Waarom ik als benadeelde treinreiziger de staking van 22 april steunde

200911050627-1_treinstaking-kost-100-miljoen-euro

Pieter Van der Schoot 

In de onrustige tijden waarin wij leven resten ons weinig zekerheden. De abominabele kwaliteit van nieuwsbulletins op stakingsdagen is daar één van. Dat was tijdens de staking van 22 april niet anders. De kijker of luisteraar had voldoende aan één blik van de nieuwsanker van dienst om te weten dat hij of zij de volgende minuten gebombardeerd zou worden met beelden van lege stations, soundbites van misnoegde treinreizigers, ellenlange klaaggezangen van rechtse politici en vertegenwoordigers van het patronaat. Een relatief nieuwe positie in het medialandschap wordt ingenomen door dikbetaalde Twitter-bobo’s die al te gretig hun afkeer van stakers en hun eigen hoogstaande werkethos etaleren op de sociale media. Dat er voor hard werken nog maar weinig tijd overblijft als je om de twee minuten een tweet vol spelfouten de wereld in stuurt vanuit je comfortabele bureaustoel, mag de pret niet bederven. Twitter is immers in de eerste plaats een clash van ego’s, niet van ideeën.

Opvallend afwezig (nog zo’n zekerheid) was informatie over de motieven van de stakers. In de marge hoorden we wel eens een opmerking over het brugpensioen. Het ‘betere’ nieuws gaf ergens achteraan zelfs enkele seconden het woord aan een misnoegde syndicalist. Maar als we echt meer wilden weten over de beweegredenen van de stakers, werden we niet wijzer van de informatie die in de media verscheen.

De ‘ware’ motieven kunnen natuurlijk onmogelijk worden samengevat in één nieuwsbericht, daarvoor zijn ze te talrijk, te divers. Het is echter duidelijk dat het verzet tegen de pensioenhervorming slechts één element is dat heeft bijgedragen aan de beslissing van talloze mannen en vrouwen om het werk neer te leggen. Het ongenoegen knaagt dieper dan enkel de verplichting om langer beschikbaar te blijven op de arbeidsmarkt.

Minstens even belangrijk is het ongenoegen, de woede zelfs,over de toenemende jobonzekerheid, de werkdruk, de stijgende prijzen en dalende kwaliteit van de openbare diensten, de moordende concurrentiestrijd tussen werkzoekenden, en de manifeste onwil van de politieke kaste om zelfs maar een ogenblik wakker te liggen van het sociale bloedblad dat zich in ons land voltrekt.

Die sociale verwoesting is bijna nergens zo duidelijk zichtbaar als in de stations en op de treinen van ons land.  Zoals vele pendelaars was ik de maanden na de invoering van het nieuwe transportplan – dat overigens nog door de regering Di Rupo werd goedgekeurd – getuige van de dramatische achteruitgang van de dienstverlening.Het eerste probleem waarmee ik als fervente NMBS-klant kreeg af te rekenen betreft het aanschaffen van een ticket. Aangezien het niet langer mogelijk is om er eentje op de trein te kopen zonder daarvoor € 7 extra te betalen, is het ’s morgens dringen aan de enige automaat die ‘mijn’ beginhalte (Tielen) rijk is- met als spijtig neveneffect dat ik nu vijf à tien minuten vroeger vertrek om niet het risico te lopen de trein te missen. Dat die automaat minstens één keer per maand defect is, is zo mogelijk nog nefaster voor mijn ochtendhumeur.

In ruil voor deze georganiseerde diefstal beloont de NMBS ons met kaduke treinen uit het midden van de vorige eeuw waarin je amper zonlicht te zien krijgt door de hoeveelheid graffiti die de ramen siert. Treinen met toiletten die zo hopeloos verouderd zijn dat je de grote boodschap best kan uitstellen tot de eindbestemming, waar je een halve euro armer wordt gemaakt om te genieten van het privilege om je achterwerk boven een stinkend gat te hangen in het gezelschap van vuile injectienaalden en drie verschillende soorten schimmel. En dan zwijg ik nog over de blokkerende deuren en de aanhoudende stroomvertragingen.

Kortom: ik herken in niets meer het klantvriendelijke overheidsbedrijf dat de NMBS vroeger was.

Slechts één uitzondering: het immer vriendelijke treinpersoneel, en dan met name de conducteurs. Het is deze groep die elke dag weer de kalmte weet te bewaren in de ongemakkelijke confrontaties met gefrustreerde reizigers, vertraagde of afgeschafte treinen, toenemende werkdruk en de soms penibele veiligheidsomstandigheden die daaruit voortkomen. En het is uitgerekend deze  groep die elke keer als ze opkomt voor haar rechten de wind van voren krijgt van rechtse demagogen en ondankbare bazen.

Daarom steunde ik de stakers gisteren van harte en zal ik ze blijven steunen telkens ze in opstand komen tegen de collectieve verarming van het rechtse beleid. De hinder die we nu ervaren is immers klein bier in vergelijking met de georganiseerde chaos die het gevolg is van regeringen die ongehinderd hun neoliberale dictaten opleggen aan ons, het volk.

by-nc

Socialisme voor (her)beginners.

Jan Blommaert 

beattheredswithredwedge

Inhoud

Wat doe je als … ?

Socialisme uitgelegd

Revolutie …

… Of evolutie

Is socialisme actueel?

Tot slot: engagement

Voorwoord

Ik schrijf dit boekje vanuit een onwankelbare overtuiging. Ik ben socialist, en heb Marxisme altijd de meest indrukwekkende en stimulerende denkrichting gevonden. Ik schrijf het op een moment waarop socialisme enerzijds passé lijkt, en anderzijds aan een plotse revival blijkt te zijn begonnen. De economische crisis die ons sinds 2008 treft heeft als merkwaardig effect dat velen met belangstelling de keuken van het socialisme komen inspecteren, op zoek naar nuttige recepten. Dit geldt ook voor mensen die tot voor kort een nauwelijks verholen allergie hadden voor socialisme, het woord ‘kapitalisme’ niet over hun lippen kregen, en enthoesiast waren over de zogenaamde vrije markt en het liberale gedachtengoed.

Ik schrijf het boekje in de eerste plaats voor mijn kinderen en hun vrienden. Zij groeien op in een wereld die volkomen door consumptie wordt gedomineerd. De geschiedenislessen maken nog nauwelijks melding van de Sovjet-Unie, en in het handboek Economie wordt een bewust consumerende familie, die bio en fairtraide producten koopt en geen wagen heeft, benoemd als de ‘Familie Wijsneus’. Ze groeien met andere woorden op in een wereld die er de afgelopen twee decennia alles aan heeft gedaan om socialisme onder een dikke laag stof te bedekken, en die een kapitalistische samenleving als een door god geschonken ideale omgeving ziet. Het boekje heeft als enige doel socialisme voor die jongeren, die ‘beginners’ terug op de kaart te plaatsen. Ik schrijf het daarnaast ook voor herbeginners, mensen die ten gronde socialist zijn maar hun overtuiging doorheen vele jaren van tegenslag hebben verdund, die erover zijn gaan twijfelen, en die er misschien al één en ander van vergeten zijn. Socialisme moet er blijven zijn, ook in een tijd waarin de Socialistische Partij nerveus wordt van haar eigen naam. Het moet blijven aangeboden worden als een alternatief maatschappijmodel voor jonge mensen, die er misschien wat antwoorden op hun vragen in vinden. Terug aanknopen met die lange traditie van strijd en kritiek is iets wat moeilijk is wanneer ze die traditie niet kennen. Dit boekje wil hen daartoe de weg wijzen.

Jan Blommaert

Berchem, februari 2010

Wat doe je als… ?

Wat doe je als de wereld een onrechtvaardige plek blijkt te zijn? Wanneer je ziet dat vele, zeer vele mensen slachtoffer worden van het zelfde systeem dat ons rijk maakt en rijk houdt? Wanneer je merkt dat mensen uitgebuit worden, keihard moeten werken voor een loon dat hen met moeite in leven houdt? Wanneer je ontdekt dat je mooie nieuwe Nike schoenen gemaakt zijn door 14-jarige kinderen in Bangladesh, die twaalf uur per dag in erbarmelijke omstandigheden moeten werken voor onze luxe? Of wanneer je ontdekt dat je oma, na een leven van hard werk en inzet, moet rondkomen van een piepklein pensioentje, en de verwarming lager moet draaien om haar geneesmiddelen te kunnen betalen?

Je stelt je daar vragen bij natuurlijk, of je stelt die vragen aan anderen. Vervelende, lastige, kritische vragen. Je hoort op de radio dat om één of ander bedrijf te ‘redden’ men duizend werknemers zal ontslaan. De vervelende vraag die dan opduikt is: wat is er nu eigenlijk gered? Al zeker niet het inkomen en de toekomst van de ontslagen werknemers, en in zoverre die deel uitmaakten van het bedrijf zijn zij niet ‘gered’ maar net in gevaar gebracht. En je merkt dat men die nuance nooit maakt op de radio. Of je hoort op de radio dat de aandelen van Fortis de ene dag met vijfentwintig procent dalen, en de volgende dag dertig procent stijgen. De vervelende vraag is dan: wie heeft er geld verdiend aan die bruuske schommelingen, aan dat verschil van ruim vijftig procent in waarde, op één dag? En je merkt dat men je dat nooit vertelt op de radio.

Als je zo’n vragen stelt – en ik denk dat je zo’n vragen moet stellen – dan ben je bezig met politiek. Je kan het nog anders formuleren: je zit in de politiek. Je bent bezig met je samenleving, met de grote eigenschappen van die samenleving – de mechanismen van armoede en rijkdom, de economie, de kansen van mensen – en je stelt je daar kritische vragen over. Je zit dan ook midden in de politiek. Het is een vergissing politiek te herleiden tot datgene wat professionele politici doen: die dames en heren die dagelijks over ons scherm dansen en ons via de micro’s en de camera’s ernstig toespreken. Neen, hùn politiek is slechts een klein deel van de politiek. Iedereen zit immers in de politiek, iedereen is deel van een samenleving wiens eigenschappen en werking voortdurend ter discussie moeten staan. Jij dus ook. Je hebt je in de politiek begeven van zodra je vragen begon te stellen over het systeem waarin we leven. Net zoals onze ministers neem ook jij dan je politieke verantwoordelijkheid op, en je staat kritisch tegenover datgene wat je verneemt over onze samenleving, want je merkt dat ze niet rechtvaardig ineen zit.

