State of the Arts voert cultuuroppositie van onderuit

ScreenHunter_82 Nov. 26 16.56

Robrecht Vanderbeeken 

In de artistieke werkplaats W-o-l-k-e in Brussel vormden een 70tal kunstenaars een kring, er werd heerlijk gekookt, en binnen een strikte planning volgenden zes kritische interventies elkaar op. Einat Tuchman en Gosie Vervloessem maakten bij de verwelkoming meteen de strijdbare verhouding duidelijk: ‘onze harten zijn vandaag bij de fietseling van Hart boven Hard tijdens de staking in Antwerpen’.

Dit overleg was allerminst een rondje lobbyen voor eigenbelang in een achterkamertje, wel een officiële gelegenheid voor kunstenaars om als burger hun stem aan deze regering te laten horen. State of the arts voert al ruim een jaar strijd. Dat de minister hen nu serieus neemt, is iets dat ze afgedwongen hebben door hun initiatieven. Hier sprak bovendien het hart van de cultuursector. Want zonder kunstenaar, geen kunst en dus geen kunstenwereld. Daarmee zat dit overleg op de hartslag van de maandagstaking, die opnieuw duidelijk maakte dat de werkende mens de motor achter de economie is.

De vergelijking loopt nog verder: zoals Hart boven Hard haar Alternatieve Septemberverklaring aan MP Bourgeois I overmaakte, zo deelde State of the arts die avond eigenlijk haar ‘Alternatieve nota Cultuur (2014-2019)’ mee: geen besparingen, geen vermarkting maar een openbare cultuursector waarin kunstenaars en cultuurliefhebbers centraal staan. De Cultuurminister wil zijn beleid tegen april concretiseren. Nu heeft hij er naast het nieuwe Kunstendecreet en zijn beleidsnota een belangrijk document bij: de visie van de oppositie van onderuit. Hierbij een verslag van het overleg. Een geluidsopname van de avond vindt u hier.

We are calling’

 

Besparingen zouden noodzakelijk zijn? Kobe Matthys opende zijn interventie met de opmerking dat dit een dooddoener is, evenzo de logica dat er geen alternatief zou zijn. Toch wil State of the arts het debat omdat er in de beleidsplanning alarmerende zaken staan. Ze trekken aan de alarmbel – We are calling –  zoals ze dat ook al aan het parlement deden deze zomer. De diversiteit van de kunsten is in gevaar en daar is iedereen het slachtoffer van. Gatz repliceerde ontwijkend, voelde zich niet aangesproken. Als op het einde van rit blijkt dat zijn beleid niet deugt, zo stelde hij, moesten we maar niet op hem stemmen. Petra Van Brabandt repliceerde laconiek dat we nu ook niet op hem konden stemmen, hij kwam immers niet op met de verkiezingen. Hij zit bij toeval op deze post.

De interventie die er op volgde, kon Gatz nog moeilijk ontwijken: Diederik Peeters zette zich naast de minister en las hem vriendelijk maar kordaat een brief voor. Een relaas over de dubbele klap die de kunstenaar kreeg. Naast de besparingen op het beschikbare kunstenaarsbudget zullen ook de besparingen op de instellingen aan de kunstenaar doorgerekend worden.

Een zakelijk leider als Stefaan De Ruyck (Vooruit) benadrukte dat in zijn opinie De kunstenaar zelf ligt op het kapblok (DS, 24/09): besparen op structurele werking is bijzonder moeilijk, de kunstenaar is daarentegen een variabele kost. Omdat de situatie van de kunstenaar vandaag zo precair is, deed Peeters meteen een paar rake constructieve voorstellen. Iets dat vandaag bovenaan op het politieke agenda moet staan: de sociale zekerheid van de kunstenaar. Want zoals het er nu naar uit ziet, staat het kunstenaarsstatuut vanaf januari op de helling.

Gatz schoot vervolgens even van de pedalen met het antwoord dat hij bijvoorbeeld ook bij Jeugd moet besparen. Kunstenaars moeten dus niet denken dat zij alleen het slachtoffer zijn. Hij voegde er aan toe dat we hopelijk niet de hele avond over geld zouden praten. Een bizarre reactie, want besparen op de jeugd is evengoed een probleem en als je niet met de bevoegde minister over besteding van middelen kan praten, met wie dan wel?

Maar Gatz herpakte zich: wat die ‘fitness’ betreft, om terug te komen op iets dat hij in een interview met Walter Trio verklaarde (Klara, 27/09), daarmee bedoelde hij niet dat de sterkste of de rijkste wint. Het kon ook de origineelste zijn. Hij nam de KVS als voorbeeld. Opmerkelijk, want dit cultuurhuis ondergaat nu een zware besparing en wordt in het regeerakkoord bij naam geviseerd: het zou meer Vlaamse vlag en wimpel moeten worden.

De interventie van Linda Suy, vervolgens, haakte hier met een knappe metafoor handig op in: eerder dan fitness is er permacultuur nodig. De kunsten zijn een ecosysteem, geen monocultuur waar je zomaar wat kan ploegen, zaaien, sproeien en oogsten. Soms duurt het jaren vooraleer er een rijk, veerkrachtig weefsel groeit. Door kranen dicht te draaien, zet je meer droog dan je lief is. Het marktdenken van het Angelsaksisch model daarentegen, staat gelijk aan een aversie voor artistiek risico, het botst met democratische controle en betekent sowieso een verlies aan sociale en maatschappelijke focus.

