Wat is de inzet van het sociaal protest?

110110_jeugdzorg1k

 

Stijn Raes

Dat de huidige regering met een imagoprobleem zit is misschien een understatement. Haar rancunepolitiek waarin ze in woord en daad scherp afrekent met al wat geurt naar (vermeend) socialistisch bewind, en daarbij stil of minder stil de wensdroom van een splendid isolation koestert, kan duidelijk slechts een deel van de bevolking bekoren. De kracht van verandering bestond in de eerste plaats uit de kracht van de afbraak, niet alleen van concrete beleidsmaatregelen (bv de afschaffing van de pensioenbonus of de afbouw van de strijd tegen de fiscale fraude), maar ook van een sociaal overlegmodel.

De afbouw van een overlegmodel

Met de machtsdronken roes van de verkiezingsoverwinning kwam ook de wervelwind van de vernieuwing, die het bestaande politiek landschap en politiek beleid per direct van de kaart moest wegvegen, omdat deze, als we het moeten geloven, een accuut falen van onze economie en welvaart zou veroorzaken. Verandering moest er komen, onder wat voor omstandigheden dan ook. Daarbij was moed nodig, meer dan overleg. Dat deze regering hiermee de moed en de fairness van een stelletje jagers toonde die tamme fazanten afschieten, werd niet als een probleem beschouwd.

Dat verandering een breed draagvlak vraagt, ook en vooral bij die groepen die hier het sterkst de gevolgen van zullen dragen, was hoogstens een storend detail dat enkel de snelheid van deze urgente ommekeer kon beperken, en dat dus gemakshalve terzijde werd geduwd. Het is het succes van het sociaal protest (dat trouwens breder is dan het verhaal van de vakbonden) dit hele proces te vertragen en de noodzaak tot een breed draagvlak van een klein detail te verheffen tot een onoverkombare realiteit.

Hoewel het sociale protest aanzienlijke proporties heeft aangenomen, ontstond er ook een soort morele verontwaardiging over deze vertragingsmanoeuvres. De protestacties werden als asociaal, kortzichtig, egoïstisch, inefficiënt, dwaas, etc. bestempeld. En het recht op staken werd plotsklaps tegenover het recht op werken geplaatst. De aangepraatte angst voor ‘meer van hetzelfde’ heeft duidelijk effect gehad.

Alle sociale acties, ongeacht hun oorsprong of finaliteit, beoogden tenminste één gemeenschappelijk doel: een breder sociaal overleg. De elementen die na de verkiezingen op de politieke agenda zijn geplaatst, zijn in die zin belangrijk dat ze een brede discussie behoeven waarin op zoek gegaan wordt naar een diep compromis. Beleidsdomeinen als pensioenfinanciering zijn te cruciaal om deze te laten afhangen van de ideologische invulling van een bepaalde legislatuur. Ook oppositiepartijen, sociale partners, middenveld, experten etc. moeten aan de tafel uitgenodigd worden om een gedragen beleid te creëren dat de tand des tijds van een legislatuur kan overleven. En daarvoor is meer nodig dan een formele uitnodiging tot gesprek. Het gaat om het voeren van een discussie over de grond van de zaak, die meer is dan het palaveren over punten en komma’s, om tot een compromis te komen dat duurzame keuzes maakt. Maar ook dit compromis wordt als een relikwie van een socialistisch verleden beschouwd, waarmee kil wordt afgerekend. Compromis en krachtdadig bestuur zijn onverenigbare begrippen geworden.

Naast een aanklacht tegen de politieke stijl van de huidige beleidsvoerders waarbij teveel wordt uitgegaan van het ‘winner takes it all’ principe, zijn er ook de inhoudelijke twistpunten waarop het sociale protest zich richt. Hierbij gaat het onder andere om drie fundamentele elementen: de pensioenhervorming, de loonlastenverlaging en de hervorming van de fiscaliteit.

Pensioenhervorming

Dat de pensioenen onbetaalbaar zouden worden is paniekzaaierij. Ook zonder een grondige pensioenhervorming konden de toekomstige pensioenen gefinancierd worden en veilig gesteld worden. Maar dan moesten er inderdaad andere keuzes gemaakt worden op andere beleidsdomeinen als onderwijs en cultuur. Als deze keuzes niet willen gemaakt worden, dringt een pensioenhervorming zich inderdaad op, maar niet omdat het bestaande systeem niet houdbaar meer zou zijn geweest. Een dag Di Rupo I extra zou de uitbetaling van de pensioenen ook op langere termijn niet in gevaar hebben gebracht.

Een van de meest in het oog springende maatregelen was het optrekken van de pensioensleeftijd tot 67 jaar. Deze leeftijdsverhoging blijkt in het huidige discours cruciaal in het betaalbaar houden van onze pensioenen. Waarom in de verkiezingsprogramma’s van de drie regeringspartijen echter geen sprake was van deze maatregel blijft evenwel een raadsel.

Los daarvan blijft deze leeftijdsgrens wel problematisch. Ten eerste omdat het een vaste grens is in plaats van gebaseerd te zijn op het aantal gepresteerde jaren. Het voorstel dat tot voor kort op tafel lag hield geen rekening met de eigenschappen van de te leveren arbeid en de impact daarvan op het persoonlijke leven. Hoewel hier onder druk van tegenpartijen al een meer genuanceerd idee is geformuleerd, blijft die verhoogde leeftijdsgrens voor de meeste werknemers bestaan.

Het blijft een vraagteken hoe voldoende én haalbare jobs zullen gecreëerd worden die mensen in staat zullen stellen tot hun 67 jaar te werken. De regering schafte o.a. de pensioenbonus af die als doel had oudere werknemers aan het werk te houden tot het einde van hun loopbaan. De motivatie om langer aan de slag te blijven wordt dus meer bestraffend dan belonend. De overheid heeft echter wel de plicht ervoor te zorgen dat iedereen een waardige en geschikte job heeft of vindt die tot deze leeftijdsgrens kan worden uitgevoerd. Dit vereist een innovatief werkgelegenheidsbeleids en een hervorming van de arbeidsmarkt. Enkel sleutelen aan de leeftijd om te genieten van een volwaardig pensioen is zich richten op een symbool in plaats van een grondige en duurzame hervorming dat kans heeft op slagen. De vraag is of de huidige ideeën volstaan om dit te realiseren.

In functie van een nieuw, vereenvoudigd doelgroepenbeleid werd door de huidige regering beslist de tewerkstellingspremies voor 50+ (waardoor het voor werkgevers aantrekkelijker wordt om werknemers van 50+ aan te nemen) af te schaffen ten voordele van een premiesysteem vanaf 55+. De vraag is evenwel of deze verschuiving gerechtvaardigd is. Hoewel de arbeidsmarkt inderdaad voortdurend evolueert, blijken de tewerkstellingspremies voor 50+ nog steeds populair, efficiënt en noodzakelijk.

Meer jobs zijn dus noodzakelijk, maar jobs moeten ook aangepast zijn aan deze leeftijdsgroep. Ook hierover is er vandaag slechts een gebrekkige visie. De toenemende flexibilisering van arbeid komt er op vraag van werkgeversorganisaties, maar bieden geen duurzaam antwoord op de uitdaging van kwaliteitsvolle jobcreatie. En vooralsnog is jobcreatie geen voorrecht van de privé-sector.

Hoewel de regering al wat water bij de wijn deed (bv in de uitzonderingen op de 67-jaar regel) en ook positieve elementen introduceerde (bv het opnemen van deeltijds pensioen), is deze pensioenshervorming een duidelijk voorbeeld van hoe de regering een eigengereide weg gaat en zonder overleg zich een beleidsdomein probeert toe te eigenen in plaats van op zoek te gaan naar spelregels die op lange termijn kunnen vastgelegd worden, en dus niet conjunctuur of legislatuurgevoelig zijn.

Loonlasten

Het dossier van loonlasten is complex, en een loonlastenverlaging, waarvan (bijna) iedereen de noodzaak inziet, is blijkbaar niet zo eenvoudig te realiseren. De hoge loonlasten in België zouden het concurrentievermogen van de Belgische bedrijven drastisch aantasten, en er is een groot draagvlak deze te verlagen (al toont een rapport van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven dat de loonmatigingspolitiek van de regering Di Rupo weldegelijk vruchten heeft afgeworpen en de loonhandicap met de ons omringende landen gevoelig verkleind heeft). De loonlastenverlaging heeft geen directe positieve gevolgen voor de werknemers, maar komt er duidelijk op vraag van de werkgeversorganisaties.