Je bent niet alleen. Er bestaat een lange traditie van dergelijke vragen, en die traditie noemen we socialistisch. Het is een traditie waarin rechtvaardigheid en gelijkheid centraal staan, waarin men zich boos maakt over de uitbuiting van mensen en streeft naar een betere wereld – een wereld waarin mensen daadwerkelijk gelijk zijn en waarin onderscheiden van ras, geslacht, klasse of stand geen rol meer spelen. Je kan dat een romantisch ideaal vinden, of een utopie. Maar je moet er bij bedenken dat utopie nu net de kern is van politiek. Je bent begaan met je medemensen en met de samenleving omdat je een betere samenleving wil, omdat je een droom hebt van een ideale wereld. De dingen die je denkt en doet zijn ingegeven door die droom, door die utopie. Het is niet goed alleen maar ‘realistisch’ te zijn in de politiek, want dan kijk je enkel naar de kleine dingen. Je moet groter en ruimer denken, de grote dingen ook willen aanpakken, ook al liggen die grote dingen eigenlijk buiten je bereik of zijn ze niet zomaar aan te pakken. Mensen met een visie zijn mensen die ook het grote plaatje bekijken, niet enkel de kleine dingen. Dat zijn mensen met ideeën en idealen, die zich ook niet meteen laten ontmoedigen bij een kleine tegenslag. Je blijft streven naar een rechtvaardiger wereld, naar gelijkheid onder mensen, want je weet dat de wereld niet vanzelf beter zal worden. Mensen moeten er zich voor inspannen, aangedreven door de kracht van hun idealen, van hun utopie. Socialisme is een traditie die bij uitstek drijft op grote, sterke idealen. Het is een traditie voor mensen met een groot hart en een visie op de samenleving. Laat het ons daar dan ook even over hebben, want het is nodig. Er is wat stof gevallen op het socialisme, sommige mensen vinden het een vies woord, anderen een voorbijgestreefde idee, en zeker jonge mensen kennen het slechts zijdelings. Het is tijd voor een afstofbeurt.

Socialisme uitgelegd

We moeten beginnen bij het begin, met de vraag: wat is socialisme eigenlijk? Het antwoord is wat ingewikkeld, en ik zal er heel dit boekje aan besteden. Maar van bij het begin moeten we de zaak duidelijk stellen. Socialisme is een ideologie die draait rond een kritiek op het kapitalisme. Dat is een zin vol zware woorden – ideologie, kritiek, kapitalisme – en daar hoort wat uitleg bij.

Het woord ideologie staat voor een reeks ideeën, principes en denkbeelden. Het staat eveneens voor de handelingen die van die ideeën, principes en denkbeelden afgeleid zijn. Een ideologie is dan ook een mengsel van dingen die men denkt en gelooft enerzijds, en dingen die men doet anderzijds. Bijvoorbeeld: men gelooft dat auto’s vervuilen en dat vervuiling erg slecht is voor onze gezondheid. Dat zijn de ideeën. Maar ten gevolge van die ideeën gaat men ook de wagen zo weinig mogelijk gebruiken en zoveel mogelijk het openbaar vervoer of de fiets gebruiken voor z’n verplaatsingen. Dat zijn dan handelingen die van die ideeën afgeleid zijn, ze zijn gebaseerd op de ideeën. Men is dan niet alleen in principe of in theorie tegen de vervuiling van het milieu, maar ook in de praktijk. Denken en doen staan op één lijn, en dit geheel heet ideologie. Het is belangrijk dat we dit weten: dat ideologie niet alleen over ideeën gaat, maar ook over handelingen, en dat ‘consequent zijn’ een eigenschap is van een ideologie. Gelooft men in Christus, dan moet men ook als Christen leven. Gelooft men in socialistische principes, dan moet men die principes ook in de praktijk brengen.

Het woord kritiek staat niet, zoals men vaak denkt, voor “neen” zeggen. Het kan ervoor staan, maar dat hoeft niet. Men kan evengoed kritisch “ja” zeggen. Kritiek is namelijk een analyse, een kritisch onderzoek van de feiten. Het komt er bijvoorbeeld op neer dat men niet zomaar alles gelooft, maar vraagtekens plaatst bij wat men ziet, merkt en hoort en er probeert dieper op in te gaan. Kritiek is bewust denken en vragen stellen. Heel vaak leiden die vragen ertoe dat men ‘kritisch’ staat tegenover iets, dat men er met andere woorden niet mee eens is. Maar je kritisch onderzoek kan evengoed leiden tot het aanvaarden van iets. Je kan, als gevolg van een kritisch onderzoek, best akkoord zijn met iets. Je laat je in die kritiek leiden door je ideologie – concreet: je gebruikt je ideeën, principes en denkbeelden bij het kritisch bekijken van het nieuws, het luisteren naar je leerkracht, naar een film of naar muziekteksten. Om het voorbeeld van een Christen nog eens aan te halen: je kan vanuit je Christelijke principes een film bekijken en concluderen dat die film rotzooi was. Er werden mensen in vermoord, de slechterik won op het eind, en weerloze mensen hadden het er hard in te verduren. Je hebt dan een kritiek uitgevoerd van die film, je hebt die film kritisch bekeken en hem op het eind afgewezen. Zo bezien voeren we honderden keren per dag kritiek uit. Kritiek is één van de dingen die we constant doen, het is op zich niets bijzonders tenzij je die kritiek een beetje structuur geeft door middel van een theorie of een methode. We komen daar later nog uitgebreid op terug, want socialisme kan zo’n methode zijn.

Kapitalisme, tenslotte, is het economische systeem waarin we leven. Het systeem is oud: kapitalisme heeft zijn oorsprong in de late middeleeuwen, en het is steeds verder geëvolueerd. In essentie komt het erop neer dat bepaalde groepen mensen – kapitalisten – investeren in de productie van dingen, en er ook de winsten van opstrijken. Andere groepen van mensen – arbeiders en bedienden bijvoorbeeld – werken in dienst van die kapitalisten en strijken niet de grote winsten op, maar gaan met een salaris naar huis. Dat onevenwicht, waabij bepaalde mensen een belangrijker aandeel hebben in de economie dan anderen, is de kern van kapitalisme. Een belangrijk element in kapitalisme is dat de kapitalisten privé-personen zijn. Men noemt dit ‘privaat eigendom’. Het kapitaal is in handen van privé personen, en niet van, bijvoorbeeld, de overheid. De overheid heeft geen eigen bedrijven (of erg weinig) en speelt eigenlijk geen rol als ondernemer. Ondernemers zijn privé-personen, hetzij individuen hetzij firma’s. De rest van de samenleving heeft niets te zeggen over hoe zij hun zaken beheren – dat heet ‘vrij ondernemerschap’, en die ondernemers bewegen zich in een ‘vrije markt’ waarop zij hun goederen kunnen kopen en verkopen.

In de tweede helft van de 19de eeuw schreven Karl Marx en Friedrich Engels een hele reeks artikels en boeken, waarin ze het kapitalisme aan een grondige kritiek onderwierpen. Marx en Engels waren goede vrienden. Marx was een Duitser die zijn gehele leven wijdde aan journalistiek en aan de kritiek van het kapitalisme. Engels was, vreemd genoeg, zelf een ondernemer uit de Britse textielsector. De kritiek van het kapitalisme die ze ontwierpen werd ‘Marxisme’ genoemd, en dat Marxisme werd de basis van de socialistische ideologie. In de Marxistische kritiek werd gesteld dat het kapitalistische systeem gebaseerd was op uitbuiting: uitbuiting van de arbeiders door de kapitalisten (de ‘bourgeoisie’ of ‘burgerij’ genaamd), van de armen door de rijken. Aangezien de kapitalisten steeds hogere winsten willen voor hun goederen, moeten ze die goederen aan een steeds goedkoper prijs blijven produceren en zullen ze de lonen van hun arbeiders laag houden. Arbeid wordt zo een grondstof die een bepaalde prijs heeft, en de arbeider wordt een naamloos instrument in de productie van kapitaal. Vermits er altijd te veel arbeiders zijn voor het aantal beschikbare arbeidsplaatsen, concurreren de arbeiders met mekaar en houden ze zo de lonen laag (werkloosheid, of de angst voor werkloosheid, heeft dus altijd het effect dat de lonen laag gehouden worden). Kapitalisten zullen ook proberen hun eigen materiaal bij anderen aan te kopen aan een zo laag mogelijke prijs, om er nadien zoveel mogelijk winsten mee te halen. Daardoor houden ze niet enkel de lonen van hun eigen arbeiders laag, maar ook die van andere arbeiders uit andere bedrijven. Bijvoorbeeld: iemand wil staal produceren. Voor dat staal heeft men erts nodig, dat gedolven wordt in een mijn. De staalproducent wil zo hoog mogelijke winsten voor zijn staal, hij wil het zo duur mogelijk kunnen verkopen. Het is dus belangrijk dat hij zijn erts zo goedkoop mogelijk kan aankopen. De eigenaar van de mijn wil z’n erts verkopen aan die staalproducent, en moet er dus voor zorgen dat het erts goedkoop is (terwijl hij zelf nog voldoende winst maakt). Op die manier drukt de staalproducent de lonen van de mijnwerkers naar beneden, en ook de lonen van zijn eigen staalarbeiders. Bovendien kan de staalproducent op een bepaald moment inzien dat hij nog goedkoper kan produceren (en dus meer winst kan maken) wanneer hij machines in plaats van mensen gebruikt. Hij zal dan ook arbeiders afdanken en machines aankopen. Want dat is een ander aspect van kapitalisme: de arbeiders kunnen zichzelf geen werk bezorgen. Ze moeten werk krijgen van de kapitalist, die hen in ruil voor werk een loon betaalt. Als dat werk niet meer nodig is dan kan de arbeider afgedankt worden, de kapitalist niet. De kapitalist kan goederen verkopen, de arbeider kan enkel zichzelf en zijn arbeid verkopen.

Voor Marx en Engels waren door dit alles de belangen van de arbeiders en die van de kapitalisten niet met mekaar te verzoenen. De arbeiders willen een zo hoog mogelijk loon verdienen, en de kapitalisten willen een zo laag mogelijk loon betalen. Het belang van de kapitalist bestaat erin de werknemers zo veel mogelijk uit te buiten; dat van de werknemers bestaat er uiteraard in die uitbuiting te vermijden. Twee klassen van de bevolking stonden zo lijnrecht tegenover mekaar, de arbeiders en de kapitalisten, en deze tegenstelling noemden Marx en Engels de klassenstrijd. De geschiedenis, zo betoogden zij, kon gezien worden als één grote en lange klassenstrijd, waarbij de verdrukte klassen streden tegen de klasse van de verdrukkers. Door de industrialisatie in de 19de eeuw was het kapitalisme een nieuwe fase binnengetreden: een fase waarbij de arbeiders (het proletariaat, in Marxistische terminologie) steeds meer werden uitgebuit, maar zich terzelfdertijd in steeds groter aantallen konden verenigen. De enorme toename van fabrieken in de 19de eeuw (een gevolg van de invoering van de stoommachine) had ervoor gezorgd dat in Europa miljoenen mensen van het platteland naar de steden waren afgereisd om daar in de fabrieken te gaan werken. Arbeiders leefden nu dicht op mekaar in de volksbuurten, vaak in erbarmelijke leefomstandigheden. Wie werkloos, ziek of verminkt was had geen inkomen. De arbeiders protesteerden vaak tegen de onmenselijke werk- en leefomstandigheden, en hierin zagen Marx en Engels een unieke kans om het proletariaat te organiseren.