Kate MacIntosh voegde er later fijntjes aan toe dat ze in het verleden het Angelsaksisch model persoonlijk al in andere landen heeft mogen ondergaan: ‘misery starts when business is becoming the curator.’ Het beste bewijs dat dit model niet werkt, zou volgens haar de meeting zelf zijn: de vele internationale aanwezigen zijn ‘culturele asielzoekers’ die samen met andere kunstenaars in Brussel nog wel kunnen realiseren wat elders al lang onmogelijk werd. Het resultaat is een diverse mix uit alle hoeken van de wereld. En diversiteit, zo stelde de minister terecht, daar moet toch aan gewerkt worden?

Het nieuw Kunstendecreet is slechts een basis voor overleg

 

Suy wees er tevens op dat het ondemocratisch is om het nieuwe Kunstendecreet als een voldongen feit te zien. Het zit vol valkuilen, je kan er alle kanten mee op. Overleg is nodig met alle betrokkenen. Dat is een cruciaal punt dat An De Bisschop (Demos) ook al benadrukte in een stevig opiniestuk De berg komt wel naar Mozes!, dat ze als reactie op een schuine column van Tom Naegels schreef, maar dat De Standaard blijkbaar weigerde. Te kritisch wellicht, voor de Ombudsman dan. Over de nood aan zelfkritiek gesproken…

Be aware: onder de camouflage van mooie progressieve ideeën over diversiteit bevat het nieuwe Kunstendecreet heel wat Trojaanse paarden, waarmee de uitverkoop van de sector meteen zijn beslag vindt. Een ‘cross-over’ met creatieve industrie? Ook dat wordt tegenwoordig verkocht onder het mom van een schottenloos en divers cultuurbeleid. Suy benadrukte hoe dit decreet de grote instellingen nog meer zal bevoordelen. De Bisschop wijst daarenboven op het nefaste neoliberale karakter van het beoogde beoordelingssysteem. Zonder deze waakzaamheid zet het decreet de deur open voor de stille overname door de markt.

Het voorlopig goede nieuws is dat Gatz aangeeft dat we daar inderdaad nog over moeten praten. Afgaande op zijn beleidsnota echter, en met N-VA als partner, valt het zeker te vrezen dat vooral de hefbomen voor een rechtse en marktconforme cultuurpolitiek, die dus in dit decreet al klaar zitten, benut worden en andere niet.

Suy gaf voorts aan dat de kunstensector als ecosysteem evenzeer impliceert dat er sommige initiatieven artistiek uitgebloeid geraken. Het decreet riskeert daarentegen instellingen in stand te houden die beter zouden ‘uitstromen’. Dat ontlokte aan Gatz de bedenking dat het moeilijk is die keuzes te maken. Als minister krijg je dan kritiek over je heen.

Myriam Van Imschoot was het daar terecht mee oneens. Wie de adviezen van de beoordelingscommissies bekijkt, merkt dat de sector wel degelijk aan zelfkritiek doet en jaar naar jaar moeilijke aanbevelingen maakt over wat moet blijven en wat niet. Helaas overrulen ministers dat steeds vanuit partijpolitieke dienstverlening, met als gevolg een sector die uitwassen en staartgroei kent. De minister moet dus helemaal geen nefaste kaasschaaf hanteren, maar gewoon de adviezen van de sector zelf ter harte nemen. Dat democratisch werk is de vorige jaren al gedaan, hij kan dat zo overnemen.

Nog voorlopig goed nieuws: op de vraag van Bart Vandenput wat er met de provinciale cultuurwerking zal gebeuren, antwoordde Gatz dat die middelen na het afschaffen van de provincies niet verdwijnen maar overgedragen zullen worden: ‘you can quote me on that’. Christophe Meierhans deed een reeks strategische voorstellen voor een beter cultuurbeleid zonder daarbij het belang van de publieke ondersteuning van de kunsten te ondermijnen of kunst te verwarren met entertainment of creatieve industrie. Gatz vond het voorwaar interessante ideeën die hij zeker wil overwegen.

Katrien Reist, ten slotte, wees op de meerwaarde van de collectieve werking eigen aan artist-run organisaties. Ook de kunst heeft een economie, maar ze is daarom nog geen economie. Dat is een essentieel inzicht dat vandaag fel onder druk staat. De alternatieve modellen van samenwerking, kennisontwikkeling en creatie die kunstenaars onderling ontwikkelen, bieden waardevolle rolmodellen of prefiguraties voor een andere huishouding van onze toekomstige samenleving. Dat gaat niet over verkoopbare output, wel over innovatief sociaaleconomisch veldwerk.

En wat zou Gatz er van vinden om in de driehoek die de sector is, met instituten aan de top en kunstenaars aan de basis, de rollen eens om te keren? Geef de basis eens de middelen en laat instituten hun best doen om de kunstenaar ervan te overtuigen om met hen samen te werken? Kortom, binnen het beschikbare budget kan Gatz in principe wonderen doen. Het is een kwestie van willen.