Vraag blijft echter wat hier tegenover staat. Waartoe verbinden de werkgevers zich met deze maatregel? Welke resultaatsverbintenis komt er in ruil voor deze toegift? In het politieke discours klinkt dat loonlastenverlaging extra jobs zou moeten creëren, maar dit wordt geen vereiste. De financiële ruimte die voor de werkgevers gecreëerd wordt door deze loonlastenverlaging moet niet verplicht gebruikt worden om arbeidsplaatsen te genereren of moet niet resulteren in een tewerkstellingsbeleid op maat van de huidige noden. Dit blijft een kwestie van vrijblijvendheid. Vandaag horen we al dat we niet mogen verwachten dat loonlastenverlaging jobcreatie tot gevolg zou hebben, maar dat het het jobverlies zou beperken. Een gemiste kans…

Loonlastenverlaging zouden ook lineair worden doorgevoerd, in plaats van zich te richten op de lagere lonen. Een dergelijke progressieve lastenverlaging kan vooral ruimte creëren voor jobs waarin vandaag vooral laaggeschoolden zijn tewerkgesteld. Dit zou een slimmere en meer gerichte zet zijn dan het lineaire verhaal waar de werkgeversorganisaties voor pleiten.

Hervorming van de fiscaliteit

Dat de belasting op arbeid in België te hoog is, is een open deur intrappen. Dat een tax shift van belasting op arbeid naar een vorm van vermogensbelasting mogelijk en wenselijk is blijkt minder evident en is zelfs voer voor verhitte debatten binnen de regeringspartijen. Al lijken er weinig argumenten om een vorm van vermogensbelasting te blokkeren (het argument als zou het niet staan in het regeerakkoord en om die reden onbespreekbaar is, houdt geen steek. Zoals Van Reybrouck schreef, ook de extra steunmaatregelen in de strijd tegen ebola stonden niet in het regeerakkoord, maar zijn er gelukkig wel gekomen).

De huidige belasting op arbeid is niet alleen te hoog, maar ook onrechtvaardig verdeeld. Topmanagers die (ten dele) verloond worden via aandelenopties (die ze kunnen verkopen als de prijs hoger is dan de aankoopprijs maar kunnen houden als ze lager is), betalen geen of weinig belasting op deze arbeidsverloning. Verloning via aandelenopties leidt niet alleen tot een casinomentaliteit, maar is daarenboven een vorm van een regressief belastingssysteem waarin hoge inkomens een lage belastingsdruk hebben. Arbeidsbelasting moet dus op zijn minst worden herbekeken.

Maar daarnaast moet op zoek gegaan worden naar een alternatief dat een verlaging van de lasten op arbeid op een correcte manier kan compenseren. Een vermogensbelasting is hiervoor een mogelijkheid. Tegenstanders schermen vaak met het argument als zou een vermogensbelasting vooral de middenklasse kunnen treffen, waar dit niet de bedoeling kan zijn. Dit is een legitieme bezorgdheid, maar dit is niet onoverkomelijk. Een progressieve belasting op vermogens kan ervoor zorgen dat er extra overheidsinkomsten kunnen worden gegenereerd zonder een negatief effect te hebben op het leeuwendeel van de Belgische families.

95% van de Belgische huishoudens hebben een vermogen binnen de limiet van 1 miljoen euro. Men zou er bijvoorbeeld voor kunnen opteren deze eerste schijf tot 1 miljoen niet te belasten, de schijf tussen 1 en 5 miljoen euro aan 0,5% te belasten, de schijf tussen 5 en 10 miljoen aan 2% enz. Deze vermogensbelasting is misschien geen volwaardig alternatief voor een saneringsoperatie, maar kan een meer rechtvaardige verdeling van de lasten betekenen en dus ook meer draagvlak voor de regering creëren.

Leidt een vermogensbelasting niet tot kapitaalsvlucht? Een coördinatie op Europees niveau zou de kans op kapitaalvlucht in ieder geval gevoelig kunnen verkleinen. De Luxemburg Leaks en de economische politiek van enkele eurosceptische partijen tonen ons dat we hier nog ver vanaf zijn. Anderzijds is het probleem van de kapitaalvlucht minder groot dat men zou denken door sterk gemediatiseerde cases als die van Gerard Depardieu. En dat een vermogensbelasting een vermogenskadaster vereist, is duidelijk. Maar zelfs Luc Coene gelooft dat dit een haalbare kaart is.

Meer nog, Coene gelooft sterker in een progressieve vermogensbelasting dan in een vermogenswinstbelasting. De vermogenswinstbelasting is gebaseerd op een inschatting van de winsten en geldt ook voor winstgevende (aandelen) transacties van kleine beleggers. In die zin zou een vermogensbelasting rechtvaardiger kunnen zijn dan een vermogenswinstbelasting.

Naast de vermogensbelasting is een meer rechtvaardige en correcte uitvoering van de vennootschapsbelasting noodzakelijk. Het basistarief van vennootschapsbelasting is 33%. De uitzonderingen daarop zijn fiscale kortingen. Een analyse van de reëel betaalde vennootschapsbelasting leert dat er aan sommige bedrijven te grote fiscale kortingen worden uitgedeeld. De top 50 van de bedrijven met grootste fiscale kortingen betaalde een gemiddeld belastingstarief van nog geen 3%. Daar stond geen jobcreatie tegenover, integendeel, het aantal effectieven daalde met 7%. Ook de duizend meest winstgevende bedrijven betaalden gemiddeld slechts 5 à 6% vennootschapsbelasting, evenmin met  jobcreatie. De notionele belastingsaftrek bleek net als de andere fiscale kortingen veel meer grote multinationale ondernemingen ten goede te komen dan dat deze belastingsregels de kmo’s zouden ondersteunen.

De mantra van de besparingen

Het huidige politieke discours staat vol van dogma’s. Dat er geen alternatief zou zijn voor de besparingen. Dat iedereen een inspanning moet doen, en verantwoordelijkheid moet opnemen om de toekomst te vrijwaren. Dat we boven onze stand leefden, onszelf een welvaart toeëigenden die onze schuldenlast onoverkomelijk zou maken. Het besparingsverhaal is het nieuwe evangelie geworden, waarbij alternatieven in het beste geval als naïeve vertelsels worden afgedaan of in het andere geval als ketterse visies worden bestempeld met als resultaat de afbraak van de toekomstige welvaart. Besparingen zouden de enige weg zijn om de economie weer aan te zwengelen, jobs te creëren en de welvaart veilig te stellen. Maar is dit wel zo?

Het IMF en de OESO publiceren regelmatig het multiplicatoreffect van overheidsuitgaven, zeg maar de return on investment van iedere euro die door de overheid wordt geïnvesteerd. Tot voor kort werd dit multiplicatoreffect geschat op 0,5, waardoor overheidsuitgaven een netto verlies betekenden en dus een bodemloze put aan schulden leken te creëren. Op basis van deze coëfficient werd de overheid als een hoogst inefficiënte investeerder aanzien, en verschoof de aandacht naar de privé-sector, die gezien werd als de drijvende kracht achter de werkelijke welvaartstijging. Bedrijven werden geacht de enige actor te zijn in het economisch veld die meerwaarde creërde, en die dus het voorrecht geniet om bijkomend in te investeren.

Echter, het IMF en OESO, nochtans geen voorvechters van een stevig overheidsbeslag, stellen nu op basis van een studie van 28 economieën dat dit multiplicatoreffect systematisch is onderschat. In plaats van 0,5 zou dit, afhankelijk van de economie en het samengaan van verschillende factoren, tussen de 1,6 en 2,5 liggen. Met andere woorden, ook overheidsuitgaven kunnen rendabel zijn. Hierop besparen leidt dus niet tot een groeiende economie, integendeel. Iedere euro die de overheid minder kan uitgeven (aan gezondheidszorg, sociale zekerheid, onderwijs,…) leidt tot een netto verlies en een dalende BBP.

Bij besparingen krimpt het BBP sneller dan dat de schulden afnemen, wat zorgt dat de schuldenlast (die de verhouding tussen de schulden en het BBP beschrijft) binnen een besparingsregering paradoxaal genoeg kan toenemen. Dit is een realiteit die vandaag in vele Europese landen kan worden vastgesteld. Vanzelfsprekend moet nauwlettend toegekeken worden waarin een overheid investeert, en goed bestuur blijft natuurlijk een noodzaak. Maar deze elementen tonen op zijn minst dat doordachte overheidsuitgaven zeker welvaart kunnen genereren en dat saneringen meer een rem dan een catalysator kunnen zijn van economische groei (in termen van een stijging in welvaart). Het dogma van de besparingen gaat dus niet op, en het is precies deze mantra van besparen die het sociale protest vandaag wil doorbreken.

 

by-nc

Advertenties

Hart boven Hard en de stem van het volk

10475933_1560808907466968_8283449458448833586_n

Ico Maly 

Hart boven Hard is, tot spijt van wie het benijdt, goed op weg om een historisch fenomeen te worden in onze contreien. Zonder noemenswaardige middelen en drijvend op de tomeloze en onbezoldigde inzet van vele individuen, kleine en grote middenveldorganisaties en duizenden militanten en sympathisanten is er een beweging opgestaan die niet alleen een ander beleid, maar ook een andere samenleving wil. Dat indrukwekkende succes van een spontane en piepjonge burgerbeweging gaat echter in grote mate voorbij aan ‘onze pers’. De mainstream-media fungeren daardoor als objectieve bondgenoten van deze rechtse regering: ze zijn willens nillens een back up van rechtse politici en hun Twitter –en Facebookclubs die de beweging willen neer zetten als ‘een mantelorganisatie van de vakbonden’.  Die rechtse activiteit op sociale media en de uitlatingen van rechtse politici wijzen schijnbaar paradoxaal op de politieke kracht van deze nieuwe beweging. Hart boven hard ondermijnt het idee dat rechts een claim kan leggen op ‘de stem van het volk’ en net dat wil de rechterzijde ten allen prijze vermijden.