Dat was het begin van de arbeidersbeweging. Aanvankelijk was het een wirwar van kleine verenigingen van allerlei strekkingen (die dan ook onderling flink kibbelden). Maar geleidelijk aan ontstonden grote massabewegingen: vakbonden en daarna grote politieke partijen van ‘werklieden’ zoals dat destijds heette. Dat samengaan van verenigingen was mogelijk omdat ze allemaal één uitgangspunt deelden: het feit dat de belangen van de arbeiders specifieke belangen waren, en dat de andere partijen (die doorgaans uitgingen van de burgerij, het beter verdienende volk) deze arbeidersbelangen niet verdedigden. Noteer dat men de belangen van ‘arbeiders’ inmiddels al lang niet meer beperkt tot mensen die in de echte zin van het woord ‘arbeiders’ zijn. Alle loontrekkenden, dus ook bedienden, horen erbij.

Die arbeidersbeweging was van bij de aanvang internationaal gericht. Marx en Engels hadden in hun Communistisch Manifest de befaamde oproep gelanceerd: “proletariërs aller landen, verenig u”. En de arbeidersbewegingen gingen er dan ook van uit dat arbeiders, waar ook ter wereld, hetzelfde lot deelden en dus moesten samenwerken om zich te verdedigen tegen verdrukking.  Het principe was immers solidariteit. Individuele arbeiders zouden hun problemen nooit zelf kunnen oplossen, ze moesten samenspannen en samenwerken om resultaten te behalen. Samen sterk was het motto, en dit motto gold zowel binnen één bedrijf als binnen een land of binnen de gehele wereld. Eender waar er uitbuiting is, moeten arbeiders samen in actie komen en deze uitbuiting bestrijden. Die solidariteits-idee zorgde voor een bepaalde ambiance in de arbeidersbewegingen: er heerste een zeer groot samenhorigheidsgevoel en een gevoel van onderlinge gelijkheid. Iedereen was arbeider, en iedereen moest zich dan ook op gelijke wijze inzetten in de strijd voor de rechten van de arbeiders. Het woord ‘strijd’ was heel belangrijk, en ‘links’ (het synoniem dat de arbeidersbeweging snel kreeg) stond steeds voor ‘strijdbaar’. De arbeidersbeweging zag zichzelf altijd als een strijdbare beweging, een beweging die hervormingen zou afdwingen en die bereid was daarvoor offers te brengen. De rode kleur van hun vlaggen verwees naar het bloed dat vergoten werd in deze strijd. Stakingen, betogingen of rellen van arbeiders eindigden immers niet zelden in schietpartijen door de politie of het leger, en vele arbeiders lieten effectief het leven in de strijd voor gelijke rechten.

De arbeidersbeweging had steeds twee armen. De eerste arm was de vakbond: een massa-organisatie van arbeiders die hun belangen moest verdedigen tegenover de ondernemingen en de staat. De vakbonden hanteerden stakingen als een belangrijk wapen in de strijd voor de verbetering van de arbeidsvoorwaarden. De tweede arm, die later kwam, was de politieke partij – met namen zoals “socialistische partij”, “werkliedenpartij”, “partij van de arbeid” of “arbeiderspartij”. Er ontstonden ook communistische partijen: partijen die een bepaald, radicaal soort socialisme voorstonden, waarover later meer. Terwijl de vakbonden aan de basis werkten – in bedrijven en in de volksbuurten van de arbeiders – werkten de politieke partijen op een hoger niveau: dat van het parlement (en uiteindelijk ook van de regering). De belangen van de arbeidersklasse moesten immers ook door middel van wetten verdedigd worden, de arbeidersklasse moest een volwaardig en evenwaardig deel van de samenleving worden. Socialisme werd zo, geleidelijk aan en ondanks veel tegenstand, een vast deel van de politieke wereld in Europa. De socialistische beweging dwong zaken af die nu voor ons vanzelfsprekend zijn: het algemene stemrecht, de acht-urige werkdag en het betaald verlof zijn zo’n zaken die vandaag de dag absoluut evident zijn, en we kunnen een lange lijst van dergelijke verwezenlijkingen opsommen. Onze huidige samenleving is in verregaande mate mee door socialisten gemaakt, samen met die andere, niet-socialistische arbeidersbewegingen die in het zog van de socialisten ontstonden (je hebt thans een Socialistische vakbond, een Christelijke en een Liberale). We leven in een zogenaamde verzorgingsstaat waarin heel wat voorzieningen hetzij gratis zijn, hetzij erg goedkoop: onderwijs, gezondheidszorg, pensioen, leefloon, invaliditeitsuitkeringen, openbaar vervoer, noem maar op. De staat zorgt hiervoor met belastingsgeld. Iedereen draagt bij, rijk en arm, en iedereen krijgt ervan terug – het socialistische principe van solidariteit. Let echter op: precies die socialistische invloed staat de laatste twintig jaar onder zeer grote druk. Men is volop bezig de verzorgingsstaat af te breken en te vervangen door een stelsel waarin je zelf al die voorzieningen moet kopen op de vrije markt. Dit is één van de redenen waarom ik dit boekje schrijf: socialisme heeft zeer veel goeds gedaan in onze samenleving, en het zou heel erg zijn indien men deze verwezenlijkingen zou opgeven omdat men ze niet kent of begrijpt.

Socialisme was van bij de aanvang niet alleen een beweging van arbeiders maar ook van intellectuelen en kunstenaars. Marx en Engels waren zelf geen arbeiders, en terwijl de grootste aanhang van de vroege arbeidersbeweging vanzelfsprekend uit arbeiders bestond, trok de beweging ook talloze artiesten, wetenschappers en denkers aan van alle mogelijke strekkingen: rijk en arm, jong en oud, gelovig en ongelovig. Je kan zonder overdrijving stellen dat zowat elke grote denker van de twintigste eeuw op de één of andere manier beïnvloed was door het Marxisme. De werken van Marx voorzagen immers in een enorm uitgewerkt denksysteem dat talloze raakvlakken had: de economie, de politiek, de structuur van de samenleving werden allemaal geherformuleerd in de Marxistische theorie. Ze boden een enorme ruimte voor verdere uitwerking, een geweldige uitdaging voor intellectuelen. De band die binnen de arbeidersbeweging werd gemaakt tussen denken en doen, tussen theorie en actie, betekende dat veel intellectuelen zich ook aansloten bij de arbeidersbeweging, of er minstens actief mee sympathiseerden. Ook kunstenaars sloten zich aan. Kunstenaars vormen vaak de avant-garde in een samenleving, een groep mensen die vooruit denken en met dingen bezig zijn die nog geen realiteit zijn. Marxisme bood hen een avant-garde omgeving van mensen die, net als zij, droomden van een samenleving die nog niet bestond. Grote artiesten als Picasso en dichters van het kaliber van Neruda werden dan ook militanten van de internationale arbeidersbeweging. In België kon de arbeidersbeweging rekenen op de steun van schrijvers zoals Louis-Paul Boon en Maurice Maeterlinck (de enige Belgische Nobelprijswinnaar literatuur) en van de architect Victor Horta, die het Brusselse hoofdkwartier van de arbeidersbeweging, het Volkshuis, ontwierp.

Revolutie …

De socialistische politieke beweging (de politieke partijen dus) had reeds zeer vroeg twee strekkingen: een revolutionaire strekking en een zogenaamd ‘reformistische’. De twee strekkingen streefden het zelfde doel na: het vervangen van een kapitalistische samenleving door een socialistische. Maar de revolutionaire strekking oordeelde dat zo’n vervanging er moest komen door een revolutie, d.w.z. door een plotse en radicale ommekeer in de samenleving. De ‘reformistische’ strekking daarentegen opteerde voor de trage evolutie van binnen uit. Kapitalisme werd aanvaard als een systeem dat nog een tijd zou doorlopen, en dat geleidelijk aan door socialistische hervormingen zou zorden uitgehold en vervangen door een socialistische samenleving. De ‘reformistische’ strekking noemt men vaak de ‘sociaal-democratie’. Dit onderscheid tussen revolutie en evolutie is meteen ook het onderscheid tussen communistische en socialistische politieke partijen. Communistische partijen zijn radicale revolutionaire partijen, terwijl de socialistische partijen gematigde reformistische sociaal-democratische partijen werden. Terwijl de reformistische partijen zich tevreden stelden met de geleidelijke, stap-voor-stap hervorming van de samenleving vanuit het parlement kozen de communistische partijen voor een veel meer radicale en onverzoenlijke koers, in nauwe samenwerking met de basis: de vakbonden, het proletariaat.

Noteer dat dit onderscheid tussen revolutie en evolutie geen oppervlakkig onderscheid is. Het gaat niet alleen over strategie, maar het is een fundamenteel onderscheid in de visie op een socialistische samenleving, dat in het begin van de 20ste eeuw onder andere tussen de grote socialistische voormannen Lenin en Kautsky tot grote meningsverschillen leidde. De Duitser Kautsky, een ‘reformist’, was daarbij van oordeel dat een socialistische machtsovername moest verlopen via de bestaande structuren van de staat – via het parlement simpel gesteld. De socialisten zouden geleidelijk meer vertegenwoordigers krijgen in het parlement, en van zodra ze de meerderheid uitmaakten was Duitsland effectief een socialistische staat, een staat geleid door de arbeiders die vanaf dat moment vorm zouden kunnen geven aan het socialisme. De socialistische machtsovername zou dus ‘democratisch’ moeten verlopen (vandaar de term ‘sociaal-democratie’ voor dit soort standpunt en benadering). Lenin daarentegen was van oordeel dat de socialistische machtsovername de hele bestaande burgerlijke staatsstructuur zou moeten vernietigen en vervangen door een compleet nieuwe organisatie – die eveneens ‘democratie’ heette. Het onderscheid tussen revolutie en evolutie gaat dan ook terug tot een fundamenteel meningsverschil over de betekenis van democratie, en het is van belang dit goed voor ogen te houden. Voor de reformisten was de bestaande (bourgeois) democratie goed genoeg, voor de revolutionairen moest er een nieuwe democratie komen, een revolutionaire en complete democratie.

Om dit argument over democratie goed te begrijpen, en om het belang van revolutie in dit verband duidelijk te maken, moeten we even achteruit gaan in de tijd, naar Marx en Engels. In hun Communistisch Manifest (een tekst die iedereen zou moeten lezen) stellen ze dat communisme staat voor de afschaffing van het privé-karakter van kapitaal. Terwijl kapitaal nu in handen is van een kleine klasse kapitalisten (die er naar goeddunken over beschikken), moet kapitaal het eigendom worden van alle leden van de samenleving. Iedereen moet evenwaardig deel hebben aan de rijkdom van de samenleving. De redenering is eenvoudig en moeilijk onderuit te halen. Privé bezit was in de industriële samenleving van de 19de eeuw geconcentreerd in de handen van een heel kleine groep; de overgrote meerderheid van de bevolking – het proletariaat – had eenvoudigweg geen privé bezit, enkel een minimaal loon dat hen toeliet met moeite te overleven. De afschaffing van privé bezit kwam er dus op neer dat enkel het privé bezit van de kleine groep bevoorrechten zou worden afgenomen, en zou worden herverdeeld onder al de leden van de samenleving. De opbrengsten daarvan zouden iedereen – dus ook de arbeiders – toelaten zich omhoog te werken, te ontwikkelen, te ontplooien. In die zin is de afschaffing van privé bezit enkel de afschaffing van uitbuiting, van de uitbuiting van een grote groep mensen door een kleine minderheid. Het is, met andere woorden, een radicale democratisering van de samenleving, en een socialistische samenleving (het einddoel van het communisme) is een radicaal democratische samenleving.