Het democratisch conflict

 

Even een stap terug. In tijden van drastische besparing, die zonder overleg dictatoriaal werden opgelegd, en een beleidsnota die ontegensprekelijk wil inzetten op de vermarkting, zou je verwachten dat kunstenaars en hun organisaties passen voor overleg. Ook de kater van het ‘cultuurforum’ van voormalig minister Schauvliege speelt mee: zij verzamelde de sector in een kring voor een ‘allemaal-samen-strategie’, om daarna het overleg danig te rekken zodat uitputting intrad, om dan uiteindelijk eenzijdig de ministeriële beleidsnota door te drukken. Niet opnieuw. Het vertrouwen is weg.

Voor kunstenaars was het overleg met Gatz opschorten strategisch echter geen optie, om de eenvoudige reden dat ze nog niet aan de onderhandelingstafel uitgenodigd waren. Dat ligt nu anders: minister Gatz kent hun eisen en mag zich aan reacties en acties verwachten als blijkt dat ook hij wil ‘discussiëren’ voor de schone schijn.

Het pleit voor de minister dat hij zijn avond vrijmaakte en beloofde om open te staan voor een vervolgoverleg. Als zijn legitimiteit als kunstliefhebber en democraat hem dierbaar is, dan kan hij State of the arts simpelweg niet negeren. Hun protest loont: ze wisten kunstenaars te mobiliseren om samen stapsgewijs hun conflict met deze regering op scherp te stellen, en vinden bij elkaar de stimulans om pacifisme en defaitisme te overwinnen.

Dat is niet alleen sterk maar ook belangrijk, want zij representeren de bron sector. Inzake cultuurpolitiek zijn zij de eigenlijke oppositie van onderuit. Laten we ons dus zeker niet misleiden door de fameuze commissie Cultuur in het parlement. Van de 15 leden bevat die slechts 3 oppositiestemmen. Daar kunnen we dus vooral veel theater voor de tribune verwachten. Beleidstechnisch kan Gatz er met een knip zo elk beleid gestemd krijgen zolang hij N-VA op hun wenken bedient. Er zal alleen sprake zijn van echte democratie, zonder mediagenieke cosmetica, als de minister rekenschap geeft aan de eisen van kunstenaars.

To be or not to be: ministeriële legitimiteit?

Legitimiteit is de minister dierbaar. Dat blijkt uit het feit dat Gatz de vergelijking met de Nederlandse kaalslag die avond afwees. Hij is naar eigen zeggen Zijlstra niet, want de sanering is minder zwaar en het klopt niet dat hij er op aanstuurt dat kunstenaars en hun instituten maar een oplossingen binnen de markt moeten zoeken. Want in tegenstelling tot Zijlstra, zegt Gatz dat hij wél naar publiek geld wil zoeken.

Die tegenargumenten hangen helaas als een ballon te zweven aan een draadje, zo licht zijn ze. Want de Vlaamse besparing is misschien minder zwaar, het Vlaamse budget lag in vergelijking met het Nederlandse budget al veel lager, onderging al menige kaasschaaf en onze kunstensector is al jaren niet geïndexeerd. De Vlaamse besparing is er bovendien een van meerdere fronten. Vervolgens, met zijn voorkeur voor het Angelsaksische model kiest Gatz wel degelijk voor vermarkting – zijn beleidsnota is op dat punt historisch en du jamais vu. Hij mag dan wel de intentie hebben publiek geld te zoeken, mooi, daar zijn vooralsnog geen vooruitzichten op.

Het enige verschil zit dus in de attitude: Zijlstra sprong op de kar van de apathie jegens de kunstwereld, die bij een breed publiek ook vlot gecultiveerd werd door de grote media aldaar. Gatz wil daarentegen zijn gezicht niet verliezen en naar eigen zeggen wél iets betekenen voor de sector.

Toch is hij functionaris in een regering die zich duidelijk tegen de kunstwereld keert. Toch heeft hij nog geen enkele toegeving op de besparingen gedaan. Integendeel: met de cultuurnota kiest hij duidelijk voor de verdere uitverkoop. Gatz zal dus wat beter aan de façade moeten werken. Om maar iets te zeggen, waarom reageert de minister eens niet op hoe De Standaard recidiveert in hun rancuneuze beeldenstorm tegen de cultuursector?

Een week na de stomp in de maag van Tom Naegels deed die krant het gestamp nog eens over: als opwarmer voor het interview met Gatz’ medewerker Sigrid Bousset stelt journalist Filip Rogiers dat in de tijd van Eric Antonis en Antwerpen 93 alles nog wel prima was: “het leek toen alsof kunst de wereld nog kon redden, vandaag is de vraag eerder: kan de kunst zichzelf wel redden? Zou ze niet beter eerst bewijzen wat ze waard is, voor ze over korting op subsidies begint te klagen? Dat alles van waarde weerloos is: zelfs kunstenaars beginnen er van te geeuwen.” ( DS Weekend, 22/11).

Je kan niet beweren dat je met dergelijke cynische tussendoortjes nog een mediadebat wil voeren. Het is de georganiseerde vernedering met het oog op heksenjacht. Alleszins een gemiste kans voor een Cultuurminister die zijn cultuurliefde wil duidelijk maken, wars van een Big Beer business discours.