Van twee individuen naar een burgerbeweging

Hart boven hard gaat hard, heel hard. In augustus 2014 stuurden twee bezorgde burgers, Wouter Hillaert en Hugo Franssen een mail rond naar middenveldorganisaties, activisten, cultuurinstellingen, jeugdverenigingen, natuurverenigingen, academici en cultuurproducenten om hun bezorgdheid te uiten omtrent de besparingsplannen van de nieuwe regering. Ze nodigden deze actoren uit om een vergadering te beleggen. Sindsdien is er veel gebeurd. Heel veel. We zijn nu een viertal maanden verder en Hart boven Hard is uitgegroeid tot een heuse burgerbeweging, met een uitzonderlijke mobilisatiekracht. Elke betoging, elke staking en elk evenement dat wordt opgezet  binnen de schoot van deze beweging mobiliseert al snel honderden tot duizenden mensen over heel België.

Opmerkelijk is dat dit alles gerealiseerd worden zonder noemenswaardige middelen. De betrokken individuen geven enkele giften en de organisaties geven wat ze kunnen. De ene organisatie kopieert flyers, de andere betaalt drukwerk en nog een andere organisatie host de website op haar server. De url  www.hartbovenhard.be is dan weer een gift van de Verenigde Verenigingen. Zij hadden in de aanloop van de verkiezingen een actie met de slogan Hart boven Hard. En net deze gift wordt vandaag onderwerp van de politieke strijd om de beweging te framen als ‘een mantelorganisatie’ van de vakbonden. Het is blijkbaar moeilijk te geloven dat, in deze tijden van professionalisering en individualisering, er een beweging opgebouwd wordt op basis op solidariteitsnetwerken tussen individuen en organisaties.Het kost nochtans niet veel moeite om na te gaan dat de site bijvoorbeeld gehost wordt door een sociaal-artistiek-gezelschap. Dat cultuurhuizen, jeugdverenigingen en bibliotheken mee hun schouders onder het initiatief zetten. Dat activisten van allerlei pluimage, academici en kunstenaars deze beweging dragen. Dat er mensen actief zijn met zeer uiteenlopende politieke voorkeuren, van christendemocraten, over Groenen en sociaaldemocraten tot en met anarchisten, syndicalisten, communisten, socialisten, andersglobalisten, ….Autochtoon en allochtoon, atheïsten, moslims en christenen strijden zij aan zij voor een betere samenleving. En net daar zit de mobilisatie – en discursieve kracht van deze beweging en net daar ligt de rechterzijde wakker van.

De rechterzijde in het defensief

In tegenstelling tot vele media heeft de rechterzijde de beweging en haar mobilisatiekracht wel degelijk opgemerkt. Er is dan ook een heuse strijd losgebarsten op de sociale media waar rechtse politici en hun militanten er alles aan doen om het maar niet te hebben over de inhoud van het verzet. Politiek is altijd een strijd om betekenis en de rechterzijde tracht op dit moment met alle mogelijke middelen het verzet af te schilderen als irrelevant, irrealistisch (er is geen alternatief weet je wel) en als ‘politiek’ (lees het is het werk van enkele wereldvreemde linkse rakkers en conservatieve vakbonden).

De redenen van die verbeten strijd hoeven we niet ver te zoeken. Sinds jaar en dag claimt rechts ‘de stem van het volk’. Enkel zij zijn realistisch, enkel zij komen op voor ‘de verandering die de Vlaming wil’. Vandaag wordt het steeds moeilijker voor die rechterzijde om die claims geloofwaardig te houden. Zelfs toonaangevende liberale economen spreken zich uit tegen het gevoerde beleid, linkse economen tonen wetenschappelijk aan hoe dit beleid resulteert in diepe ongelijkheid en zelfs de OESO zet vandaag de strijd tegen ongelijkheid op de agenda. En nu blijkt ook nog eens dat ‘het gewone volk’ in grote getallen pleit voor een vermogensbelasting. Het succes van Hart boven hard is een indicator van deze veranderingen.

Na decennia van vox populisme bij de rechtse partijen en hun militanten (wij zijn de stem van het volk, de Vlaming heeft gekozen, …) wordt vandaag heel duidelijk dat een groot deel van de Vlamingen en de Belgen hun eigen stem claimen en die stem gaat diametraal in tegen het dominante discours. Ze weerklinkt bovendien dagelijks op sociale media, tijdens de betogingen en stakingen. En opvallend: steeds meer burgers laten hun stem horen tijdens de vele meetings, evenementen en acties van Hart boven hard. Die acties kennen telkens een overdonderend en bovendien heel zichtbaar succes, want fysieke aanwezigheid gaat gepaard overdonderend geshared en getweet op sociale media.

Rechtse media?

Het is dan ook des te vreemder om te moeten vaststellen dat de ‘kwaliteitsjournalisten’ van de grote media die massale aanwezigheid op deze vele actie, evenementen en meetings schijnbaar collectief gemist hebben, of hoogstens als een voetnoot behandelen. De mobilisatiekracht van Hart boven Hard staat in schril contrast met de berichtgeving over die beweging. Na de eerste nationale betoging, met een zeer zichtbare aanwezigheid van Hart boven Hard, was het de volgende dag met een vergrootglas zoeken naar enig woord over de beweging in onze media. De honderd amokmakers stonden toen centraal.

Op de nationale stakingsdag van 15 december zette de beweging tientallen evenementen op over heel België. Deze acties konden overal op een vrij verpletterend succes rekenen. Vreemd dat vooral de lokale media dit geregistreerd hebben. De grote kwaliteitsmedia waren blijkbaar net te laat, genoten van een snipperdag of vonden het weinig nieuwswaardig.

In onze massamedia wordt vooral ruimte gereserveerd voor de hinder van de acties, hun economische kost, de rellen of de fratsen van één vakbondsdame in de H&M. En hoeft het te verbazen dat ook onze rechtse politici en hun militanten louter focussen op deze fait divers. Het is op dit vlak dat onze vrije media functioneren als een steunpilaren van rechts. De focus van onze media laat de rechtse politici toe om het verzet af te schilderen als uitzonderlijk, onrealistisch, hinderlijk en schadelijk. Het is dan allemaal het werk van de conservatieve vakbonden, de oppositie of de wereldvreemde linksen en radicalen. In zoverre men hierin slaagt kan de rechterzijde binnen het raamwerk van onze media blijven claimen dat men ‘de stem van het volk’ vertolkt.

De mainstreampers verzaakt hier duidelijk aan haar democratische opdracht. En dat is heus niet alleen het geval bij de typische ‘werkgeverskranten’. Ook een ‘linkse krant’ als De Morgen ontsnapt niet aan de verleiding. Yves Desmet slaagt er bijvoorbeeld in om Hart boven hard neer te zetten als een mantelorganisatie van de vakbonden die ‘de ongebonden burger’ onterecht voor haar kar spant.  De ‘linkse krant’ fungeert op dat moment als een regimepers in dienst van de politieke rechterzijde. Het hoeft dan ook niet te verbazen dat de rechtse Twitter –en Facebook-clubs er als de kippen bij zijn om Hart boven Hard af te doen als de vakbonden in disguise. Net zoals De Wever de vakbonden neerzet als ‘de gewapende arm van de PS’, zetten de rechtse militanten Hart boven Hard neer als deel van de vakbonden en dus als irrelevant. En De Morgen levert hier extra munitie.

Succes tegen de stroom in

Het is echter opmerkelijk dat deze strijd van de rechterzijde en de negatie van de pers geen effect lijkt te hebben op de mobilisatiekracht van de beweging. Hart boven hard bundelt nu al 15 000 bezorgde burgers en 1000 organisaties. Die organisaties zijn heus niet alleen de vakbonden of het klassieke middenveld, ook bibliotheken, hogescholen, interculturele organisaties en cultuurhuizen bundelen de krachten. De beweging heeft, en ook dat is uniek in de geschiedenis, haar eigen media. De beweging is niet afhankelijk van die mainstreammedia maar communiceert via haar eigen website, via micromedia als De Wereld Morgen en Kif Kif en sociale media als Facebook en Twitter. De beweging heeft dus haar eigen informatie –en mobilisatienetwerk.

Ziehier het probleem van de rechterzijde. Maar ook het probleem van de massamedia. De geloofwaardigheid van beide staat op het spel. Hoe langer deze spelers dit verzet negeren of trachten af te doen als irrelevant, hoe steviger het verzet zal worden en hoe meer de geloofwaardigheid van de regering en de media op de helling komt te staan.

