heeft mij geleerd om over sommige zaken eerst goed na te denken alvorens te antwoorden. Nu is het duidelijk voor mij, et voila, hier mijn antwoord.

Ik was begonnen met neer te schrijven hoe ik tot mijn besluit ben gekomen. Maar ondertussen heb ik dat stuk tekst, zoals u kan zien, verdwijderd. De recente geschiedenis spreekt immers voor zich.

Één voorbeeld

Ondernemers klaagden één regeringsmaatregelmaatregel aan, 24 uur later werd die regeringsmaatregel een jaar opgeschoven in de tijd. Studenten, academici, kunstenaars, openbare diensten, het sociale middenveld en vakbonden vragen al weken om zaken te herbekijken, er bewoog niets.

Ja maar

Mensen krijgen nu een maand langer om op brugpensioen te kunnen gaan. Klopt, maar er is niet één maatregel die langer werken stimuleert, laat staan de optrekking van een 40 jarige loopbaan naar een 45 jarige kan verantwoorden. De verlenging met een maand is dus zelfs geen doekje voor het bloeden te noemen, ze dient dan ook iets anders.

Ze moet de manipulatie versterken van de uitgestoken hand, de indoctrinatie voeden van de weigering. En om die beide zaken te versterken gaat men ver.

Leugens volgen elkaar in snel tempo op, halve waarheden worden verder verkracht en een onophoudelijke stigmatisering is de inzet van de dag. Alles dient de uitvoering van de sociale afbraak die op de agenda staat. Om het beleefder, maar minder eerlijk, te zeggen: “De regeringsmaatregelen moeten in wetten worden gegoten.”

De derde wet van Newton

De derde wet van Newton komt op zulke momenten telkens weer tot leven: “Actie is gelijk aan reactie.”

De voorbije jaren waren diezelfde studenten, academici, kunstenaars, openbare diensten, het sociale middenveld, de vakbonden én ondernemers ook nooit tevreden met genomen regeringsmaatregelen. Logisch, een regering haar kerntaak is te zoeken naar een evenwicht en na een zoveelste kapitalistische crisis waren de maatregelen, van de vorige regering(en) ,ook niet populair. Maar men verdeelde de rekening. Telkens volgde de reactie, alle partijen kloegen en gingen over tot hun manier van actievoeren. Een schermutseling her en der niet te na gelaten, viel dat ook allemaal best mee.

Ook nu zal er een reactie volgen

Met één groot verschil. Nu is er slechts één groep die het regeerakkoord ten volle onderschrijft, alle andere partijen voelen zich zwaar gepakt, er is dan ook geen sprake van enig maatschappelijk evenwicht, alles wordt afgeschoven naar de werkenden in de maatschappij. Arbeiders, bedienden, kaderleden en kleine zelfstandigen, allemaal moeten ze er aan geloven. Wat rijk is zal rijker worden is de boodschap, de rest zal gewoonweg verarmen. Ik weet dat er mensen zijn die dit ontkennen, het zijn leugenaars en zij bepaalden mee de norm van de actie. Zij zijn dus verantwoordelijk voor wat komen gaat.

Ik vroeg mij enkele dagen geleden al af of eventuele acties nog wel gericht zouden zijn tegen de regeringsmaatregelen, dan wel tegen de houding van sommige politiekers en ondernemers. Veel meer mensen dan de vorige jaren voelen zich bekocht, ook al laat de uitslag van 25 mei anders vermoeden, er is geen ontkomen aan, dat voel je gewoon. Dat heeft natuurlijk te maken met het politieke deficit van oneerlijke campagnes met daarbij horende mistgordijnen en het feit dat die nu zijn weg getrokken.  Zaaien en oogsten dus.

In diezelfde zin schreef ik toen ook dat ik het ergste verwachtte en kijk, enkele dagen later vlogen er balletjes met verf tegen een politieke gevel.

Nu schrijf ik dat we het ergste hoegenaamd nog niet hebben gezien. Het is decennia geleden dat ik een bevolking nog zo kwaad heb geweten als nu. Er zullen ongetwijfeld mensen vol onbegrip kijken naar de schouwspelen die zich de komende dagen en weken zullen afspelen. Maar er zullen evenzeer nieuwe mensen zijn die zich zullen aansluiten bij wat komen gaat. Bij de reactie.