Kortom, de kunstwereld is samen met Hart boven hard vertrokken voor een lange cultuurstrijd en zal nog veel harder op haar strepen moeten staan. Het is een hart- en zielenstrijd waarmee ze ook zichzelf kan heruitvinden.

by-nc

Advertenties

Sociale strijd schept welvaart

10509551_1556536214560904_6698254029175740274_n

Sven Naessens 

Volgende zin gaan we nog ettelijke keren moeten aanhoren de komende weken én maanden: “Elke staking kost handenvol geld.” Hoeveel geld juist, dat weet eigenlijk niemand, het valt dan ook niet te berekenen. Behalve zij die elk verzet veroordelen, die denken dat immers wel te kunnen natuurlijk. Hun betere natte vingerwerk doet ze dan ook fictieve bedragen ophoesten om die vervolgens als fluimen richting de publieke opinie te speken. Alles is geoorloofd om de angstpsychose, een favoriet onder de wapens om verzet te breken, nog wat extra te versterken. Daar waar een vorige algemene staking volgens VOKA nog 70 miljoen euro moest kosten, is dat nu volgens diezelfde VOKA rekenmachine reeds een veelvoud geworden.

De enige vaststelling die je dan nog kan doen is dat de Muytersiaanse wiskunde wordt gehanteerd als men tegenstand wil fnuiken, en zodoende zwellen de bedragen dagelijks als rotte vissen op het droge.

Money, money, money

De inzet van deze angstpsychose is dus geld en wie geld zegt, die zegt ook economie. Of economen. U weet wel, zo van die mensen die het lange termijn denken een hoog knuffel gehalte toemeten.

Maar dat lange termijn denken, dat gebeurt nooit bij een staking en dus kan je jezelf de vraag stellen of die uitspraak, elke staking kost handenvol geld, wel klopt eigenlijk. Want is het zo dat je nu reeds, binnen die knuffel-economie, kan zeggen dat deze stakingen geld zullen kosten? En ook belangrijk, over wie zijn geld heeft men het dan?

En als men het binnen die discussie heeft over het creëren van welvaart, gaat dat dan exclusief over het nu, of ook over dan, wat verder weg dus.

Wie weet brengt staken uiteindelijk wel gewoonweg op?!

Je kan jezelf dus wel wat vragen stellen over een algemene staking en dus dacht ik: “Het is misschien wel eens interessant om er de geschiedenis op na te slaan.”

Sociaal verzet als motor van welvaart

Een eerste grote algemene staking op Belgische bodem vond plaats in 1886, aangevuurd door een Luikse herdenking van de Parijse Commune. De progressieve gevolgen voor de gewone werkmens waren enorm. Neem nu het jaartal 1889, een jaar waarin een reglementering aanvaard werd op de vrouwen en kinderarbeid. Of de strijd voor meervoudig algemeen stemrecht , in 1893, die een kleine halve eeuw later voor de invoering van het vrouwenstemrecht (1948) zorgde. Via de eerste wet op de ziekenfondsen (1894) evolueerden we naar ziekenfondsen met een invaliditeitsfonds, en breder bekeken naar onze gezondheidszorg van nu, tot voor kort toegankelijk voor iedereen. De lijst met verwezenlijkingen is te lang om hier neer te schrijven maar het waren realisaties die een bepaalde soort van welvaart creëerden, en ze zijn allemaal ontstaan vanuit die ene gewonnen algemene staking.

Ook toen riepen waarschijnlijk enkele mensen, stijf in den eik, al dan niet voorzien van een monocle bengelend rond hun rechter oog, en aristocratisch zeverend op een dikke sigaar: “Dat kost onze economie handenvol geld!”

Maar kijk, de lonen stegen, er was een langzame positieve ontwikkeling over heel Vlaanderen, met meer aandacht voor onderwijs, vorming en culturele waarden. Bedrijven pakten hun valiezen niet om een ganse bevolking verdwaasd achter te laten. Er zal wel veel gesakker zijn geweest maar het gevolg was simpel: er werd welvaart gecreëerd, voor iedereen. Want geld dat mensen verdienen gaat op de ene of de andere manier steeds weer terug naar de economie. Dat was toen zo en dat is nu nog steeds zo.

En er was meer. Door de gewonnen strijd ontstond het geloof dat er wel degelijk alternatieven waren, en dat geloof, dat wierp nog lang zijn vruchten af. En op de lange termijn profiteerde iedereen van die gewonnen strijd.

De algemene staking van 1936 is gekend, wat men toen bereikte ook. De lonen werden verhoogd met minimum 32 frank per dag, arbeidstijd werd afgebouwd naar een veertig uren week, de vakbonden werden erkend en het betaald verlof ontstond.

Smolten bedrijven toen als sneeuw voor de zon? Neen. Propten alle rijke mensen hun valiezen vol, met geld van onder de matras, om het land te ontvluchten? Natuurlijk niet. De korte termijn opbouw van hun rijkdom werd weliswaar even getemperd, maar er werd wel, opnieuw, welvaart gecreëerd. En binnen de termen van de knuffel-economie betekende dat voor hen uiteindelijk ook opnieuw groei.

Niet elke algemene staking is een succes?

De strijd tegen de eenheidswet (1959) kende een hoge tol. Mensenlevens gingen verloren en er werd geen echte winst, what’s in a name, geboekt. Wel werd het koopkrachtniveau van de werkende klasse gevrijwaard maar een grote progressieve doorbraak kwam er niet. In geld afgemeten kan je dus stellen dat de algemene staking er toen voor heeft gezorgd dat het de gewone werkende mensen minder zou kosten. Of dat dan genoeg is om van winst te spreken, dat is voer voor een andere discussie.