De burgerbeweging Hart boven hard is net hierom historisch. Ze maakt van onderuit duidelijk dat rechts geen claim kan leggen op ‘de stem van het volk’. En ze maakt duidelijk dat de massamedia niet meer dominant zijn in het bepalen van mobilisatie en beeldvorming. De enorme mobilisatiekracht die Hart boven hard en de vakbonden hebben getoond in de laatste maanden doorprikt de dominante discoursen van de laatste decennia. Hart boven hard toont aan dat België helemaal geen land is van twee publieke opinies (een rechts Vlaanderen en een links Wallonië) of twee democratieën. De beweging toont aan dat er wel ruimte is voor een alternatief en dat daar bovendien een stevig draagvlak voor bestaat.

Hart boven hard en de revitalisatie van de democratie

Dit verzet van onderuit is een welkome revitalisatie van onze democratie.  De laatste 25 jaar is ‘democratie’, onder aanstuwen van het Vlaams Blok, geherdefinieerd als ‘de stem van het volk’. Zo konden de meest antidemocratische standpunten doorgaan als democratische meningen. De Wever is daar vandaag het meest zichtbare symbool van. Hoewel hij geen lid is van de federale regering  komt hij steeds op de proppen met de slogan dat ‘er geen alternatief is’, ‘dat dit of dat geen optie is‘ of ‘dat we dan maar beter de democratie kunnen afschaffen’ als de regering moet luisteren naar het verzet. En zo wordt nogmaals duidelijk dat De Wever en zijn maats democratie begrijpen als een ‘dictatuur van de meerderheid’. Eenmaal er verkiezingen geweest zijn, moeten de burgers hun klep houden als het van deze politici afhangt. Dat is uiteraard een antidemocratische invulling van democratie en net dat wordt vandaag steeds meer duidelijk voor steeds meer mensen.

Hart boven hard en de vakbonden tonen ons terug dat democratie een groot verhaal is, een verhaal waar burgers hun rechten niet verliezen nadat ze gaan stemmen zijn. Hart boven hard zorgt voor een lichtpunt in een democratie die al decennialang in diepe crisis zit.

Hart boven hard is een zegen voor de democratie.

 

Ico Maly (1978) is doctor in de cultuurwetenschappen, coördinator van Kif Kif en gastprofessor Politiek en Cultuur aan het RITS in Brussel. Hij publiceert al jaren over beeldvorming, media, identiteitsvorming, racisme, nationalisme, (super)diversiteit, democratie en de strijd voor vrijheid en gelijkheid. @icomaly – https://www.facebook.com/imaly1

by-nc

“Ik stap het af”. Over het verschil tussen kunstenaars en ondernemers

Jan Blommaert (en z'n gedachten)

rosas460

Jan Blommaert 

De besparingen in de cultuursector zijn desastreus – ik zeg hier niets nieuws, want dit punt is de afgelopen weken zonneklaar gedocumenteerd. De afgelopen dagen deelde De Munt mee wat daarvan de gevolgen zijn voor een instelling die eens tot de wereldtop in de operawereld behoorde en in het aanbod fungeerde van gespecialiseerde opera- en kunst-touroperators wereldwijd. Er sneuvelen 16 voltijdse banen, en het Barokmuziek en balletprogramma van De Munt moeten eraan geloven.

Anne Theresa De Keersmaeker en haar Rosas ensemble worden rechtstreeks getroffen, en De Keersmaeker reageerde dan ook woest op de besparingen. “Is er nog plaats voor ons in Brussel?” vroeg ze zich af, “of moeten we een andere stad zoeken als basis?”

De Keersmaekers vraag klinkt verdacht veel zoals het deuntje dat onze ondernemers, VOKA en UNIZO voorop, al maandenlang zingen: “steun mij of ik stap het af”. Stop met actie voeren tegen deze VOKA-regering…

View original post 1.049 woorden meer

Het Gatz-effect

HBH-fb

Robrecht Vanderbeeken 

Goed nieuws! Cultuurminister Gatz is bezorgd om participatie. In de krant (ds, 17/12) lezen we dat hij initiatieven wil ondersteunen die de deelname van maatschappelijk kwetsbare jongeren aan de samenleving vooruit helpen. Het zou plots zelfs ‘de rode draad’ in zijn cultuurbeleid zijn.

Wacht eens even, dat klinkt toch wel opvallend strategisch? Had Gatz een paar weken geleden in een Knack-interview ex-minister Anciaux niet botweg als een ‘pastoor’ weggezet, precies vanwege zijn sociaal-cultureel engagement? Zoals bij voetbal, moet je al eens een schijnbeweging naar links maken om de tegenstrever langs rechts voorbij te kunnen steken.

Gatz is inzake tegenspraak niet aan zijn proefstuk toe. Hij begon zijn mandaat, zoals geweten, met de historische woorden ‘er komt geen Grote Sanering’ en ‘ik ga geen mensen op straat zetten’. Een paar weken later werd duidelijk welke historische sanering hij voor ons in petto had. Daarvan hebben we einde nog niet gezien.

We zullen zodoende de Cultuurminister helaas weer een Gatz-boete moeten geven, want opnieuw is er dat spagaat tussen wat hij zegt en doet. De rode draad doorheen zijn cultuurbeleid, waarvan sprake, is immers een blauwe draad, die van de uitverkoop.

De maatschappelijke meerwaarde van Gatz

Desondanks heeft Gatz al veel betekend voor onze cultuursector. Wat zovele progressieven alleen maar konden hopen, maakt hij op een paar maanden tot realiteit: een sector die toch bekend stond voor zijn eerder apolitieke teneur maakt in snel tempo een omslag. Ondertussen is er met vier maanden Hart Boven Hard een sterke collectieve strijdvaardigheid, van onderuit. Dat was een jaar geleden nog ondenkbaar.

Op 6 december, bijvoorbeeld, was het voor Antwerpen een hele eer: een grote verontwaardigde Sint maakte een stadswandeling langs plekken van fiscaal onrecht. Daar waar het grootbedrijf zichzelf op onze kosten vele cadeautjes geeft. Dergelijk hoog bezoek was in Antwerpen minstens geleden van de genereuze reuzen tijdens Antwerpen 93, een geesteskind van wijlen cultuurfuntionaris Eric Antonis die drie weken voordien overleed. We zouden het als een warme hommage kunnen zien.

De Sint-reus bracht echter niet alleen mensen en kinderen samen, hij gaf ze ook een stem. Sara De Roo, Benjamin Verdonck en Willem De Wolf voerden onderweg bijvoorbeeld een groots staaltje politiek straattheater op voor een kantoor van Omega Diamonds. Dat is een kartel van de zwarte diamanthandel, zeg maar, gesteund door de Diamantenclub, een lobbyclub van parlementsleden ten dienste van rijke belastingontduikers. Onze staatssecretaris en vicepremier Jan Jambon is er de voorzitter van, Frederik-Willem Schiltz (Open Vld) en Servais Verherstraeten (CD&V) zijn ondervoorzitters. “Ik ken meneer Jambon” – een Vlaamse traditie aan brutale privileges intussen.

Het was een vlijmscherp toneelmoment van de waarheid, daar op die zonnige zaterdagnamiddag naast het centraal station. Hoe deze voortreffelijke acteurs in de rol van vertegenwoordigers van het establishment ons, ‘het volk’, kwamen uitleggen dat ‘hen’ toch niets te verwijten valt. We moesten maar wat minder kabaal maken, want zij hebben hun processen netjes afgekocht, politici eten uit hun hand, en daarvoor betalen ze dure advocaten. In de cultuursector is er al langer een zoektocht gaande naar maatschappelijker en politiek relevant werk. Maar zo legendarisch en in the face hebben we in jaren niet gezien. Het roert in cultuur, en dat biedt een beloftevol vooruitzicht.

Nationaal straatfestival

Een week later, 15 december en nationale stakingsdag, is het van vroeg in de ochtend over gans het land straattheater. Mee op tour langs de piketten zie ik op de industrieweg in Gent bij elke bedrijfsinrit een vuur in de duisternis branden. Daarrond telkens een bont gekleurde groep mensen – rood, groen en blauw – muts of kap opgetrokken tegen de motregen. Soms met flink wat beatmuziek, op suspense gebracht met een variatie aan voetzoekers. Soms met een tuinfeesttent, kerstboom, gebak en de geur van koffie. Wat een dramaturgie alweer.

Het leek wel een voorbode op het bekende ‘Lichtfestival Gent’, maar deze keer viel er zoveel meer te beleven dan een ‘Ooooo’ en ‘Aaaah’. Bij elk vuur knetterde er een ander verhaal. De verontwaardiging met de asociale regering was er overal. Soms was een baas solidair en zag toe op de aanvoer van stookhout. Soms was de nationale staking een welgekomen aanleiding om eindelijk eens een aantal interne problemen aan te kaarten. De eenzame manager die normaal nooit voor negen uur verscheen, was nu al om drie uur met zijn glanzende bedrijfswagen komen aanrijden om de stakers voor te zijn. Hij keek eenzaam en blijkbaar werkloos toe van achter een raam. Tijdens deze confrontaties was er ook tijd voor verbroedering: werknemers leerden voor het eerst hun collega’s bij het naburige bedrijf kennen. Ze wisselden gedachten en warme soep uit. Plannen voor alvast het volgende piket werden gemaakt. Dan zou er gevoetbald worden, vriendschapsmatchen weliswaar.