Want we zijn een grens gepasseerd, the point of no return zeg maar. De leugens gingen te ver, het bedrog werd te groot, mensen werden van hun menselijkheid beroofd. De manier waarop bepaalde politiekers en ondernemers zich over de gewone mens in de straat uitspraken, deden alsof hij/zij te dom zou zijn om te begrijpen wat er op hem/haar afkomt, was zo gortig, zo laag bij de grond dat de emmer is over gelopen. Niet druppelsgewijs, nee hij is open gebarsten en het is nog maar zeer de vraag hoe die te repareren valt.

De reactie laat zich dan ook niet raden deze keer.

Het sociaal overleg ligt niet meer aan het infuus, dat is dood en begraven. De enige reactie op al die acties is wat nu voor de deuren staat en simpel te omschrijven is in deze twee woorden: “Ten aanval.”

 

Het delicate stakingswapen

Jan Blommaert (en z'n gedachten)

austerity guiding the people

Jan Blommaert 

Nu de vakbonden hun eerste golf van acties hebben aangekondigd tegen een regering die het geld gaat zoeken waar het niet zit wordt meteen duidelijk dat we een hete herfst en winter in gaan. We gaan een periode tegemoet van heftige sociale actie, van continu protest op straat en van openlijke rebellie tegen de macht. En we gaan een heftige periode in van debat over die zaken. Want wat de afgelopen dagen al helder is geworden, is dat de term “extremist” stilaan gereserveerd wordt voor zij die extremisme aanklagen en bestrijden. De “gematigdheid” van een regeringsverklaring die de gehele relatie tussen mens en arbeid met enkele pennentrekken wil omgooien – we leven vanaf nu om te werken, niet omgekeerd – wordt tegenover de “radicale” protesten geplaatst van zij die alles te verliezen hebben in die revolutie. En “radicaal” zijn is slecht.

Het is de gevaarlijke paradox waarin de…

View original post 690 woorden meer

Hier komt de machtsvraag alweer

538596_368923856508718_1479634712_n

Jan Blommaert 

Tijdens de New Deal in de VS kregen de vakbonden daar voor het eerst een ruime macht en invloed in het industriële systeem. Ze waren nodig als kritieke factor in het herstelbeleid. Dit leidde in 1946 tot de eerste, en laatste, algemene staking in de VS. De arbeiders hadden zich immers akkoord verklaard, in de context van de New Deal, tot een jarenlange loonbevriezing, en die loonmatiging bleek onhoudbaar in het licht van spectaculaire stijgingen van de bedrijfswinsten. De matiging bleek eenzijdig te zijn.

Die algemene staking had een enorm effect. Patroons en conservatieve politici waren doodsbang dat de verworven industriële macht van de vakbonden ooit, door middel van een eigen politieke partij van de arbeiders, zou leiden tot politieke macht. Toen kort daarna de Republikeinen de verkiezingen wonnen en het Congres in handen kregen, begon er dan ook een offensief tegen de vakbonden. Dat kon, want de vakbonden, die op dat moment een gigantische massabeweging waren, hadden geen verlengstuk in het Congres: daar was de meerderheid in handen van een sociaaleconomische minderheid – het kapitaal.

De TAFT-HARTLEY ACT van 1947 legde de activiteiten van vakbonden definitief aan banden. Het stakingsrecht werd beperkt, en vakbondsleden mochten geen lid meer zijn van communistische bewegingen. Wat het stakingsrecht betrof: wilde stakingen werden strafbaar gesteld, en zelfs aangekondigde stakingen konden worden beperkt wanneer ze tegen het “nationale belang” werden geacht. Dit was een rekbaar begrip, want elke staking kon als een potentieel communistisch complot worden voorgesteld. Vakbondsleiders werden op die manier gedwongen om hun acties terug te schroeven en zich “loyaal” op te stellen tegenover de overheid.

Het was het einde van het machtspotentieel van de Amerikaanse vakbonden. Vanaf dat moment leidde elke opstoot van syndicalisme tot hardere reacties vanwege het establishment, zodat elke collectieve en politieke dimensie van arbeid onder druk kwam te staan.

Het is een voorbeeld dat ons een aantal dingen leert.