De laatste algemene staking was #30J. Opnieuw geen grote overwinning, nu was het enkel wat gemorrel in de marge richting het behoud van de status quo.

Dit om te zeggen, er is ook een ferme maar.

En toch is de sociale strijd broodnodig want de lijst met zaken die nog moeten worden gerealiseerd is lang, en zal ook nooit af zijn. Ook dat bewijst de geschiedenis. Elke evolutie draagt nu eenmaal nieuwe sociale strijd in zich. En moest er al ergens een sociale consensus bestaan in de geesten van de mensen dan zouden vakbonden overbodig zijn. Maar het is een onmiskenbaar gegeven dat we enkel via sociale strijd belangrijke progressieve realisaties hebben kunnen afdwingen, of de complete asociale afbraak (deels) hebben kunnen tegenhouden.

En hoe je het ook draait of keert, het waren steeds weer resultaten die ten goede kwamen van de gewone werkmens.

Bovendien hebben meer gegoede mensen nog nooit voorstellen gedaan waarbij hun korte termijn opbrengst verlies zou lijden, ook al hebben ze op lange termijn, als uitkomst van die vele acties, wel mee geprofiteerd.

Realistische alternatieven

Een vaststelling is wel dat wij als gewone werkmensen al lang geen echte successen meer hebben geboekt via strijd. Politieke beslissingen zorgden bovendien keer op keer voor het verder afbrokkelen van onze welvaart terwijl vermogens bleven stijgen. De gepresenteerde politieke rekening is dit keer nog harder dan vorige keren, echte positieve verandering zit er dus weer niet in. Nochtans kan dat wel, want nog nooit was er zoveel geld te herverdelen.

En er is bovendien keuze zat tussen manieren om dat te doen!

Arbeidsduurvermindering kan, moet zelfs, opnieuw voor extra banen zorgen. Het is immers ontegensprekelijk de enige manier om dat ook te bewerkstelligen. En behoud van loon zal ervoor zorgen dat onze koopkracht gevrijwaard zal worden, stijgen zelfs misschien. Vermogens belasten zal extra bijdragen tot het verhogen van onze welvaart.

Het zijn maar enkele uitdagingen waar we voor staan en de bewustwording richting de haalbaarheid van die alternatieven groeit gestaag.

Maar het geloof in al die ideeën is nog niet volgroeid, al komt dat eindpunt steeds dichter bij. Dat is dan ook de reden dat we die overwinningen, vooralsnog, niet gaan boeken. We gaan nog een tijdje moeten verder doen met onze acties. Het succes van deze algemene staking, en de vorige acties, zit in het feit dat deze alternatieven opnieuw een stuk aan populariteit winnen in de geesten van de mensen.

Al die alternatieven zullen, stuk voor stuk, geld opbrengen voor de gewone werkende mensen. Opnieuw voor welvaart zorgen. Dat staat als een paal boven water.

Maar in de laatste rechte lijn moeten sommige dogma’s nog verder doorprikt worden. Net zoals een deel van de werkende bevolking weemoedig aanvaardt dat zij het nu met minder zal moeten stellen, zo zal ook een deel van de toplaag zich gedragen eens de eerste overwinning wordt geboekt. Zij zullen niet zomaar verhuizen. Een vermogens-exodus is een afschrikmiddel van de veroordelers van de actie, maar nooit een gevolg van die actie.

Ook dat leerde de geschiedenis ons immers.

Je ziet dus, onze strijd is, nu en altijd al geweest, een strijd van lange adem. En deze keer zijn we dicht bij onze eerste overwinning sinds lang. De 120.000 mensen in BXL, de geslaagde provinciale acties van afgelopen maandag en de acties die komen gaan wijzen allemaal in die richting.

Als fervent actievoerder ga ik dus niet voor peanuts, het gemorrel in de marge. Nee ik ga vol voor de overwinning, ook al is het eindresultaat pas gekend binnen de knuffel-economie. Het zijn de overwinningen die voortvloeien uit sociaal verzet die zorgen voor echte progressieve veranderingen die de gewone werkende mensen ten goede komen, en ze hebben allemaal één zaak gemeen:

Op langere termijn zal de welvaart stijgen, zo simpel is dat. En dus kosten ze de gewone werkmensen niets, nee ze brengen op. En ook voor die anderen zal het opbrengen, al zullen zij ietsje langer moeten wachten.

by-nc

Stakingen zijn hinderlijk? Juist.

Jan Blommaert (en z'n gedachten)

we staken

Jan Blommaert 

De eerste stakingsdag op 24 november was een succes, ook – of misschien bovenal – in Antwerpen. Daar was immers al vanaf de Brusselse betoging van 6 november een bespottelijk spelletje bangmakerij aan de gang, waarin de anders zo bedaarde burgervader zijn meest groteske angstvisioenen projecteerde op de bevolking. Als we hem moesten geloven dan zou er op 24 november geen staking doorgaan maar een uit de hand lopende betoging, waarbij dankzij een enorme troepenmacht van politiemensen en honden (incluis aan zijn eigen woning) de afbouw van onze democratie door boze dokwerkers zou worden tegengehouden. Dat plezier hebben we hem niet gedaan. De staking was massaal, en de actie van de burgers – waarover straks meer – was dat eveneens. Maar de opgetrommelde ordemacht is grotendeels werkloos gebleven. De vele duizenden die op 24 november de staking in Antwerpen en omgeving een gelaat gaven bleken niet te intimideren…