Die democratisering moet er komen via een revolutie. Dat gaat zo in zijn werk. Het proletariaat vormt de overgrote meerderheid van de bevolking. Via de communistische partij moet het proletariaat aan de macht komen, en meteen het privé bezit (in de zin van hierboven) afschaffen. Alle kapitaal komt zo in handen van de staat, die wordt geleid door de communisten (die het proletariaat vertegenwoordigen). De staat neemt niet enkel het kapitaal over, maar ook alle belangrijke economische en politieke middelen: het openbaar vervoer, de havens, de post, het bankwezen, enzovoort. Met die middelen in de hand bouwt ze een socialistische samenleving. Dit zal wellicht niet goedschiks verlopen – machtige mensen hebben in de geschiedenis zelden blijk gegeven van veel altruïsme. En dus moet de communistische staat deze hervormingen afdwingen. Dit afdwingen, goedschiks dan wel kwaadschiks, maakt het tot een revolutionair proces. Het verloopt snel, doortastend, en desnoods met behulp van dwang tegenover de burgerij en tegen andere groepen die zich verzetten tegen deze hervorming. Dit heette de ‘dictatuur van het proletariaat’: na de greep naar de macht moest het proletariaat z’n macht gebruiken om een totale hervorming van de samenleving uit te voeren. De oude samenleving wordt dus echt, en diepgaand, vernietigd, en de nieuwe socialistische samenleving ontstaat op de ruïnes van de vroegere samenleving.

Marx en Engels zagen communistische partijen – revolutionaire partijen dus – als de enige mogelijkheid om tot een echte hervorming te komen. Sociaal-democratische partijen bleven grotendeels partijen van de burgerij, dat wil zeggen partijen van de tegenstrever die zich weliswaar om het lot van de arbeiders bekommerden, maar die geen echte partijen van de arbeiders waren en dus nooit de nodige ingrijpende hervormingen zouden realiseren. Revolutie was de weg naar de hervorming voor Marx en Engels; de trage weg van de reformisten was gedoemd om te blijven steken in compromissen met de burgerij. Dit moet onderstreept worden. Er is namelijk een idee ontstaan waarin communisme werd gezien als een afwijking van het socialisme, als ‘extreem’ socialistisch, in contrast tot de ‘gematigde’ sociaal-democratie die daardoor overkwam als het ‘normale’ socialisme. Revolutie werd gezien als iets abnormaals, iets wat niet elke socialist moet nastreven. We moeten echter beseffen dat voor de grondleggers van het socialisme de revolutie de weg was naar hervormingen, en dat communistische partijen als de ware socialistische partijen werden gezien. Marx en Engels beseften dat de kapitalisten niet uit eigen wil zouden overgaan tot de diepgaande democratisering die het socialisme nastreeft. Revolutie was de enige weg naar democratie volgens hen – naar een heel andere vorm van democratie dan degene die wij gewoon zijn. Ze beseften dan ook dat die hervorming een echte breuk met het verleden zou moeten zijn, geen geleidelijk proces. Kapitalisme is een uiterst machtig systeem, terwijl socialisme de ideologie is van zij die geen macht hebben. Een socialistische hervorming is daarom iets wat noodzakelijk de macht moet aanvallen, en dat met macht zal geconfronteerd worden. Het is een echte strijd om de macht, niet om een beetje macht maar om de hele macht, en die strijd is revolutionair. We moeten dus beseffen dat revolutie een perfect normaal begrip is binnen het socialisme.

We moeten ook goed weten waar communisme voor staat. Ruim een eeuw propaganda van anti-communisten heeft gezorgd voor de verspreiding van de meest groteske misverstanden over communisme. Sommige daarvan worden al overlopen door Marx en Engels in het Communistisch Manifest, en ze zijn voortdurend herhaald – ze gaan van de goddeloosheid van het communisme over de suggestie dat in een communistische samenleving niemand enig bezit zou hebben, tot en met de suggestie dat zelfs vrouwen gedeeld bezit zouden zijn onder het communisme. Communisme is systematisch ook vereenzelvigd met dictatuur en verdrukking, met anti-democratie, en met de onderdrukking van het individu. In essentie gaat communisme echter over dit: de omverwerping van een kapitalistisch samenlevingsmodel en de vervanging ervan door een systeem waarin het grootkapitaal gemeenschappelijk bezit is, en dus door de staat wordt verdeeld over alle burgers. Die staat is radicaal democratisch, want ze vertegenwoordigt de belangen van iedereen, niet alleen de belangen van een kleine klasse van kapitalisten. Het is een democratie van de gewone man. De organisatie van die staat moet helemaal democratisch zijn, want er mogen op geen enkel moment specifieke belangen de voorrang genieten: het algemeen belang staat volkomen centraal. Individuele mensen genieten van individuele rechten. Ze kunnen zich via het democratische systeem volledig ontplooien en ontwikkelen, en iedereen heeft gelijke kansen. Iedereen heeft dus recht op het beste onderwijs, de beste gezondheidszorg, het beste pensioen, het beste loon naar werk – dingen die in een kapitalistische samenleving het voorrecht zijn van de rijken. Het individu heeft ook privé bezit in een communistische maatschappij – eigen geld, huis, auto, noem maar op – want niemand heeft het monopolie op zo’n bezittingen. Het is het grootkapitaal dat door de gemeenschap aangeslagen wordt, niet het bezit van de gewone mensen.

We zijn er aan gewoon geraakt elk systeem dat afwijkt van het onze te bestempelen als een ‘dictatuur’. Alleen onze kapitalistische staatsvorm wordt een ‘democratie’ genoemd. Zo’n redenering berust nergens op. Er is bijzonder veel aan te merken op het ‘democratische’ karakter van onze kapitalistische samenleving. Alleen het stemrecht is democratisch (iedereen mag of moet stemmen); de reële macht is echter absoluut niet democratisch verdeeld. Die reële macht ligt immers bij het grootkapitaal, en dat grootkapitaal laat zich niet democratisch beïnvloeden. Wanneer General Motors een fabriek wil sluiten zal ze daarover niet de mening van de bevolking vragen maar gewoon haar gang gaan. Ook een democratisch verkozen regering kan daar niets aan veranderen, want die regering heeft geen democratische inspraak in de wijze waarop een bedrijf zoals General Motors wordt geleid en beheerd. Hoe meer de overheid de economie privatiseert en dus zelf ophoudt ondernemer te zijn, hoe minder de democratie te zeggen heeft over de reële macht, en hoe minder ze dan ook kan doen voor het algemeen belang. De overheid heeft geen controle meer over de reële macht in de samenleving, en heeft dus eigenlijk nog nauwelijks iets waarmee ze het leven van haar bevolking kan verbeteren. Ze loopt gewoon de feiten achterna, moet constant onderhandelen met het grootkapitaal voor wat kruimels, en moet ook voortdurend de sociale gevolgen van de vrije markt-economie dragen: werkloosheid is er de belangrijkste van.

Onze democratie is dus alles behalve perfect, ze is zelfs heel zwak en heeft nog nauwelijks enige controle over de reële macht in de samenleving. Laat ons dus ook maar niet te snel en niet te dikwijls zeggen dat wij in een democratie leven. We hebben een klein beetje democratie, maar we leven zeker niet in een volledig democratisch systeem. We moeten in onze eigen samenleving nog heel wat dingen democratiseren, en ons daarvoor inzetten. En laat ons dus ook niet te snel van andere systemen zeggen dat ze ‘ondemocratisch’ zijn. Zoals we hebben gezien is communisme nu net een radicale democratische visie op de samenleving, en een socialistische samenleving is een samenleving waarin de democratie alles te zeggen heeft, ook over de reële macht in de samenleving. Het feit dat communisme een vies woord is geworden is het gevolg van heel veel dingen. We noemen er twee. Eén: communisme is van bij de aanvang effectief op de bestaande macht gebotst, en die macht heeft er alles voor gedaan om communisme af te schilderen als des duivels. Communisme heeft te lijden gehad van het langst lopende cordon sanitaire uit de geschiedenis. Twee: er zijn communistische staten geweest – de Sovjet-Unie met name – die hebben gefaald, en waarin allerhande uitwassen ervoor zorgden dat het socialistische samenlevingsmodel zich nooit kon ontwikkelen. Men kan dan ook zeggen dat een echt socialistische samenleving nog nooit is uitgeprobeerd, of nooit de kans heeft gekregen zich te ontwikkelen.

Er zijn wel revoluties geweest, een hele hoop zelfs. De belangrijkste ervan was ongetwijfeld de Oktoberrevolutie van 1917, die het Russische Keizerrijk omvormde tot de Sovjet-Unie: de eerste communistische staat ter wereld. De geschiedenis van die revolutie is ingewikkeld en kan hier niet samengevat worden. Maar de uitkomst ervan is bekend: de communistische ‘Bolshevieken’ grepen de macht in 1917 onder leiding van Lenin. Lenin had jaren in ballingschap geleefd, en had zich in die tijd ontwikkeld tot de eerste echte communistische politicus – een man niet alleen van theorieën en ideeën, maar ook van actie en organisatie. Omwille van zijn vele geschriften over de organisatie van de communistische staat spreekt men van ‘Marxisme-Leninisme’ als de staatsleer van het communisme. Van zodra de Bolshevieken de macht hadden gegrepen gingen ze dan ook meteen over tot een volledige (revolutionaire) hervorming van de samenleving. Het grootkapitaal werd in handen van de staat genomen, ‘sovjets’ (vergaderingen) van arbeiders en boeren kregen inspraak in de politieke besluitvorming, en het despotisme van de Tsaar werd vervangen door een democratisch systeem. Dit alles gebeurde tijdens de eerste wereldoorlog – in 1917-1918 – en één van de eerste dingen die Lenin deed was de Sovjet-Unie terugtrekken uit de oorlog. Na de wapenstilstand van 1918 begon er echter een burgeroorlog, waarin de Bolshevieken zich moesten verdedigen tegen troepen van anti-communistische krachten in Rusland (de oude adel van de Tsaar, de bourgeoisie), stevig gesteund door Groot-Brittanië en de Verenigde Staten die geen van beide gecharmeerd waren door een communistische staat in Europa. De Bolshevieken wonnen de burgeroorlog, maar dit ging ten koste van veel bloedvergieten, en de beginnende revolutie had economisch zowel als politiek en sociaal te lijden onder de druk van de oorlogssituatie. Er ontstond geen echte democratie, en ook de economie kwam maar niet van de grond. Niettemin verkregen de communisten de macht over het gehele, enorm uitgestrekte, cultureel zeer diverse en economisch rijke maar grotendeels onderontwikkelde rijk. Er werd een democratisch onderwijssysteem ontwikkeld en er werd een begin gemaakt met de ontwikkeling van een industrie en een landbouw die de eigen bevolking in zijn behoeften kon voorzien. Na de dood van Lenin greep Stalin de macht in de Sovjet-Unie, en onder zijn bewind installeerde zich een communisme dat weinig ruimte liet voor dissidentie. Er werden grote zuiveringen doorgevoerd, waarbij communisten wiens visie afweek van die van Stalin werden gebrandmerkt als ‘klasse-vijanden’ of ‘burgerlijke anti-revolutionairen’; velen werden terechtgesteld, terwijl anderen werden verbannen. Tot die laatste groep behoorde Trotsky, één van de voormannen van de Oktoberrevolutie en lange tijd de gedoodverfde opvolger van Lenin. Trotsky werd uiteindelijk op bevel van Stalin vermoord. De ‘dictatuur van het proletariaat’ werd door Stalin begrepen als de dictatuur van het partij-apparaat van de Bolshevieken. Daar heeft het communisme zeker een belangrijk deel van zijn kwalijke reputatie aan te danken gehad.