Artistiek activisme

Onderweg naar de fietseling van Hart Boven Hard, zie ik aan de kunstschool Sint-Lucas ook een vuur op straat branden. Studentenvertegenwoordigers Nele van Parys en Midas Van Dorpe zorgen er voor ambiance. Er worden liederen gezonden als rond een kampvuur en aan de schoolmuur hangen affiches uit met de leuze: ‘Sint-Lucas staakt mee’. Hier zijn grafisch vormgevers thuis. Hoe lang nog, als blijkt dat het KUL-management vanuit Leuven het plan heeft 35 voltijdse eenheden te ontslaan? Is er alleen nog interesse in het historische gebouw en zal deze academie samen met haar waardevolle traditie aan cultuuronderwijs verdwijnen?

Een paar straten verder, bij de kunstacademie KASK, zijn theatermakers Chokri Ben Chikha en Marijke Pinoy samen met hun studenten drama op post. Op het zebrapad aan de binnenring improviseren ze repertoiretheater of een modedefilé, begeleid met camera’s, volgspot en micro. Een straat op de strepen oversteken, dat mag, het is allemaal legaal. Het ongemak van de gestrande automobilisten slaagt al snel om in de glimlach van een geprivilegieerde toeschouwer zittend op de eerste rij. Met getoeter zelfs, maar dan als applaus. Na zelf zes jaar als docent op die school gewerkt te hebben, is dat een heugelijk moment: de tijd van die soms zo plakkerige radicale chique is ook hier eindelijk even voorbij. Nog niet zo lang geleden heerste er de waan dat het kijken naar een lange en trage artistieke zwartwitfilm, met veel te veel clair-obscur, het summum van een politieke daad was.

‘Kunst veredelt’

Na een pikettentocht verzamelt stakend Gent in kunstencentrum Vooruit. Hoezo, kunst brengt mensen niet meer bij elkaar? Ook hier maakte de tijd een sprong vooruit. Hoewel er op diezelfde plek tijdens de staking van 30 januari 2012 nog het evenement We Strike Back plaatsvond, met een voelbare stiefmoederlijke ondertoon ten aanzien van vakbondsacties, of waar de hoofdeconoom van Itinera, Marc de Vos, nog het podium kreeg om zijn voorspelbaar anti-syndicaal non-betoog nog eens over te doen, was het nu waarlijk een headquarters van het sociale verzet. Hier kwam iedereen verslag uitbrengen: de voorzitters van zowel ABVV en ACV hielden hun toespraak, te midden van kunstenaars, studenten, activisten en zovele actievelingen uit het ganse middenveld.

Een jaar na zijn honderdjarige verjaardag lijkt dit monument dus eindelijk even terug thuis gekomen: onder het motto ‘kunst veredelt’ kregen de werkende mensen er in 1913 een cultuurhuis. Het feestlokaal, dat doorheen de jaren in verval kwam, werd na een artistieke kraakactie vanaf 1982 een onafhankelijk sociaal-cultureel centrum, dat uitgroeide tot het huidige kunstencentrum. Het won (eveneens) in 2012 nog de Vlaamse Cultuurprijs voor cultuurmanagement, als schoolvoorbeeld van wat we sinds de jaren 1980 de professionalisering van de cultuursector kunnen noemen.

Cultuur als ideologische therapie

Sindsdien maakte het artistieke team een U-turn. De ideologische crisis van onze cultuur kreeg zo in dit prominente kunsthuis ook een gezicht: de botsing tussen een galopperend businessmodel en de vraag naar meer maatschappelijke verantwoordelijkheid. Het was hoogtijd voor een noodzakelijke cultuurtherapie, want zoals kunst is ook een kunstencentrum soms de spiegel van onze samenleving. Doorheen een zoektocht in originele transitie-experimenten, die al wel eens in hun eigen goede bedoelingen strandde of waarbij het opstijgend effect bij momenten meer lag aan de ideologische zwaartekrachtpanne dan aan het vernieuwende elan, werd er ook hier op 15 december inzake cultuurpolitiek geschiedenis geschreven.

Blijkt immers dat alvast een van de grootste cultuurhuizen onze collectieve identiteitscrisis deels heeft uitgezweet. Het is terug ‘ons’ huis geworden, dat de moeilijke oefening die kunst en cultuur is, in de meest brede betekenis, wil aangaan met iedereen die de moeite doet er door de deur te lopen. Kortom, minister Gatz zit nog geen vier maanden in zijn ministerzetel, en onder zijn mandaat zijn er al wonderen gebeurd. Hij omschreef zichzelf met een hagiografisch boek ooit als een liberaal guerrillero op links terrein’. Dat klopt dan blijkbaar toch, onbedoeld althans, met voorlopig een grote winst voor dat linkse terrein. Ook kunst wordt er hopelijk gaandeweg alleen maar beter van.

by-nc

Waarom ik staak

10509551_1556536214560904_6698254029175740274_n

Stijn Raes 

Ik heb getwijfeld om mee te staken. Vanuit een loyaliteit. Uiteindelijk zal ik maandag toch staken. Hieronder waarom, en waarom ik denk dat er geen reden is om werknemers tegen elkaar op te zetten. Een veel te lange tekst, maar voor wat het waard is… Waarom ik (uiteindelijk) wel beslis om mee te staken.

Op 6 november begon de ‘hete herfst’ met een betoging tegen het sociaal-economisch beleid van de regering Michel I. Dit was de voorbode van drie regionale stakingen die op maandag 15 december moeten uitmonden in een nationale staking.

Zelf was ik meer voorstander om mee te betogen op 6 november, om mijn stem te verheffen tegen een beleid dat mijn inziens onrechtvaardig en asociaal is. Door professionele verplichtingen lukte me dit echter niet. Omwille van een persoonlijk engagement tegenover mijn werkgever deed ik ook niet mee aan een van de regionale stakingen. Als werknemer van een middenveldsorganisatie dat streeft naar een verhoogde aandacht voor kinderen die zich in een kwestbare situatie bevinden, wilde ik in geen geval de organisatie ten laste zijn, laat staan kritiek uiten op haar missie, visie of de dagelijkse uitvoering ervan. Het is een organisatie waar ik sterk in geloof, met een sociale doelstelling die een welgemeende aandacht verdient. Het allerlaatste wat ik wil is mijn eigen organisatie schade berokkenen. Een mening die ik, naar ik lees, deel met vele werknemers van verschillende kmo’s, in wat voor sector ze ook bezig zijn.

Toch heb ik besloten om mee te doen met de nationale staking op 15 december 2014, om de volgende redenen:

Eerst en vooral omdat ik bezorgd ben. Bezorgd omdat het maatschappelijk stelsel waarin ik geloof en waarin sterke schouders mee de lasten helpen dragen van de minder sterke schouders, op losse schroeven staat. Bezorgd omdat in een rechtvaardig beleid in de eerste plaats aandacht moet gegeven worden aan zij die aan de zijlijn van de maatschappij staan of die het risico lopen naar de kant geduwd te worden. Vooral bezorgd omdat onze beleidsvoerders een selectief gehoor hebben, en zich meer profileren als gangmakers van een elite dan van een caleidoscoop van bevolkingsgroepen die vaak verschillende belangen hebben, die vandaag onvoldoende of niet gehoord worden, laat staan met wie er rekening gehouden wordt.

Ten tweede ook vanuit solidariteit. Omdat ik weiger te geloven dat mijn ideaal het verhaal is van individueel succes. Ook omdat ik besef dat mijn levenskwaliteit sterk afhangt van de levenskwaliteit van anderen. Omdat mijn welzijn verstrengeld is met het lot of welzijn van een ander. Ik weiger te geloven dat de persoonlijke keuzes die een leven echt waardevol maken, enkel uitspattingen zijn die we ons niet meer kunnen veroorloven. Ik weiger te geloven dat er geen alternatief zou zijn voor dat ‘stapje achteruit om verder te kunnen springen’ waarmee we vandaag worden gesust. Vooral omdat er wordt geschermd dat iedereen een duit in het zakje moet doen, maar dit in realiteit niet iedereen blijkt te zijn.

Ik respecteer ten volle de keuze om niet te staken, maar soms wordt geschermd met vreemde argumenten. Zo wordt staken vaak beschouwd als het ondermijnen van een democratisch proces, wat dan verengd wordt tot het resultaat van een stembusgang. Democratie is echter meer dan het respecteren van een verkozen regering. Het is het waardevol spel tussen tegengestelde meningen. En dit spel wordt niet stilgelegd op het einde van een verkiezingsdag. Of je het nu eens bent met de acties van de vakbond of andere middenveldsorganisaties of niet, dit spanningsveld is precies de essentie van democratie. De waarheid is dat ze vandaag, net als in het verleden, nog steeds een plaats mogen opeisen.