View original post 2.571 woorden meer

De 360 ° werkkracht

Jan Blommaert (en z'n gedachten)

ScreenHunter_78 Nov. 21 12.44

Jan Blommaert, Paul Mutsaers & Hans Siebers,

Uit: De 360° Werknemer: De nieuwe arbeidscultuur en de eindeloze concurrentie. Berchem EPO, 2012

Over succes en kwaliteit

Eén van de meest hardnekkige kapitalistische mythes is die van de rationele consument, die op elk ogenblik het beste product tegen de beste prijs zal zoeken. Die bewuste consument controleert zo de markt: een kwalitatief laagwaardig product of een product waarvan de prijs niet in verhouding staat tot de kwaliteit zal de consument spoedig links laten liggen. Wie dergelijke slechte producten vervaardigt moet zich permanent aanpassen aan die rationele oordelen van de consument, want de marktpositie van de producent is er volledig afhankelijk van.

Die mythe wordt door alle mogelijke feiten tegengesproken. De consument blijkt in werkelijkheid niet rationeel te zijn, maar uitermate beïnvloedbaar door reclame en groepsgedrag, waardoor objectief slechte producten in een aantal gevallen tot de best verkochte behoren. Mensen geloven in…

View original post 11.254 woorden meer

Het kapitalistisch realisme van Bourgeois I

ScreenHunter_74 Nov. 19 16.40

 

Robrecht Vanderbeeken 

Aantonen dat onze Vlaams beleid inzake ideologie ver heen is, kan eenvoudig zijn. De filosoof Mark Fisher werd bekend met zijn boekje Capitalist Realism waarin hij een diagnose maakt van de ziekte van onze tijd: hoewel de kapitalistische organisatie van onze economische huishouding een keuze is, want het gaat om mensen die beslissen dit zo te doen, beschouwen we het als een onontkoombaar natuurfenomeen. Er zou domweg geen alternatief voor zijn.

Dat maakt het beleid dat onze bestuurders voeren tot wat ‘postpolitiek’ heet, omdat dit beleid ideologisch vanuit een pensée unique vertrekt. De mooie vormgegeven en kleurrijke staalkaart aan politieke partijen blijken immers vele kleuren grijs te zijn. Het gaat in ideologisch opzicht om een opvallend smalle bandbreedte.

Neem vervolgens de beleidsnota ‘Algemene omgevingsanalyse voor Vlaanderen bij de hand. Dit document omschrijft hoe de huidige Vlaamse regering de wereld wil zien. Het wereldbeeld, zeg maar, waarop ze hun beleid zullen uitzetten. Daar staan veel merkwaardige zaken in. Scrol vervolgens ineens door naar de conclusie en stel vast hoe het bespaar- en vermarktingsbeleid dat de regering wil doordrukken (als we er niet in slagen ze te doen vallen…) wordt voorgesteld.

Ze noemen het een ‘verzelfstandiging’. Klinkt beter, want we zijn ten slotte toch geen kleuters. Het zou om een fenomeen gaan dat zich in de toekomst zal voltrekken. Een beetje zoals de seizoenen, of eb en vloed. Het is uiteraard naïef om tegen die ‘realiteit’ in te gaan. Het is ook treffend om lezen dat ‘de crisis’ hier als een persoon of instantie wordt voorgesteld die voor ons een bepaald beleid verkiest. Leest u even mee?

Onder ‘3.2 VOORUITZICHTEN’ lezen we: “Vanuit een recente analyse van het verzelfstandigingsbeleid in dertig landen (Verhoest e.a., 2012) detecteert Verhoest (2012) drie belangrijke trends die waarschijnlijk een weerslag zullen hebben op het verzelfstandigingsbeleid in Vlaanderen. In de eerste plaats blijkt het erg moeilijk om verzelfstandigde organisaties op eenduidige manier aan te sturen. Daarnaast dwingt de crisis ertoe om meer en intenser samen te werken tussen departementen, agentschappen en andere organisaties. Verder spelen er veel meer factoren dan verzelfstandiging om te komen tot een goed en performant bestuur.

Daarmee samenhangend zullen ook de samenwerkingen met de privésector verder toenemen en intensifiëren. De grote maatschappelijke uitdagingen, de immense financieringsbehoeften en de noodzaak om te innoveren en tot meer efficiëntie te komen bij de realisatie van publieke taken, zijn daar niet vreemd aan (Europese Commissie, 2009). Er kan worden verwacht dat de thans gehanteerde technieken en vormen van publiek-private samenwerking die de afgelopen jaren zeer matuur zijn geworden, zullen evolueren. Verhoest (Verhoest, 2012) ziet drie trends waarlangs pps zich de komende jaren zal ontwikkelen.

In de eerste plaats zal pps verder aan belang winnen op het lokale niveau en zal het voor kleinere en lokale projecten belangrijk blijven. Verder zal vooral de financiering (lenen, betalen, waarborgen …) het grootste pijnpunt of de grootste struikelblok zijn in tijden van financiële en economische crisis.

Ten tweede is te verwachten dat er een diversificatie van pps zal komen, zowel naar vorm, sectoren als financieringswijze. Tot nog toe berusten veel vormen van pps in belangrijke mate op private financiering, maar door de financieel-economische crisis is dat minder evident geworden.