De jonge Sovjet-Unie ontpopte zich prompt tot de supporter van elke revolutionaire beweging in de wereld. Communistische partijen in Europa en Amerika werden gesteund (en later ook deels gestuurd of geleid) door Moskou, en de beginnende onafhankelijkheidsbewegingen in de derde wereld konden eveneens rekenen op de steun van Lenin en de zijnen. Daardoor lag de Sovjet-Unie natuurlijk niet in het hoogste laatje bij de Westerse mogendheden, die in het communistisme een gevaar zagen voor hun eigen binnenlandse veiligheid – de arbeiders waren sterk aangetrokken tot het communisme en konden wel eens een revolutie in Duitsland, Frankrijk of Groot-Brittanië beginnen – en voor de stabiliteit van hun kolonies, waar jonge intellectuelen zich meer en meer tot het communisme bekeerden. De kolonies waren erg belangrijk. Ze voorzagen in goedkope grondstoffen voor de industrie (bijvoorbeeld rubber of ertsen), in goedkope arbeidskrachten en in afzetmarkten voor producten uit het moederland. Die houding van de grote mogendheden veranderde enigszins in de tweede wereldoorlog. Toen Hitler in 1941 de Sovjet-Unie aanviel betekende dit plots dat de Sovjet-Unie zich in het kamp bevond van de Westerse geallieerden. Er kwam hulp vanuit de Verenigde Staten, en hoewel men daar niet te veel moest weten van Stalin was er flink wat steun voor de Sovjet-Unie. Het communisme had reeds tevoren veel aan populariteit gewonnen. In vele landen werd het gezien als het enige alternatief voor een systeem dat, ook in Westerse landen, een grote armoede veroorzaakte voor de meerderheid van de bevolking. En toen in 1936 de Spaanse Burgeroorlog uitbrak – een oorlog van rechtse militairen onder leiding van generaal Franco tegen een door communisten gedomineerde regering in Spanje – kwamen duizenden mannen vanuit de hele wereld in de zogenaamde ‘Internationale Brigades’ vechten aan de zijde van de Spaanse communisten. Tijdens de tweede wereldoorlog waren de communisten ook bijzonder actief in het verzet tegen de Nazi’s. Hun onverzoenlijk antifascisme, hun moed en onverzettelijkheid bezorgden deze communistische ‘partizanen’ een enorm prestige, en dit vertaalde zich na de oorlog in verkiezingsoverwinningen voor de communisten in een aantal landen, waaronder België.

De periode na de tweede wereldoorlog was wereldwijd de tijd van communistische revoluties. Men moet beseffen dat na de tweede wereldoorlog het Sovjet-systeem door velen werd gezien als een waardig alternatief voor kapitalisme. De Sovjet-Unie was uit de oorlog gekomen als een militaire en economische grootmacht, de bevolking had het relatief goed, en met de lancering van de eerste satelliet, de Sputnik, in 1957 toonde de Sovjet-Unie dat het ook inzake wetenschap en technologie de evenknie van het Westen was. Het communistische blok was bovendien enorm uitgebreid in de nasleep van de oorlog: in landen als Polen, Hongarije, Tsjecho-Slovakije, Bulgarije, Roemenië, Oost-Duitsland en Joegoslavië (alsook in Noord-Korea) waren pro-Sovjet regeringen geïnstalleerd. Toen de westerse mogendheden in 1949 het militaire bondgenootschap NATO oprichtten (met hoofdkwartier in Brussel), deden de Moskou-gezinde landen hetzelfde door middel van het ‘Warschau Pact’. Zo ontstonden twee militaire blokken, klaar om tegen mekaar ingezet te worden in een derde wereldoorlog. De periode tussen de tweede wereldoorlog en het eind van de jaren tachtig van de twintigste eeuw staat dan ook bekend als de ‘koude oorlog’: een periode waarin de twee grote militaire blokken elkaar bedreigden en met elkaar een wapenwedloop voerden. Communisme was een echte wereldmacht, en werd in het Westen als een echte vijand gezien. Communistische partijen in het Westen kregen het dan ook moeilijk. In de Verenigde Staten werden communisten effectief vervolgd. Ook daar trad er in de jaren vijftig een echte grote zuivering op, geleid door de aartsconservatieve senator Joseph McCarthy en met de latere presidenten Nixon en Reagan als belangrijke supporters. Communist zijn werd er als ‘on-Amerikaans’ bestempeld (en men droeg heel erg snel het etiket van ‘communist’ in die dagen, het volstond van lichtjes links te zijn).

Maar laat ons terugkeren naar de revoluties. Het begon in 1949 met China, waar de Chinese communisten onder leiding van Mao Zedong, na een lange oorlog, het rechtse bewind van Chang Kai-Chek verdreven en zichzelf aan de macht vochten. Het voormalige keizerrijk werd zo de Volksrepubliek China, en het is op dit ogenblik de langst bestaande communistische staat ter wereld. Net als de Sovjet-Unie was China immens uitgestrekt en economisch grotendeels onderontwikkeld. Er heerste grote armoede onder de bevolking, en het land had verschikkelijk geleden onder de Japanse bezetting tijdens de tweede wereldoorlog. Mao en de zijnen slaagden er zoals Lenin in om dit enorme land onder controle te brengen door middel van een ontzettend sterke organisatie (vandaar dat men ook over ‘Maoisme’ spreekt om dit systeem aan te duiden). Ongeletterdheid werd geleidelijk weggewerkt door een nieuw onderwijssysteem, en ook de gezondheidszorg werd fel verbeterd (de kindersterfte in China hoort bij de laagste ter wereld en ligt stukken lager dan in de Verenigde Staten bijvoorbeeld). De economische hervormingen verliepen echter uiterst traag en met heel veel horten en stoten. En net als in de Sovjet-Unie werd de beginperiode van de revolutie, met het optimisme en de grote vernieuwingen, gevolgd door een periode van verstarring en radicalisering tijdens de ‘culturele revolutie’ van de jaren zestig, met ook daar grote zuiveringen die vele levens kostten. Bovendien verzuurden de relaties tussen Beijing en Moskou snel, en ging China zijn eigen communistische koers varen.

China gaf, net als de Sovjet-Unie, steun aan allerhande revolutionaire bewegingen in de derde wereld. Een eerste grote succes werd geboekt in Vietnam, dat een Franse kolonie was. De communistische leider Ho Chi Minh had daar al in 1945, na afloop van de oorlog, de onafhankelijkheid van Frankrijk uitgeroepen. De Fransen reageerden echter snel, en er ontbrandde een hevige oorlog die pas eindigde in 1954, toen de Fransen definitief verslagen werden bij Dien Bien Phu. De Vietnamezen (nu met Chinese steun) moesten het vanaf dat moment echter opnemen tegen de Amerikanen, die vreesden dat een communistisch Vietnam een slecht voorbeeld zou zijn voor de omliggende landen. De oorlog tegen de Amerikanen duurde tot 1974, wanneer de Amerikanen verdreven werden en heel Vietnam onder communistisch bewind kwam. Vietnam luidde het einde in van het Franse koloniale rijk. Het Vietnamese voorbeeld werd immers snel gevolgd in Algerije (eveneens onder leiding van een linkse rebellenbeweging) en in andere landen, en ook de Britten kregen in hun kolonies af te rekenen met door communisme geïnspireerde onafhankelijkheidsbewegingen. Het meest tot de verbeelding sprekende voorbeeld van revolutie kwam echter niet uit de hoek van de kolonies: het kwam uit Cuba.

Cuba was in de twintigste eeuw stilaan het ‘bordeel van Amerika’ geworden. Het paradijselijke eiland in de Caraïben, vlakbij de kust van de VS, was een geliefd en mondain vakantie- en ontspanningsoord voor rijke Amerikanen. De politieke leiders van het land regeerden bij de gratie van de Verenigde Staten, die Cuba zowat als een kolonie zagen. Er heerste corruptie, de Amerikaanse maffia had er grote belangen, en de plaatselijke bevolking leefde in armoede en onderontwikkeling. In de tweede helft van de jaren vijftig ontstond er een rebellenbeweging tegen het bewind van de door Amerika gesteunde dictator Batista. De rebellie werd geleid door de jonge Fidel Castro, met aan zijn zijde zijn broer Raul Castro, Camilo Cienfuegos en de legendarische Che Guevara. Hoewel de rebellie sociale gelijkheid nastreefde en een rechtvaardiger bestuur eiste (en dus zeker links was) was ze aanvankelijk niet communistisch. Ze voerde een actieve guerilla-oorlog tegen het slecht georganiseerde en slecht gemotiveerde leger van Batista, die zelf na een reeks nederlangen op 1 januari 1959 het land ontvluchtte. Castro, Che en hun troepen trokken zegevierend Havana binnen en installeerden een nieuwe revolutionaire regering. Aanvankelijk zochten ze de steun van de Verenigde Staten, maar toen die niet kwam wendden de Cubanen zich tot de Sovjet-Unie, die maar wat graag steun verleenden aan dit land vlakbij de aartsvijand, de Verenigde Staten. Cuba adopteerde het socialisme als staatsideologie en werd meteen getrakteerd op een economische boycot vanwege de Amerikanen, die tot vandaag voortduurt. Ondanks die verstikkende economische sancties overleeft het revolutionaire bewind er echter al vijftig jaar. Er werd een democratisch onderwijssysteem uitgebouwd, en ook Cuba heeft een betere gezondheidszorg dan de Verenigde Staten. Che Guevara werd na zijn dood in alweer een andere rebellie een wereldwijd icoon.