Daarenboven vind ik het vreemd dat sterk georganiseerde, weinig transparante en goed gefinancierde lobbygroepen, die vaak achter de schermen zeer individuele belangen verdedigen ten koste van gemeenschappelijke goederen, dan wel worden gedoogd of het gehoon bespaard blijven. Zij zijn allerminst democratisch verkozen, verdedigen geen collectief belang, hebben een uiterst beperkt draagvlak en zijn vaak onzichtbaar. Dan verkies ik toch een belangenverdediging die bewust de openbaarheid opzoekt en kiest voor een eerlijke mobilisatie. Dat ze zich daarmee meer kwetsbaar opstelt is waar, maar kan niet tegen hun gebruikt worden.

Staken is allerminst een obstakel tot dialoog. Dialoog is weliswaar de enige weg om tot een oplossing te komen, maar staken is soms noodzakelijk om zich in een gelijke onderhandelingspositie te wringen, om tot een waarachtige dialoog te komen. Een gesprek waarin de belangen en de agenda van een enkele bepaalde sociale en economische groep wordt verdedigd en bepaald, is per definitie een monoloog. Staken dient niet om het eigen gelijk te halen, maar om op zijn minst de ruimte te krijgen om andere belangen weerklank te geven en weerstand te bieden tegen een eenzijdig verhaal.

Stakers tegen werkwilligen opzetten getuigt daarenboven van een gebrekkig inzicht in de realiteit. Net zoals vele werkwilligen beslissen om niet te staken uit welgemeende en terechte loyaliteit met hun werkgever, staak ik, zoals ik al schreef, niet vanuit een ontevredenheid met het beleid van mijn werkgever. Maar evenmin kan je de werkwilligheid van mensen gelijkstemmen met een onvoorwaardelijk geloof in de huidige beleidskeuzes. In die zin hoeft er tussen staken of werken geen onoverbrugbare kloof te liggen. Maar zodra we realiseren dat de redenen om te staken als om te werken zeer uiteenlopend kunnen zijn, merken we dat we vaak niet zoveel van mening verschillen als dat sommigen ons willen doen geloven.

Dit sociaal protest, dat vandaag duidelijk een groot draagvlak heeft, gaat voor mij om het maken van rechtvaardige keuzes, om het besef dat het ideologische verhaal, als zou er geen alternatief zijn, een eenzijdige lezing is van de socio-economische realiteit. En daarom heb ik beslist om uiteindelijk toch te staken op 15 december.

by-nc

de federale kunstcollecties naar Antwerpen dan maar?

echo_20140508_003Robrecht Vanderbeeken

Er voltrekt zich vandaag in Brussel een heuze politieke stratego met topcollecties hedendaagse en moderne kunst. Als we het op lange termijn bekijken, past het mooi in wat een communautaire strategie van N-VA inzake cultuurpolitiek zou kunnen zijn: een transinstitutioneel cultuurcomplex als ‘Vlaamse vuurtoren’ rondom of zelfs op de gedempte dokken op ’t Zuid? U weet wel, de toekomstige hoofdstad van de republiek Vlaanderen?

‘Citroëngarage krijgt geen moderne kunst’, kapittelde de voorpagina van De Standaard dinsdagochtend 9 december, de dag na de laatste provinciale stakingsdag in Brussel, Waals- en Vlaams-Brabant. Een fait divers, zou je kunnen denken, om het toch maar niet over het sociaal verzet te moeten hebben. Toch zeggen ze er politiek-strategisch veel mee, zonder het evenwel te zeggen. Het legt zelfs een hele confederale N-VA agenda bloot voor de volgende jaren. Een toelichting bij de kaarten die nu reeds op tafel liggen.

Kunstzwendel

Laten we eerst wat klaarheid proberen scheppen over de carrousel met kunstcollecties die zich nu afspeelt, vooraleer we kijken naar het evidente achterliggende N-VA plan: binnen de separatistische logica moet wat waardevol, mobiel en federaal is naar Vlaanderen verhuizen. Naar Antwerpen bijvoorbeeld, na de splitsing van België, de toekomstige hoofdstad van republiek Vlaanderen.

Het gaat om twee collecties, te beginnen bij de zowat vierduizend stukken van de collectie moderne en hedendaagse kunst. Die zijn van Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België. Deze federale collectie werd in 2011 in depots ondergebracht omdat museumdirecteur Michel Draguet in de benedenzalen het Fin-de-Sièclemuseum inrichtte. Dat was, naast het Magrittemuseum, een nieuw themamuseum. Het is voornamelijk opgebouwd rond de collectie Gillion-Crowet, een privéverzameling met Franse art nouveau en symbolisme.

Dat is die tweede collectie. Het is prachtige schenking aan het Brusselse Gewest, en ze is helemaal op zijn plaats in het thematische Fin-de-Sièclemuseum. De tentoonstelling van deze collectie was een pareltje met internationale uitstraling. Het gaat evenwel over een periode van artistieke renaissance die het Belgische Brussel vorige eeuw doormaakte, niet bepaald het lievelingsonderwerp van Vlaamsnationalisten.

De collectie Gillion-Crowet van het Brusselse Gewest zit vandaag dus in een federaal themamuseum. Ondertussen werkt het Brusselse Gewest mee aan nieuwe bestemming voor die federale collectie van vierduizend stuks moderne en hedendaagse kunst: het vatte het plan op om deze collectie de komende jaren voorlopig te presenteren in het Vanderborghtgebouw.

Dat is allemaal netjes gepland: er is een studie van 750.000 euro besteld om de aanpassingen van die infrastructuur te voorzien en een bedrag van zeven miljoen euro geblokkeerd. Dat lijkt veel, maar het gaat dan ook om erg waardevol historisch erfgoed. Ondertussen werkte het Brusselse Gewest aan de opstart van een nieuw kunstmuseum in het Citroëngebouw. De aankoop was nog voor dit jaar in december gepland.

Nu blijkt dat de federale collectie toch federaal moet blijven. Dat schrijft staatssecretaris voor Wetenschapsbeleid Elke Sleurs (N-VA) in haar beleidsnota. Ze verwijst daarvoor naar het regeerakkoord, dat zegt dat waardevolle infrastructuur in stand houden prioriteit heeft op nieuwe initiatieven. Het dient hier vooral als een willekeurige stok in de wielen, want er is momenteel geen ‘infrastructuur’ waarin de collectie terecht kan, tenzij in de kelder.

Met haar beslissing trekt ze dus een vette zwart-gele streep door zowel het gevoerde federale cultuurbeleid als dat van het Brusselse Gewest. Het betekent dat de complexe nieuwe organisatie in thematische musea die de voorbije jaren werd uitgewerkt, nota bene een samenwerking tussen de Federale regering en Brusselse Gewest, integraal op de helling komt te staan. Het moet nu allemaal herbekeken worden. Wat nu met het Fin-de-Sièclemuseum, het Vanderborghtgebouw en de Citroëngarage? Waarheen dan, die kunstcollecties?

Welke poker spelen de separatisten nu? De artistiek directeur Michel Draguet, tevens ULB professor met een PS-signatuur, werd in het verleden al voortdurend door N-VA met spot overladen voor zowat alles wat aannemers in de bestaande infrastructuur verkeerd doen of wat er op federaal niveau inzake cultuurpolitiek fout loopt. Het zou allemaal een illustratie zijn van hoe rot België toch wel is. Vanwege de PS natuurlijk, dat spreekt.

Stel u nu even een boedelscheiding voor. De collectie Gillion-Crowet is inhoudelijk alles behalve interessant voor Vlaamsnationalisten. Als die in een federale instelling zit, dan zit ze voor hen in de weg. Als daarentegen een federale collectie van moderne en hedendaagse kunst naar het Brusselse Gewest afdaalt, dan kunnen ze die niet naar het Vlaamse achterland halen. Ondertussen heeft het Brusselse Gewest tevergeefs een zware financiële inspanning gedaan voor een tijdelijke opvang van de federale collectie in het Vanderborghtgebouw.

Met dit schaakspel zet Sleurs zowel de socialisten als de liberalen in de Brusselse regering onder druk. Zullen ze nu open staan voor een noodoverleg? De liberale familie spelen hier op drie niveaus, federaal, Brussels Gewest en Vlaamse gemeenschap. Het zou hun collega Open VLD, Vlaams Cultuurminister Gatz, eventueel goed kunnen uitkomen.

Want die doet naar eigen zeggen aan expectation management: hij houdt de Vlaamse cultuursector een wortel in de verre toekomst voor. Stel u voor dat hij binnen twee jaar kan zeggen: kijk eens, (een groot deel van) deze grote federale collectie komt er bij voor Vlaanderen. Minister Gatz koos voor Eva Vanhengel als woordvoerder, de dochter van zijn collega Guy Vanhengel, de Brusselse liberale minister van Financiën. Als het Brusselse Gewest een cultuurdeal zoekt, dan is die in partijpolitiek opzicht snel gemaakt.