(1) Wanneer de machtsvraag zich stelt voor vakbonden, dan moeten de vakbonden het moment aangrijpen; indien ze kritieke momenten van machtskanteling laten passeren, dan dreigt er altijd een reactie die het hele vakbondsweefsel kan stuk maken. Kansen zijn zeldzaam, ze moeten dus gegrepen worden.

(2) De elite doet het in z’n broek wanneer industriële macht (en die is er nog) dreigt omgezet te worden in politieke macht – wanneer een paar miljoen gesyndiceerden dreigen te stemmen voor een arbeiderspartij, m.a.w. Dit moet men in gedachten houden. Wie een paar miljoen mensen vertegenwoordigt kan in een democratie de eigen macht niet beperken tot politiek “meedoen”. Men heeft een gigantisch politiek potentieel, niet enkel een industrieel potentieel.

(3) In de huidige context zal deze machtsvraag zich snel stellen – we zitten met een regering die erop uit is om de vakbondsmacht te breken – en er is een groot risico dat een toename van de syndicale actie leidt tot repressie doorheen het parlement. Met Jambon aan het roer van het repressie-apparaat is dit risico zeer reëel. Wie zich van dit risico niet helemaal bewust is, moet wakker worden. Want er is op dit moment een parlementaire meerderheid voor de beteugeling van de syndicale macht.

Achtergrondlectuur

http://jmeblommaert.wordpress.com/2013/03/19/waarom-geen-vakbondspartij/

http://jmeblommaert.wordpress.com/2013/03/22/wie-stelt-de-machtsvraag/

http://jmeblommaert.wordpress.com/2013/05/04/vakbonden-vakbondbashing-en-de-macht/

http://jmeblommaert.wordpress.com/2013/06/17/marc-leemans-het-zal-wel-loslopen/

https://www.princeton.edu/~achaney/tmve/wiki100k/docs/Taft%E2%80%93Hartley_Act.html

’t Was de schuld van de socialisten.

Joke Quintens

IMG_5280Allez vooruit, we hebben een rechtse regering. Na 25 jaar socialistisch bewind kan ons land, Vlaanderen en België, weer ademen. Het ondraaglijke socialistische juk is van onze schouders gevallen. De rechtse partners die al die tijd slaafs aan het handje van de socialisten hebben gelopen (want zelfs de NVA heeft van 2004 tot 2014 aan de Vlaamse rode leiband moeten lopen) kunnen eindelijk hun zin doen: een rechts beleid voeren. Maar wat hebben die socialisten al die jaren eigenlijk uitgevreten dat nu zo meedogenloos afgeschaft en verketterd moet worden? Laat ik er 4 voorbeelden uithalen van dit verfoeilijk links beleid dat we al een kwarteeuw moeten torsen.

1/ Gratis openbaar vervoer: weg ermee!

Gratis bestaat niet. Hoe vaak hebben we dat al niet moeten horen. Het bestaat wel. Liefde, hartstocht, betrokkenheid, engagement, om er slechts enkele te noemen. Natuurlijk moeten die bussen en chauffeurs ergens mee betaald worden. Met belastinggeld…

View original post 509 woorden meer

Adelt Arbeid nog wel?

Jan Blommaert (en z'n gedachten)

arbeit macht frei

Jan Blommaert

Tot voor kort werkten we om te leven. Arbeid was iets wat ons rechten opleverde en een goed leven voorzag, en artikel 23 van de Grondwet zorgde ervoor dat dit een vast grondrecht van alle ingezetenen bleef. Sinds 2007 leven we echter in een nieuw arbeidsregime, door de EU gewaarmerkt onder het label van ‘Flexicurity’: een ‘flexibele’ arbeidsinzet die job security verzekert.

Deze nieuwe arbeidsdoctrine heeft vier grote eigenschappen:

(a) het voortdurend aanpassen van de werknemer aan wisselende conjuncturen. Men werkt een aantal jaren in een bedrijf, maar verliest die baan wanneer er een knik in de conjunctuur optreedt, en men moet z’n arbeid verplaatsen naar een andere werkomgeving. Flexicurity komt neer op de permanente aanpassing aan onzekerheid inzake tewerkstelling, en de werknemer moet ‘flexibel’ zijn inzake de inzet van de eigen arbeid en zich dus inzetten in uiteenlopende sectoren, afhankelijk van bewegingen op de arbeidsmarkt.

(b) Deze…

View original post 805 woorden meer