Er waren talloze communistische rebellieën tijdens de koude oorlog, in Latijns-Amerika, Azië zowel als in Afrika. Sommige ervan leidden tot een echte revolutie – in Ethiopië bijvoorbeeld werd het eeuwenoude keizerrijk van de Negus omvergeworpen door de communistische rebellie van Mengistu, en in Mozambique en Angola wonnen communistische bewegingen uiteindelijk de onafhankelijkheidsstrijd. In andere gevallen sloten de communisten een pact met andere partijen en konden ze zo deelnemen aan een nieuwe regering – zo kwam de Zuid-Afrikaanse communistische partij van Joe Slovo samen met het ANC van Nelson Mandela aan de macht in de vroege jaren negentig. In de meeste plaatsen echter botsten de communisten op het hardnekkige verzet van de lokale heersers, die vaak met Amerikaanse steun genadeloos te keer gingen tegen alles wat naar communisme rook. In landen zoals Argentinië en Chili, bijvoorbeeld, kwamen sinistere militaire dictators aan de macht – Videla en Pinochet – die in naam van de Vrijheid een brutale repressie organiseerden tegen alles wat enigszins links en kritisch was, die vele levens kostte. Hetzelfde gebeurde in landen zoals Congo, dat onder Mobutu (flink gesteund door de VS en België) één van de meest verwerpelijke dictaturen in de wereld kreeg. De ‘koude oorlog’ was misschien ‘koud’ in Europa, maar heel erg warm in vele andere plaatsen.

Toen de Sovjet-Unie in 1991 ineenstortte veranderde de hele wereld, en één van de effecten was dat wereldwijd de revolutionaire bewegingen in de moeilijkheden kwamen. Ze konden niet meer rekenen op de steun van hun voormalige sponsor, de Sovjet-Unie. Er was bovendien nog maar één supermacht meer over, de Verenigde Staten, en die bleef even onverzoenlijk anti-communistisch na als tijdens de koude oorlog. En tenslotte sloop er ook twijfel in de hoofden van de revolutionairen zelf, gestimuleerd door de overwinningskreten vanuit het andere kamp. Overal ter wereld zag men hoe de afbouw van de Sovjet-Unie het geloof in een revolutionair alternatief aantastte, en vele revolutionairen stapten over naar meer gematigde bewegingen of hielden er gewoonweg mee op. Hoewel er in landen zoals Nepal nog communistische bewegingen aan de macht kwamen (en de communisten ook in Zuid-Afrika mee aan de macht kwamen) was tegen het einde van het millenium de tijd van de volksrepublieken duidelijk ten einde.

Tijd voor een evaluatie dus. De grote historicus Eric Hobsbawm ziet het bestaan van de Sovjet-Unie als het belangrijkste feit van de twintigste eeuw. De reden hiervoor is dat, voor hem, de opkomst van de Sovjet-Unie voor het eerst aantoonde dat er een reëel alternatief was voor het kapitalisme waarin de wereld al enkele eeuwen leefde, en dat zoveel kwaads in de wereld had veroorzaakt: oorlogen, kolonisatie, uitbuiting, ongelijkheid. Het bestaan van een staat – een grote en belangrijke staat – waarin een heel ander systeem heerste was voor Hobsbawm een teken van hoop. Het feit dat een revolutie zo’n alternatief systeem kon tot stand brengen was iets wat gedurende de hele twintigste eeuw mensen motiveerde om te vechten voor een betere wereld. Die betere wereld was immers geen vage utopie of illusie, het was iets reëels en haalbaars. Indien men zich voldoende inspande, er de discipline en de overtuiging in hield, zou het kunnen gebeuren. Wanneer een dergelijke hoop er niet meer is, is er voor mensen enkel nog berusting in hun situatie.

Het motto van de rechtse Britse premier Margaret Thatcher was “there is no alternative!” – er is geen alternatief voor kapitalisme. Dit zogeheten T.I.N.A. argument is één van de meest nefaste die men zich kan indenken. Het betekent dat men moet stoppen met denken, dat de wereld is wat ze is, dat  kritiek, ontevredenheid en protest geen enkele uitkomst hebben – dat men zich maar moet neerleggen, voor eeuwig en drie dagen, bij het systeem zoals het nu is, en dat men er dan maar het beste van moet zien te maken. Dat is misschien niet zo’n groot probleem voor mensen die alle voordeel hebben bij het kapitalisme. Ons deel van de wereld is het meest welvarende en het meest verwende, dus we hebben niet altijd heel veel last van het kapitalisme (tenzij we over de teloorgang van het milieu beginnen nadenken natuurlijk). Maar elders in de wereld zijn miljoenen mensen het slachtoffer van kapitalisme, en zelfs in onze eigen samenleving zijn er vele duizenden die in die positie zitten. Voor die mensen is het essentieel dat ze hoop op een betere toekomst kunnen hebben, en dat die hoop een realistisch perspectief is. Het is van het grootste belang dat die mensen – en wij, verwenden, ook – kunnen blijven nadenken over alternatieven, ervoor kunnen blijven ijveren en ervoor kunnen blijven vechten. Een alternatief kennen is de eerste stap om er naar toe te bewegen. Dat hebben de revolutionaire bewegingen van de twintigste eeuw ons geleerd, en het is een belangrijke les.

… Of evolutie?

Zoals we al zagen was er naast de revolutionaire bewegingen ook een meer gematigde socialistische stroming. We noemden die ‘reformistisch’ en ‘sociaal-democratisch’ en we zegden dat ze een tragere en veel minder radicale reeks hervormingen wou realiseren om zo het kapitalistische systeem van binnenuit te veranderen. Ze aanvaardden de structuren van de burgerlijke democratie en de kapitalistische staat, en zochten naar een deelname aan de macht, niet een onmiddellijke en radicale overname van de macht. Het gaat hier om de socialistische partijen die we kennen van bij ons: de Vlaamse SP.A, de Nederlandse PvdA, de Britse New Labour Party enzovoort. We hebben van deze partijen ook al een stukje geschiedenis gezien: ze ontstonden samen met de rest van de arbeidersbeweging als de partij die de arbeiders probeerde samen te brengen, om ze te laten vertegenwoordigen in de nationale parlementen. De redenering hierachter was dat de rechten van de arbeiders niet enkel via stakingen en dergelijke zouden afgedwongen worden, maar dat ze uiteindelijk ook door middel van wetten moesten worden vastgelegd. De invoering van het algemeen stemrecht (in België in 1918) gaf de arbeiderspartij een geweldige duw in de rug, en de partij werd plots, en tot vandaag, één van de drie grote politieke formaties in het land (samen met de Liberalen en de Christen-Democraten). De socialisten zaten van na de eerste wereldoorlog zeer vaak in regeringen. Ze hebben dan ook heel veel gerealiseerd: de acht-urige werkdag, het algemeen stemrecht, betaald verlof, de welvaartstaat met gratis onderwijs, de ziekteverzekering, het pensioenstelsel enzovoort.

De gematigde arbeiderspartijen kwamen net zoals de communistische partijen voort uit de vroege arbeidersbewegingen, en ze baseerden zich allebei op de werken van Marx en Engels. De gematigde arbeiderspartijen stelden net zoals de revolutionaire partijen dat ze de afbouw van het kapitalistische systeem nastreefden, en dat ze het grootkapitaal wilden nationaliseren en over de bevolking verdelen. De teksten van de vroege gematigde arbeiderspartijen zijn dan ook, gemeten aan de criteria van vandaag, behoorlijk radicaal en Marxistisch. Het zogenaamde ‘Charter van Quaregnon’ van 1894, dat de basistekst van de Belgische Werkliedenpartij werd, stelt bijvoorbeeld dat het kapitalisme moet afgeschaft worden en vervangen door een collectivistisch systeem (waarin grootkapitaal het bezit is van iedereen), dat de staat het beheer van de economie op zich moet nemen, enzovoort – een robuust linkse tekst, die gedurende meer dan tachtig jaar ongewijzigd bleef als de basistekst van de Belgische socialistische partij.

Maar, zoals gezegd, de gematigde socialistische partijen kozen voor een trage, ‘reformistische’ weg. Ze kozen voor wat men ‘parlementair socialisme’ noemt, een socialisme dat de gewone politieke weg volgt om z’n doel te bereiken en zich dus neerlegt bij de macht van de bestaande structuren. Het neemt deel aan verkiezingen, probeert zoveel mogelijk verkozenen in de parlementen te krijgen, probeert in regeringen te raken en zo wetten te ontwerpen die de belangen van de arbeiders dienen. Oorspronkelijk werd dit gezien als de beste en de meest belangrijke activiteit van de arbeidersbeweging, want het was via die weg – die van wetten – dat de belangen van de arbeiders voor eens en altijd zouden vastgelegd worden. Maar de idee van Marx en Engels dat een volledig democratische samenleving er enkel kon komen door een plotse revolutie werd er natuurlijk mee opgegeven. Meer nog, de gematigde socialistische partijen hebben zich heel vaak opgesteld tegen revolutie, en ze stonden vaak in concurrentie met communistische partijen. Gematigde socialisten en communisten gunden elkaar lange tijd het licht niet in de ogen, ook al streefden ze ten gronde het zelfde doel na. Communisten werden uit gematigde socialistische partijen verbannen, en de communisten hadden zeer veel kritiek op de gematigde socialisten (die door Moskou zelfs ‘sociaal-fascisten’ genoemd werden). Die kritiek was deels terecht, en we komen er nog op terug. Deels was ze echter onfair, want daar waar communistische partijen aan de macht waren maakten ze er zelf vaak een potje van.

Laat ons eerst even kijken naar de manier waarop de gematigde, ‘reformistische’ partijen hun werk deden. We kunnen grofweg drie fasen onderscheiden: fase één van bij de aanvang tot de tweede wereldoorlog, fase twee van de tweede wereldoorlog tot de jaren zeventig-tachtig, en fase drie vanaf de jaren zeventig- tachtig tot nu. In elk van die drie fasen zien we dat de socialistische partijen in Europa en ook in België anders te werk gaan. Ik zal me bij m’n overzicht grotendeels beperken tot de Belgische situatie.