Atoma-schriftjes

Nu zou je kunnen denken, och ja, dit is toch maar een zoveelste partijpolitiek spelletje binnen Brussel? Helaas is de kunst en dus de cultuurliefhebber weer het kind van de rekening. Toch zit er meer achter, anders zou N-VA het niet zo hard spelen. Op federaal niveau geldt de afspraak dat het even communautaire vrede moest zijn en nu voert N-VA al meteen een communautaire aanval uit op het Brusselse Gewest, hun regeringspartners, de liberalen en christendemocraten met de socialisten besturen?

Dat N-VA uitgerekend tijdens de hete herfst hier al meteen met de voetjes vooruit gaat, wijst op een geheim agenda. Ook al beweren de mandatarissen van N-VA – van Elke Sleurs tot Cathy Coudyser en Cieltje Van Achter – in koor dat ze het ‘onvoorstelbaar’ zouden vinden dat de federale kunstcollecties gesplitst worden, het klinkt behoorlijk vals uit de mond van separatisten. Wat ze natuurlijk bedoelen is dat ze niet naar Brussel mogen gaan, ze zijn voor Antwerpen bestemd.

Wat zijn daar de aanwijzingen voor? Die vinden we om te beginnen bij vicepremier en minister van Binnenlandse zaken Jan Jambon die vandaag werkt in wat hij ‘het sterfhuis’ noemt: de federale regering. Hij liet tijdens een lezing van het KVHV horen dat er “naast het regeerakkoord Atoma-schriftjes in de kluizen liggen van de vier regeringspartijen. Daarin staan afspraken over grondwetsartikelen die voor herziening vatbaar verklaard zullen worden. Ik denk dat we zelfs artikel 195 over de procedure van staatshervormingen zullen kunnen pakken.

Dat artikel 195 bepaalt dat enkel die artikels van de grondwet aangepast mogen worden die de vorige regering vatbaar voor verandering verklaarde. Het belet dus elke grondwetsherziening, tenzij de uittredende regering daar de deur voor open zou gezet hebben.

Het wijst allemaal op de communautaire strategie die N-VA nu in stilte voorbereidt, en de uitlaat van Jambon diende om de N-VA achterban gerust te stellen dat over vijf jaar wel een grondige nieuwe stap kan gezet worden in de richting van volledige autonomie. “N-VA moet artikel 195 laten opnemen in het ‘Zweedse’ regeerakkoord”, zei professor Bart Maddens in september, “zodat een grondwetsherziening in 2019 niet op voorhand onmogelijk wordt gemaakt. De separatistische achterban zal niet aanvaarden dat het confederalisme voor minstens 10 jaar opgeborgen wordt”.

Het protest van de N-VA achterban is beperkt. Die leek er zich bij neer te leggen dat de N-VA geen communautaire eisen kon stellen, omdat de partij niet onmisbaar was. De schrik om op alle niveaus opzij te worden geschoven zat er diep in. Toen dat niet gebeurde, was de opluchting zo groot dat men er de communautaire knieval maar bijnam. Het alternatief was geweest: vijf jaar oppositie. Maar daarna zou het N-VA-momentum misschien voorbij zijn.

Maar er is “hoop” voor de toekomst. Nu de Vlamingen de macht grijpen in België, via Michel I, zullen de Franstaligen mogelijks zelf vragende partij worden voor confederalisme, zo hoopt men in die kringen.

Volgens sommigen zal deze coalitie het federale systeem ontwrichten want er is geen enkele partij die een brugfunctie kan vervullen tussen de federale regering enerzijds en de Waalse en de Franstalige regering anderzijds. We krijgen dus vijf jaar vechtfederalisme. Als de PS-deelregeringen stokken in de wielen steken met belangenconflicten, dan is meteen het bewijs geleverd dat ‘het federale België niet werkt’.

En nadien ligt de weg naar het confederalisme breed open. Communautaire provocaties zijn dus nodig voor N-VA, want er moet aan Franstalige kant een draagvlak komen voor een splitsing. De PS zwaargewichten Marcourt, Magnette staan al langer op een regionalistische lijn. De clan Reynders binnen de MR beweegt ook. Zij zoeken toenadering tot de PS, zegt Le Vif en leggen daar ook contacten voor. Om de volgende stap voor te bereiden: confederalisme. “Ze willen de spanningen verlichten, samenwerken waar mogelijk, discussiëren over de toekomst van de regio’s en … de confederale bocht voorbereiden die de N-VA zonder twijfel tijdens het tweede deel van de legislatuur zal op tafel leggen.”

Kortom, wil N-VA slagen in de opzet die Jambon aangeeft, dan moet die partij het debat rond alle belangrijke concrete dossiers communautariseren. Hervormingen die aansturen op privatisering van instellingen zijn voor separatisten ook wenselijk, want dan zijn ze alvast niet langer federaal. Ook de aanval op de vakbonden kadert in een strijd tegen federale instellingen (zoals de NMBS en Bpost). Evenzo de bovenvermelde politieke zwendel met kunstpatrimonium.

Regeerakkoord

Nog aanwijzingen? Al wat niet in Atoma-schriftjes staat, vinden we misschien wel in het regeerakkoord zelf. U weet wel, de stenen tafels waarmee de nieuwe Vlaamse mozes van de berg kwam deze zomer: de Antwerpse burgemeester, tevens schaduwpremier van België. Die houdt er stellig aan dat alle oplossingen vandaag in het regeerakkoord te lezen zijn. In dat geval wordt een en ander duidelijk.

In het Vlaamse regeerakkoord lezen we bijvoorbeeld: “We blijven investeren in het eigen cultuurpatrimonium. De grondige renovatie van het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen (KMSKA) wordt afgerond. We investeren in de vernieuwing van het Kasteel van Gaasbeek, de Singel, het M HKA en de stedelijke operagebouwen in Gent en Antwerpen.“ (p. 134) Maar wat dan bijvoorbeeld met het museum SMAK in Gent? Mu.ZEE in Oostende? Museum M in Leuven? Vergeten we die even? Dat zijn weliswaar stedelijke musea, maar moeten we dat dan letterlijk opvatten: iets dat op termijn simpelweg van stedelijk niveau is? Is het toeval dat net in al deze steden een socialistische burgemeester op post is? Opvallend ook dat er geïnvesteerd werd in beton, op een moment dat er de drastisch bespaard wordt op kunstenaars en organisaties.

In de beleidsnota Cultuur van Cultuurminister Gatz lezen we nog heel wat dat weinig aan de verbeelding overlaat. Het begint onschuldig: “De grondige renovatie van het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen (KMSKA) zal ertoe leiden dat het KMSKA in de beste omstandigheden haar collectie kan beheren en tonen. (…) De renovatie gaat ook gepaard met een aanzienlijke uitbreiding van de bestaande museale ruimte om zo het KMSKA te laten uitgroeien tot een museum van de toekomst.” Dat er plannen waren met het KMSKA is niets nieuw natuurlijk, maar hier klinkt toch wel veel goesting door.

Blijkt echter dat Gatz ook de functie van de grote instellingen van de Vlaamse Gemeenschap (IVG) wil herbekijken. Hij wil ‘heldere ambitieniveaus en duidelijke en meetbare doelstellingen’. Deze instellingen werden nota bene het minst zwaar getroffen bij de sanering: slechts 2,5 procent in vergelijking met 7,5 procent voor de andere instellingen.

De minister schrijft: “De rol van de kunstinstellingen in het landschap zal in functie van een evaluatie van deze groep (IVG) bepaald worden in de visienota kunsten. Op die manier wordt duidelijk welke opdracht de kunstinstellingen moeten opnemen voor het ruime kunstenveld. Ook voor het M HKA en KMSKA zal de Vlaamse overheid hun rol en ambitie bepalen.”  Er wordt dus een grote hertekening van het veld aangekondigd. Bij toeval krijgt Antwerpen hier een sleutelrol zeg. In de strategische doelstelling ‘9.2.Het KMSKA en het M HKA uitbouwen als expertisecentra en motoren voor een inhaalbeweging in het Vlaamse erfgoed- en museumveld’ lezen we:

“Het beeldende kunstenveld is cruciaal voor de Vlaamse profilering en is ook toeristisch en economisch van groot belang. De twee Vlaamse musea zie ik als expertisecentra en motoren voor een inhaalbeweging in het Vlaamse erfgoed- en  museumveld. Beide musea vormen de basisinstrumenten voor het Vlaamse collectiebeleid en voor de samenwerking van Vlaanderen op het vlak van patrimonium met de talrijke stedelijke en privémusea. Door de aanwezigheid van topstukken in zijn collectie en zijn rol als wetenschappelijke en collectie beherende instelling geeft het KMSKA invulling aan de rol van topambassadeur.

Door de grondige renovatie van het KMSKA worden het beheer en de ontsluiting van de collectie geoptimaliseerd, wat het museum de mogelijkheid biedt om uit te groeien tot een museum van de toekomst. Als wetenschappelijke instelling zal het KMSKA zijn positie en internationale reputatie versterken, wat de samenwerking met vooraanstaande buitenlandse musea zal stimuleren.