Ten derde is een verdere standaardisatie noodzakelijk opdat pps ook aantrekkelijk is voor kleinere projecten, maar moet er op sommige vlakken (zoals bij contracten) toch aan maatwerk worden gedaan. Waar dus op het gebied van verzelfstandiging kan worden verwacht dat in de toekomst minder zal worden ingezet, zal het belang van publiek-publieke en publiek-private samenwerking en afstemming toenemen.”

Bon, u hoort het: professor zonnebloem is langsgegaan bij madam soleil. Het enige wat we nog moeten doen is een sterrenkijker bovenhalen en naar de lucht staren. Vaststellen hoe de privatisering uit de lucht zal vallen, hoe er privaat-publieke constructies als sterren aan de hemel zullen verschijnen en hoe daar het sterrenbeeld van de melkkoe in te ontdekken zal zijn. Want ‘de crisis’ wil dat wij, de gemeenschap, die noodlijdende privaatpublieke hemellichamen wat meer van ons sterrenstof toewaaien, ‘zuurstof’ blazen, vanuit de kant van het publieke.

Voila. Laten we al die mediadebatten nu maar opschorten en op het strand gaan wandelen. Doe toe, die parlementen met al dat ‘onfatsoenlijk’ geruzie. Al die democratische schijn is eigenlijk blasfemie, want het staat toch al in de sterren geschreven. De goden hebben het zo beslist. Wees gegroet, vol genade, zonder amen.

by-nc

 

De berg komt wel naar Mozes!

An De Bisschop

Over de marktlogica in  de kunstensector en hefbomen voor een meer maatschappelijk verankerd kunstenveld  Een reactie op Tom Naegels.

linkse-hobby

Aliënatie in de kunstensector 

Er is één reden waarom ik niet graag ombudsvrouw zou zijn bij de krant: je moet over alles kakelen, ook al ben je niet erg vertrouwd met de feiten op het terrein. Soms levert dat misschien interessante perspectieven op, maar vaak krijgen we pamfletten die de toets met de werkelijkheid amper kunnen doorstaan. “Het einde van de kunstenaar” (DS, 15/11) is zo’n pamflet.

Ik wil het debat scherper voeren, vanuit concrete praktijken en het actuele beleid. Om te beginnen is de titel “einde van de kunstenaar” vreemd. Beleidsmatig is er geen neoliberaal geloof groter dan dat in de individuele kunstenaar –tenzij dan het geloof in de individuele ondernemer. Het is niet de kunstenaar die morgen van tafel zal worden geveegd omdat hij er (eventueel) een modern ideaal van de betekenis van kunst op nahoudt. Het is eerder de kunstenséctor als maatschappelijke subsector die dreigt te worden ingehaald door maatschappelijke realiteiten en zichzelf zodoende buiten spel plaatst: superdiversiteit, de steeds groeiende armoede,  de concentratie van problemen en uitdagingen in de steden,…Wat doen we hiermee in de kunstensector? Nog eens een boompje opzetten over autonomie? De kloof tussen de kunsten en de superdiverse samenleving is wel écht groot geworden. Het participatieprobleem ligt niet bij de ‘onkundigen’. Het probleem situeert zich wel degelijk op het niveau van een maatschappelijke subsector die een open verhaal moet schrijven waarin elke burger zich herkent en zich erkend weet.

De reden waarom dit niet lukt, ten tweede dus, ligt niet in een dictatuur van een modern kunstideaal, maar in het eenvoudige feit dat dit verhaal voor 95% geschreven wordt door blanke-middenklasse-hoogopgeleide mensen. Kortom, de vervreemding heerst. Meerdere pleitbezorgers van een diverser en sociaal rechtvaardiger kunstenbeleid zijn het intussen zat te roepen in de woestijn en (op vraag) plaatjes rond diversiteit te draaien voor plechtige studiedagen, redevoeringen en gezellige onderonsjes die men dan kritische debatten noemt.  Met Dēmos besloten wij intussen het geweer van schouder te veranderen en bestaande kleine projecten, kunstenaars en informele netwerken van makers te ondersteunen die onder de radar zitten, zodat die groter en sterker worden en hopelijk binnenkort hard op tafel kunnen slaan en hun plaats opeisen in dat verhaal. Als Mozes niet naar de berg komt, zal de berg wel naar Mozes komen

Vermarkting als ruggengraat?

Ten derde is er inderdaad het spook van de neoliberale vijand dat overal aanwezig is als belager van de kunsten. Het wordt een quasi-verplicht nummertje in het voorspelbare ‘tegenverhaal’. Maar veel belangrijker dan vrijemarktprincipes als externe vijand van de kunsten aan te duiden, is dat deze ‘vijand’ zich vooral erg diep in het kunstenbedrijf heeft genesteld: publieksaantallen, verkoopcijfers, media-aandacht, bekende koppen,…het DNA van de kunstensector is deels neoliberaal! En nu hebben we met zijn allen een nieuw Kunstendecreet uitgetekend dat daar nog een  schep bovenop doet. Organisaties worden niet langer beoordeeld vanuit een (multi)disciplinair verhaal maar wel vanuit ‘functies’. De beoordeling van subsidieaanvragen zal ook niet langer gebeuren door commissies die een dialoogtraditie en expertise opbouwden, maar wel door ad hoc gekozen beoordelaars die in steeds wisselende formatie dossiers zullen scoren en ranken. Echter, de kwaliteitsdiscussie in de kunsten zal àltijd teruggaan naar de disciplines als vormentaal en moèt vorm krijgen in een tegensprekelijke dialoog tussen experten: ‘intersubjectiviteit’ heet dat, objectiviteit is gewoon een mythe als het gaat over kunst. Nog een laatste voorbeeldje zijn de grote Vlaamse kunstinstellingen die al met de hoofdprijs gaan lopen van voor de wedstrijd begonnen is. De groten worden groter, de kleintjes worden in de concurrentie geduwd en krijgen interimstatuten. Dit vernieuwde Kunstendecreet is dus een goed voorbeeld van de grote uitverkoop van de ziel van de kunsten aan de neoliberale logica, en bovendien grotendeels uitgeschreven door de sector zelf. Frie Leysen had een punt. We zijn “gesubjectiveerd” door de ons omringende marktlogica. De sector moet dringend op zoek naar een eigen stem en kracht.