We beginnen bij de eerste fase. Dit is voornamelijk een fase van de grote doorbraak. Zoals we al weten kwamen de socialistische partijen voort uit de arbeidersbeweging van de 19de eeuw. Aanvankelijk werden ze door de heersende politieke partijen bestreden. Hierin kwam verandering toen het algemeen stemrecht werd ingevoerd (1918 in België), want plots mocht de grote massa van arbeiders stemmen, en hun stemmen gingen natuurlijk naar links. Vanaf de jaren twintig van de twintigste eeuw werden socialistische partijen overal in Europa grote en succesvolle partijen, die dan ook vrij snel aan regeringen mochten deelnemen. In België nam de Belgische Werkliedenpartij voor het eerst deel aan een regering vlak na de eerste wereldoorlog. En meteen scoorden ze: de achturige werkdag werd ingevoerd, er werd een soort van werkloosheidsuitkering ingevoerd, en het stakingsrecht werd veralgemeend (vanaf nu mochten arbeiders wettelijk in staking gaan, staking was niet langer een misdrijf). Die maatregelen waren een grondige verbetering voor de arbeiders, en de aanhang van de Belgische Werkliedenpartij groeide dan nog. De partij zetelde tot aan de tweede wereldoorlog in vrijwel alle regeringen en behaalde zeer hoge scores bij verkiezingen. (Dit gold niet enkel voor België: ook in Frankrijk, Nederland en Groot-Brittanië, bijvoorbeeld, zagen we de grote doorbraak van socialistische partijen). Ze had zelfs een zeer belangrijk Belgisch politicus in haar rangen: Hendrik De Man. De Man was in de crisisjaren rond 1930 de minister die België uit het slop moest halen. Hij deed dat door de zogenaamde ‘planeconomie’ in te voeren, een systeem dat zich inspireerde aan het Sovjet-systeem, waarbij voor elke industriesector door de staat bepaalde doelen werden vastgelegd en gepland. De Man was een figuur met internationaal aanzien in de socialistische beweging. Hij ontwikkelde ook een heel nieuwe versie van het socialisme, dat belangrijke delen van de leer van Marx en Engels afwees en verving door een ‘softer’ socialisme, en dit model heeft veel invloed gehad. Hij raakte echter ook beïnvloed door het ‘nationaal-socialisme’ van Hitler, en schaarde zich achter de ‘nieuwe orde’ die Hitler voor Europa voorzag. Hij werd een collaborateur met de Nazi’s en ontbond de Belgische Werkliedenpartij bij het uitbreken van de oorlog. De socialisten gingen ondergronds en richtten in volle oorlogstijd een nieuwe Belgische Socialistische Partij op. Daarmee begint de tweede fase.

Die tweede fase is de fase waarin de welvaartstaat wordt uitgebouwd. De socialistische partij was tijdens de oorlogsjaren een stuk radicaler geworden, en het duurde even vooraleer de gematigden weer de overhand kregen. De communisten behaalden immers een klinkende verkiezingsoverwinning vlak na de oorlog, en zoals we al zagen was communisme met veel prestige uit de oorlog gekomen. De Belgische Socialistische partij wilde zich duidelijk onderscheiden van de communisten, en dus kwam er een zeer gematigde vleugel aan de macht, die ook aan de regering deelnam. Meer nog, de socialisten leverden voor het eerst een eerste minister: Achille Van Acker. Onder Van Acker kroop België langzaam uit het dal van de oorlog. De zware industrie werd sterk aangezwengeld – de koolmijnen en staalfabrieken in Wallonië draaiden op volle toeren, en dank zij die Waalse industrie werd België tegen de jaren vijftig een welvarend land dat steeds meer geïndustrialiseerd raakte. Het was op de rug van die welvaart dat men aan de zogenaamde ‘welvaartstaat’ of ‘verzorgingsstaat’ begon te bouwen. Dat was een staat die van wieg tot graf zorgt voor haar burgers, en die door middel van allerlei nationale voorzieningen het leven van de burger makkelijk probeert te maken: geboortepremies, kindergeld, werkloosheidsuitkeringen, ziekteverzekering, wettelijk pensioen, ‘collectieve arbeidsovereenkomsten’ die ervoor zorgen dat alle werknemers van een bepaalde sector (bijvoorbeeld de automobielsector) dezelfde lonen krijgen, regelmatig loonsverhoging krijgen, een bepaald aantal verlofdagen hebben, betaalde ziektedagen kunnen krijgen en zo meer (kortom, datgene wat vandaag gekend is als de ‘sociale zekerheid’). Het land waarin we nu leven is een land waarin je gerust ziek mag worden. Medische verzorging kost weinig en is van hoge kwaliteit, zeker in vergelijking met bijvoorbeeld de Verenigde Staten waar dezelfde verzorging een fortuin zou kosten, of met Groot-Brittanië waar patiënten soms jaren moeten wachten op een operatie. Dat is de verwezenlijking van de vele regeringen waarin socialisten zaten, tussen het einde van de tweede wereldoorlog en de jaren zeventig. Deze periode is ook de periode van de grote overheidsbedrijven. De Post, de Belgische Spoorwegen, de Regie voor Telegraaf en Telefoon, de nationale luchtvaartmaatschappij Sabena, diverse grote banken en verzekeringsinstellingen waarvan de namen intussen allang vergeten zijn (Algemene Spaar- en Lijfrente Kas, Krediet aan de Nijverheid, Gemeentekrediet, OMOB, enzovoort). De overheid was een zeer belangrijke economische kracht in deze periode: ze bezat grote en zeer belangrijke bedrijven (ze was bijvoorbeeld de belangrijkste eigenaar van de steenkoolmijnen) en had echte controle op het economische leven in het land.

De socialisten hadden nog een andere blijvende invloed op ons land. Traditioneel waren de socialisten niet-katholiek, vaak zelfs stevig anti-katholiek (het omgekeerde was eveneens waar, katholieken waren doorgaans hevig anti-socialistisch; gelukkig behoort dit grotendeels tot het verleden). Tot de jaren vijftig was het onderwijs in België grotendeels in handen van het katholieke scholennet. Er waren wel gemeentescholen, maar zelfs daar hingen kruisbeelden aan de muur, werd er gebeden bij aanvang van de klas, en was de onderpastoor de echte baas. De socialisten bouwden in de jaren vijftig een geheel nieuw scholennet uit: de zogenaamde ‘staatsscholen’ (nu ‘gemeenschapsscholen’ genoemd). De katholieken, die zich bedreigd voelden, reageerden met heftige betogingen – de zogenaamde ‘schoolstrijd’ was uitgebroken. De schoolstrijd werd beëindigd met een ‘schoolpact’ waarin diverse netten werden voorzien – met op kop een katholiek net en een staatsnet (later gemeenschapsnet) – die allemaal zouden gesubisideerd worden door de staat, en waarin aan alle ouders de vrije keuze hadden om hun kinderen naar het ene dan wel het andere net te sturen. Als we vandaag de keuze hebben tussen een katholiek college en een atheneum dan is dat grotendeels te danken aan de socialisten. Het feit dat België daardoor meteen ook één van de beste (en, voor het kind, goedkoopste) onderwijssystemen ter wereld kreeg is eveneens aan hen te danken.

De socialisten leverden tot de jaren zeventig regelmatig de eerste minister van het land. Samen met de Christen-Democraten waren ze de groote politiek partij van het land. Ze kreeg geleidelijk echter te lijden van drie dingen. Ten eerste: van na de tweede wereldoorlog begon ze steeds verder af te staan van de meer radicale vakbonden, waarvan vele leden communistisch gezind waren. De partij verloor geleidelijk aan het contact met haar arbeidersbasis en werd meer en meer een partij van zogenaamde ‘salonsocialisten’. Twee, de partij kreeg zeker vanaf de jaren zestig te kampen met interne tegenstellingen tussen Vlamingen en Walen. Vanaf de jaren zestig kwam de talenkwestie immers steeds vaker opduiken in de Belgische politiek. Er ontstonden ‘taalpartijen’ zoals de Volksunie (later opgesplitst in de NV-A, het Vlaams Belang en de Vlaamse Progressieven) en het FDF (nu deel van het Franstalige Liberale MR), en die oefenden druk uit op de grote nationale partijen, incluis de socialisten. Geleidelijk aan ontstonden er in de Belgische Socialistische Partij dan ook tegenstellingen tussen de Vlamingen en de Walen. Drie: in het begin van de jaren zeventig kregen we de eerste ‘oliecrisis’. De prijs van de olie steeg plots tot (dan toch) duizelingwekkende hoogten, en de hele Westerse wereld belandde in een economische crisis. Het liedje was uit: daar waar de socialisten tot dan toe gebruik hadden kunnen maken van de stijgende welvaart om hun welvaartstaat uit te bouwen, was er nu plots geen geld meer en moest de overheid stevig gaan besparen. In de jaren zeventig en tachtig kwam er een enorme werkloosheid die (omwille van de ‘sociale zekerheid’) handenvol geld kostte aan de staat. De socialisten werden dan ook deel van regeringen die besparingsplannen moesten uitvoeren. Daarmee begint fase drie.

Laat ons even terugkijken. Fase één en twee waren fasen van grote verwezenlijkingen. In de eerste fase zagen we hoe de socialistische partijen een grote doorbraak realiseerden en in heel Europa één van de grote politiek ‘families’ werden. Ze realiseerden ook heel wat ten voordele van hun arbeiders-achterban. Fase twee was de fase van de grote uitbouw, waarbij (alweer over heel Europa) socialistische partijen ervoor zorgden dat in Europa de zogenaamde welvaartstaat werd gemaakt: een staat waarin het goed is om leven, waarin allerhande belangrijke dingen (onderwijs, gezondheidszorg) weinig geld kosten, waarin de staat economisch veel te zeggen heeft, en waarin de staat zeer veel geld uitgeeft om haar burgers gelukkig te houden. We zagen ook hoe, ondanks die zeer grote verwezenlijkingen, de gematigde socialistische partijen het contact met hun achterban verloren. Ze werden steeds minder echte arbeiderspartijen, steeds minder radicaal, en steeds meer partijen van de middenklasse die allerhande compromissen sloten om toch zoveel mogelijk te realiseren. De arbeiders waren daar niet altijd gelukkig over.

Vanaf fase drie zien we dat de socialistische partijen zich steeds verder van hun achterban gaan verwijderen. De jaren zeventig waren jaren van economische crisis, en die crisis duurde zowat tien jaar. Tijdens die crisis was het natuurlijk niet mogelijk om de welvaartstaat verder uit te breiden. Integendeel, er moest bespaard worden, en die besparingen raakten de welvaartstaat. Allerhande toelagen gingen naar beneden of werden afgeschaft, de belastingen werden verhoogd, enzovoort. Het beheer van de staat was duur, heel erg duur, omwille van de vele activiteiten van de staat. De staat had zijn overheidsbedrijven, die verlies maakten, en zijn sociale zekerheid die handenvol geld kostte. De staat stapelde dan ook de schulden op, en diverse regeringen zagen die schuldenlast enkel toenemen. Het antwoord hierop kwam uit het buitenland. De Amerikaanse president Reagan en de Britse premier Thatcher lanceerden tegen het einde van de jaren zeventig een nieuwe visie op het beheer van de staat – het zogenaamde ‘neoliberalisme’. In die visie moest de staat alle mogelijke economische activiteiten afstoten en in handen geven van de privé-kapitalisten. De staat moest ook ophouden het leven van haar burgers te begeleiden door middel van de welvaartstaat, en moest burgers zelf die dingen laten regelen. De staat moest zich toeleggen op een minimaal pakket aan activiteiten, en moest alles wat geld kost overlaten aan de privé-sector. Langs die weg zou de staat uit de economische crisis geraken. Dat daarmee ook de democratie haar greep op de economie verloor was jammer, maar onbelangrijk voor Reagan en Thatcher.