Het M HKA wordt mijn kerninstrument voor het beheer en onderzoek van het hedendaagse kunstpatrimonium van de Vlaamse Gemeenschap. Het M HKA heeft een museale toekomst. Ik verwacht dan ook dat het een permanente collectie uitbouwt die de landelijke ontwikkelingen in hun internationaal perspectief toont. Daarnaast zullen de dimensie van onderzoek en de archiefwerking i.h.b. op vlak van kunstenaarsarchieven een focus blijven en geïntensifieerd moeten worden.”

Vlaamse vuurtoren

Het staat er zo: ‘mijn kerninstrument’. In Antwerpen dromen ze al eens van grootse dingen. Een tweede toren op de Kathedraal. Een brug over de Schelde. En waarom niet, een groot nieuw kunstcomplex op de gedempte zuiderdokken?  Dat zou toch wel wat zijn, in het licht van die beoogde ‘kracht van verandering’? Bart De Wever, plots de vriend van de kunst, zorgt na het geknoei met De Lange Wapper dan toch voor wat internationale grandeur voor de Antwerpenaar? Meteen ook een oplossing voor die strijdbare foorkramers? Ideaal bovendien voor de havenbonzen en betonboeren van de club Oosterweel. En op de koop toe mooie statements om in 2019 mee naar de kiezer te trekken toch?

In retrospectief wordt het ook duidelijk welk faustiaans pact de algemeen directeur van M HKA, Bart De Baere, mogelijks heeft gesloten. In het werkjaar 2012 hing zijn positie intern aan een zijden draaitje wegens wanbeheer. Minister Schauvliege kwam bemiddelen met de Raad van Bestuur. Koen Kennis (N-VA), Antwerpse Schepen voor ondermeer financiën en mobiliteit en tevens de rechterhand van Bart De Wever, daalde in 2010 al neer in die Raad van Bestuur. Hij hield De Baere op post. Na de verkiezingsoverwinning in 2012 mocht de nieuwe burgemeester in het voorjaar 2013 al meteen een nieuwe collectietentoonstelling in M HKA inleiden. Het was een symbolisch moment: deze essayist die de cultuurstrijd met ‘de culturo’ voerde, plots een ode aan de kunst te horen opdragen. Het verliep allemaal in grote nederigheid: hij kende er naar eigen zeggen niet veel van, zou er wel veel respect hebben, en beloofde iets te betekenen voor de kunst ‘in de toekomst.’ Een mooie clifhanger.

It’s about me, stupid!

Natuurlijk, zo zouden we kunnen denken, op zich doet de directeur van M HKA hier toch gewoon zijn job? Zijn sollicitatiebrief bij Bart De Wever schreef hij echter enkele maanden later in het cultuurtijdschrift rekto:verso: it’s about content, stupid! Plots komt hij met een tekst die op ramkoers met minister Schauvliege gaat. Vreemd toch, als die net zijn intern conflict mee in zijn voordeel had beslecht? Het gaat om een pleidooi voor ‘visie’ en vooral meer ambitie: in Vlaanderen moeten we verticaal durven denken, een grote vuurtoren neerpoten, anders zouden we de internationale boot rateren. In datzelfde stuk verwijst De Baere tussendoor even naar Edmund Burke, intussen de huisfilosoof van t‘ Schoon Verdiep in Antwerpen. Mooie knipoog naar de burgemeester toch?

Dat de andere musea in Vlaanderen, die binnen deze visie dan gedegradeerd worden naar een ‘2de klasse’ van provinciale spelers, het zou aldus De Baere niet zo’n drama zijn. Hij stelt ‘vouchers’ voor, waarbij de cultuurliefhebber dan gewoon de Eurostar naar Tate London kan nemen. Think Big, weet je wel. ‘Vouchers’, het is nochtans het favoriete idee van de neoliberale grootmeester Milton Friedman die het te onpas vermeldde wanneer er ergens protest tegen de privatisering van een openbare dienstverlening liep: geen nood, geef de klant gewoon een cadeaubon. Het ‘voucher’-voorstel is ook een favoriet in menig N-VA beleid.

In zijn opinie, waar De Baere de minister als een domme gans wegzet, filosofeert de directeur van het M HKA over een toekomst voor Vlaanderen. Cultuur is belangrijk voor ‘de gemeenschap’, Vlaanderen riskeert de kans te missen internationaal betekenis vol te zijn. ‘We zouden voor een tweesprong staan’: “Grofweg gezegd, is het de vraag of Vlaanderen een stedelijke dimensie zal hebben of een banlieue van Brussel zal worden.” Met de cultuurstrijd die zich nu rond de federale kunstcollecties afspeelt, wordt een en ander duidelijk wat er precies met die tweesprong werd bedoeld. De Baere eindigt visionair, het zal zijn De Wever allicht in de oren geklonken hebben:

“Ofwel focust Vlaanderen verder op een gespreide lokale culturele dienstverlening die centraal gemanaged wordt. (…) Ofwel kiest Vlaanderen voor minstens enkele instellingen die staan voor een grote ‘I’, die fungeren als internationale decision makers van eerste rang. (…) Die instellingen zouden zo representaties worden van hét Vlaamse, overkoepelende cultuurproject, dat dan elders lichter, bewegelijker en punctueler kan worden. Zo’n omslag impliceert wel dat het politieke bedrijf weldoordachte, gerichte en drastische keuzes maakt, ambitieus maar haalbaar. (…) Waarvoor kan Vlaanderen staan, waarvoor wil het instaan? Die keuzes zouden voor een nieuwe culturele blauwdruk voor Vlaanderen kunnen zorgen: een Vlaanderen-in-actie voor 2020 en verder, en niet enkel voor hier en nu. Met aandacht voor verleden, heden en toekomst, en met internationale allures.”

Zo een plan – Antwerp Art International zeg maar – veronderstelt een masterplan waar we op termijn toch aanwezigen van moeten zien? Op t ‘Schoon Verdiep komen we nu al een en ander te weten. Blijkt bijvoorbeeld dat het havenbedrijf zijn businessplan aan wat zo mooi ‘bedrijfsmecenaat’ heet aan het heroriënteren is. De Filharmonie en De Singel krijgen plots geen subsidies meer. Volgens radio trottoir zou er meer ingezet worden op instellingen beeldende kunst. Zou het kunnen dat de havenbonzen getipt zijn door his masters voice? Het is speculatie, dat klopt, maar laten we het toch maar goed in het oog houden.

Nog eentje: heel wat kunstenaars hebben stukken in de collectie van het M HKA zitten, dat strategisch investeerde (en tentoonstellingen plande) waardoor sommige mondige kunstenaars vandaag iets minder geneigd zijn van zich te laten horen. Maar de veelstemmige macht zit natuurlijk rondom dit instituut: het galerijleven op ’t Zuid met enkele grote spelers zoals Zeno X. Wat blijkt? Antwerpen stad, die nochtans heel hard op cultuur bespaart, komt nu wel met 30 000 euro subsidies voor de ‘vzw’ Antwerp Galleries. De galerijen beogen hiermee naar eigen zeggen een grootste reorganisatie. De toelage zal dienen om de digitale aanwezigheid bij te sturen en de verspreiding van de gedrukte folder uit te breiden.

En ook voor het catchy Antwerp Art weekend, een nieuw evenement aan citymarketing dat nocturnes organiseert voor de galerijen. Bart De Wever weet zijn stratego te spelen, zo blijkt, de rest van de sector is nu aan zet. Tot slot, het is natuurlijk een goede zaak dat er nagedacht wordt over een toekomstig kunstbeleid. Maar dan kan onmogelijk democratisch, efficiënt en kwalitatief verlopen als het de speelbal is van een allerhande persoonlijke en politieke agenda’s, die niets met de liefde voor kunst en cultuur te maken hebben. Voila, nu hebben zovele cultuurliefhebbers er weer een reden bij om Hart Boven Hard en de nationale staking maandag met nog meer warmte te steunen.

http://atv.be/nieuws/2013-06-07/bart-de-wever-opent-karakter-van-een-collectie/#.VIhntl5PrgJ

by-nc

 

Hoe leg je de staking uit?

Jan Blommaert (en z'n gedachten)

staking

Jan Blommaert 

De huidige stakingsgolf is een strijd om de “harten en geesten” van de mensen, waarin VOKA en UNIZO zich – niet onverwacht – ontpoppen tot de megafoons van de tegenstrever. Tot zowat een jaar geleden was hun verhaal over de stakingen dominant; de publieke opinie stond bol van de woorden “gijzeling”, “economische schade”, “recht op werken” en zo meer. Dit verhaal staat nu onder druk, zoveel is duidelijk. De steun voor de stakingen is zeer groot, de acties worden zeer breed gedragen, en er is een echte kentering in de publieke opinie merkbaar.

Dit geeft ons nu de kans om de stakingsgolf aan te wenden om een degelijke sociale, politieke en economische analyse door te geven. Geen defensieve argumentatie dus, maar een argumentatie die vertrekt vanuit het sociale protest zelf. Die is absoluut nodig wanneer we van een breed gedragen staking ook een politieke tegenkracht willen maken en ik…

View original post 2.239 woorden meer