Maatschappelijke tegentrends

Maar het is natuurlijk niet allemaal kommer en kwel in de kunsten. Ik ben namelijk een grote believer in de kunsten, ondanks de nood aan een “bestorm-de-bastille” in kunstenland en de marktgerichte benadering in de jongste beleidsnota Cultuur. Enkele ontwikkelingen en praktijken zijn hoopvol: ten eerste de vele sociaal-artistieke werkingen en projecten die met mensen van alle slag en stand artistiek creëren. Ze zijn hét bewijs dat kunst ook voor moeilijker bereikbare groepen toegankelijk en maatschappelijk relevant kan zijn in verschillende aspecten: concept en creatie, productie, spreiding, etc. Die sociaalartistieke werkingen bouwden al een sectoroverschrijdende praktijk uit van voor dit woord ter sprake kwam in het kunstenbeleid. Alle reden dus om zuurstof te creëren voor deze praktijken met een zeer hoge maatschappelijke ‘return on investment’.

Ten tweede schieten kleine en middelgrote netwerken en presentatieplekken voor kunstenaars van diverse origine als paddenstoelen uit de grond. Elke dag bewijzen ze hun relevantie: Filmfestival Système D, Platform Gen2020, Kunstenfestival 0090, De Gentse Lente, Espace Magh, Mestizo Arts Festival,…Hier zijn de publieken wél divers, de inhouden wél ‘tegendraads’,…Kortom, zij zijn het bewijs dat interculturaliseren in de kunsten niet gaat over engagementsverklaringen ondertekenen maar wel over het installeren van een praktijk.

Ten derde merken we dat collega-groepen zoals “podium*ops” voor makers van voorstellingen met personen met een beperking een groot succes zijn. Dat wil vooral zeggen dat het draagvlak voor dit soort kunstpraktijken groeit. En met hen groeit ook het bewustzijn dat kunst maken met kansengroepen geen ‘welzijnswerk’ is maar gewoon kunst.

We zien ook, ten vierde, dat veel kunstenaars en kunstenorganisaties zich engageren op maatschappelijk vlak, bijvoorbeeld in het recente “Hart boven hard”: dit toont dat kunstenaars en professionals in de sector niet onverschillig zijn voor de maatschappelijke realiteit en niet alleen preken in de kerk (knipoog naar Tom Naegels) maar ook als burger onder de burgers zeer zinvolle bijdragen leveren vanuit hun expertise en eigenheid.

En tot slot, het laatste hoopvolle signaal zal hopelijk altijd blijven bestaan, en dat is dat kunstenaars gewoon oprecht en eerlijk creëren, praten over hun werk en zoeken naar de relevantie van hun werk. Kunst is in die zin geen utilitair concept. De maatschappelijke betekenis en relevantie ervan kan ook nooit perfect gepland-gescreend-gemonitord worden. De relatie is wel iets complexer dan het afwijzen van een metafoortje van de zee.

Als we met deze en  andere hoopvolle signalen verder werken, en de ‘hardware’ aanpassen aan de ‘software’ in plaats van andersom, dan is er een mooie en bijzonder maatschappelijk relevante toekomst weggelegd voor de kunstensector in Vlaanderen.

 

by-nc

Almaci: een kans op linkse herbronning

Jan Blommaert (en z'n gedachten)

592536

Jan Blommaert 

Nu Meyrem Almaci voorzitster is geworden van Groen ontstaan er een nieuwe mogelijkheden. Er heerste ter linkerzijde een structureel wantrouwen tegenover Groen als een wispelturige en onbetrouwbare partner, die bij momenten bereid was om heel wat water in de wijn te doen en die huiverde wanneer het etiket “links” op Groen werd geplakt. Almaci is de figuur die dat in de praktijk – kijk naar de oppositie in de Antwerpse gemeenteraad – kan ontzenuwen. Ze bezit als één der weinige Groenen een volledige geloofwaardigheid bij links (ze was, bijvoorbeeld, een constant deelnemer aan de Dag van het Socialisme), en ze is pragmatisch genoeg om SP.A en PVDA hun eigenheid en trots te laten terwijl ze toch als één front tegen de extreemrechtse krachten ingaan.

Er is nog meer. Dankzij de linkse paraplu neemt de Groen-agenda een nieuwe dimensie aan. Van een softe milieu-agenda kan het een antikapitalistische kritiek…

View original post 214 woorden meer