Neoliberalisme had zeer veel invloed, en over de hele wereld zagen we dat regeringen snel overschakelden op de visie van Reagan en Thatcher. Dit gebeurde ook in België, waar de staat vanaf de jaren tachtig stelselmatig overging tot het afstoten van dure activiteiten. Die visie was natuurlijk precies het omgekeerde van een socialistische visie. In een socialistische visie moet de staat een heel breed pakket aan taken vervullen, ook economische. In de neoliberale visie is de staat economisch niet actief, en houdt ze zich hoofdzakelijk bezig met het scheppen van goede omstandigheden voor privé-bedrijven. België koos ook voor deze laatste weg, en merkwaardig genoeg deden de socialisten daar aan mee. Socialistische ministers privatiseerden de overheidsbedrijven en bouwden delen van de welvaartstaat af, die ze zelf hadden opgebouwd. Ze voerden zeker vanaf de jaren negentig een anti-socialistisch beleid. Grote delen van de economie werden trouwens ook gesloopt. De steenkoolmijnen (ooit het paradepaard van de socialistische ministers) gingen dicht, en de staalnijverheid in Wallonië werd eveneens afgebouwd.

Vanaf de jaren zeventig was er ook een voortdurende toename van de Vlaams-Waalse tegenstellingen. Dit was een gevolg van de geleidelijke verarming van Wallonië, waar na de economische bloei van vlak na de oorlog een periode van verval was ingetreden, net terwijl de economie in Vlaanderen een hoge vlucht nam.Vlaamse socialisten gingen steeds meer de kaart van de Vlaamse autonomie trekken, en hetzelfde gebeurde aan Waalse zijde. Dat leidde in 1979 tot de splitsing van de Belgische Socialistische Partij in een Vlaamse en een Franstalige partij, die vanaf dat moment elk hun eigen koers gingen varen. Er ontstond zo een tweede grote afwijking van de socialistische principes. Die principes stelden dat de belangen van de arbeiders steeds dezelfde waren, over alle grenzen heen, omdat het grootkapitaal zich ook niet door grenzen liet beperken. Vanaf 1979 kregen we echter twee socialistische partijen in België die het vaak niet met mekaar eens waren. Er bleken nu ineens andere belangen te bestaan voor de Vlaamse arbeiders dan voor de Waalse. Vooral de Vlaamse socialisten gingen resoluut de toer op van het neoliberalisme, en verloren zo steeds meer het contact met hun achterban. Die achterban – de arbeiders – begon trouwens vanaf de jaren tachtig in Vlaanderen te stemmen voor een nieuwe partij, het Vlaams Blok (nu Vlaams Belang). Hoewel dit een extreem-rechtse partij was bleek ze de taal van de gewone man te spreken. Ze vertolkte ook het ongenoegen van de gewone man tegenover de politieke wereld, die steeds minder voor die gewone man leek te doen. Geleidelijk aan zagen we dan ook dat het Vlaams Blok groter werd, terwijl de socialisten steeds kleiner werden. Op dit ogenblik zijn de Vlaamse socialisten ongeveer even groot als het Vlaams Belang, en veel kleiner dan de Franstalige socialisten.

De Vlaamse socialisten reageerden op deze achteruitgang door alles in te zetten op twee paarden. Het eerste paard was: steeds minder socialistisch worden. Vanaf de jaren negentig zagen we hoe de socialisten zichzelf steeds minder graag socialisten noemen, maar liever namen gebruiken zoals ‘progressief’. Ze zijn nog altijd progressief, maar niet meer socialistisch. En waar dat woord ‘progressief’ dan voor staat is niet altijd even duidelijk. Socialistische ministers waren verantwoordelijk voor een zeer streng (zeg maar: onmenselijk) migratiebeleid, waarbij haast niemand ons land nog legaal binnen kan raken en waarbij de rechten van asielzoekers voortdurend geschonden worden. Ze waren ook mee verantwoordelijk voor een strenger veiligheidsbeleid, met meer en sterkere politiediensten, strengere bestraffingen en zo meer. Ze waren mee verantwoordelijk voor de privatisering van belangrijke overheidsbedrijven, en ze trekken nu mee de kar voor meer Vlaamse autonomie. Hoe ‘progressief’ dit allemaal is, is niet echt helder, dat dit niets meer te maken heeft met socialisme is daarentegen wel heel duidelijk.

Het tweede paard waarop werd ingezet was reclame. Zeker vanaf de start van het nieuwe millenium voerden de Vlaamse socialisten hun politiek in de media. Niet meer, zoals vroeger het geval was, via ledenvergaderingen waarin de politiek besproken werd. De socialisten gaven eigenlijk hun leden op, en wendden zich resoluut tot het grote publiek via de media. Vooraanstaande socialisten namen deel aan spelletjesprogramma’s, talkshows en reality-programma’s op TV, praatten honderduit over hun privéleven en hun diepste zieleroerselen in kranten en magazines, en probeerden vooral heel populair te zijn. Met Steve Stevaert, Freya Vandenbossche en Patrick Janssens hadden ze mensen die hierin zeer goed waren, en deze aanpak leverde hen dan ook kortstondig succes op. Kortstondig zeg ik, want na een zekere tijd is het publiek uitgekeken op die figuren: alles is al getoond en verteld, en men wil iets nieuws. Dit gebeurde vrij snel, en de socialisten zonken snel terug naar een historisch dieptepunt bij de verkiezingen. Door die aanpak via de media, waarin men persoonlijke populariteit nastreeft, gaf men bovendien ook alle mogelijke principes op. Over socialisme werd nauwelijks nog gepraat, want in de media toont men mensen, geen ideeën. En zo zagen we hoe de socialisten steeds minder socialistisch werden, en eigenlijk samen met andere partijen in Vlaanderen ‘populistisch’ werden: ze streefden alleen nog populariteit na, geen politieke veranderingen.

Deze evolutie stond niet op zichzelf, en het waren heus niet enkel de socialisten die deze weg opgingen. Zowat alle partijen kozen in dezelfde periode voor de media als voornaamste politieke doorgeefluik, en populisme werd de dominante manier van aan politiek doen. Liberalen, Christen-Democraten en extreem-rechts deden allemaal mee. Het was ook geen typisch Belgische evolutie. Ook in het buitenland zag men precies dezelfde dingen. De Britse New Labour partij, bijvoorbeeld, deed ook vlijtig mee aan populisme, en ook daar zag men dat er van socialisme nauwelijks nog iets overbleef in hun beleid. Alles draaide rond de persoonlijke populariteit van de leidersfiguren zoals Tony Blair, en van socialistische inhoud was geen sprake meer. De gematigde socialistische partijen in heel Europa verloren hun socialistische inhoud, zegden eigenlijk het zelfde als alle andere partijen, en gebruikten dezelfde methoden om politiek succes te behalen. Politiek succes werd ook vernauwd tot het winnen van verkiezingen, wat ze deden met allerhande korte-termijn projectjes eerder dan met een grote visie. Succes stond met andere woorden niet langer voor een doorbraak qua ideeën en idealen. Mensen moesten niet meer overtuigd zijn van het socialisme, zolang ze voor populaire socialisten stemden was het voldoende en goed. Dat die verkozen socialisten daarna een heel on-socialistisch beleid uitvoerden, daar lagen de socialisten blijkbaar niet wakker van. Tony Blair kon in Groot-Brittanië een neoliberaal beleid uitvoeren, de sociale zekerheid verder uithollen en bovendien mee doen met de oorlog van George Bush in Irak – toch noemde hij zichzelf nog altijd ‘progressief’. Het nieuwe millenium was dan ook een tijd waarin heel wat socialistisch denkende mensen zeer ontgoocheld waren in de socialistische partijen. Ze waren populistische machtspartijen geworden, wiens beleid doorgaans neoliberaal was en allerhande rechtse standpunten in wetten omzette.

Laat ons de zaak nu even samenvatten. We zagen hoe de gematigde socialistische partijen doorheen drie fasen gingen. In de eerste fase braken ze door als belangrijke politieke kracht. Ze wonnen verkiezingen, en ze deden dit met een behoorlijk radicaal programma van socialistische hervormingen. Ondanks dat waren ze niet geneigd tot revolutie, maar geloofden ze dat die socialistische hervormingen er via het parlement moesten komen. In de tweede fase zagen we hoe deze partijen deel werden van de ‘gewone’ politiek, in vele regeringen zetelden, en mee verantwoordelijk waren voor de uitbouw van een welvaartstaat met heel wat socialistische accenten. In deze tweede fase waren de partijen al een stuk minder radicaal, en begon de band met hun achterban al wat losser te worden. In de derde fase werden de gematigde socialistische partijen geleidelijk aan minder en minder socialistisch, en gewoon partijen naast de andere partijen. Ze werden deel van vele regeringen, en waren zo mee verantwoordelijk voor een neoliberaal beleid en voor de afbouw van de welvaartstaat waarvoor ze in de tweede fase zo hadden gestreden. In die derde fase houden ze eigenlijk op te bestaan als socialistische partijen. Ze worden gewone ‘centrumpartijen’, partijen die noch links noch rechts zijn en zich richten op de middenklasse (waartoe inmiddels ook heel wat arbeiders behoren), niet meer op de stemmen van de zwaksten in de samenleving.

We zien hoe de gematigde socialistische partijen doorheen deze geschiedenis (die zowat een eeuw duurt) vertrekken van een radicaal socialistisch programma, waaruit enkel de idee van revolutie weggelaten is. Ze evolueren geleidelijk verder en verder weg van dat radicale socialisme, en ook van hun achterban, tot op een punt waarop ze nauwelijks nog iets met socialisme te maken hebben. Ze noemen zich nu ‘progressief’ eerder dan socialistisch, en hun standpunten zijn nog nauwelijks te onderscheiden van die van andere partijen. In Vlaanderen hoort men Liberalen en Christen-Democraten vaak het zelfde zeggen als socialisten. Niettemin is de balans in de eerste twee fasen van hun bestaan grotendeels positief. De socialistische partijen hebben bijzonder veel goeds gedaan in onze samenleving. Ze hebben die mee uitgebouwd tot een welvarende regio met allerhande voorzieningen voor de mensen, die het leven goed maken. In de derde fase zien we echter hoe al die verwezenlijkingen gewoon te grabbel worden gegooid, en hoe socialisten datgene mee afbouwen dat ze zelf met veel moeite hebben opgebouwd. In de derde fase is de evaluatie dus ronduit negatief. En de situatie waarin we nu zitten is er één waarin het gematigde socialisme in feite niets meer te maken heeft met socialisme als ideologie. Socialisten hebben geen kritiek meer op het kapitalistische systeem, en Marx wordt er niet meer gelezen. Integendeel, ze spannen zich samen met de andere partijen hard in om dit kapitalisme overeind te houden. Ze zijn van hervormers van het kapitalisme geëvolueerd naar beschermers van het kapitalisme. Een radicale kritiek op het kapitalisme is bovendien niet meer welkom bij de socialisten. Al in de jaren zestig werden Marxisten uit de socialistische partij verbannen, en wie nu nog durft te wijzen op het belang van de oorspronkelijke principes van de partij wordt snel op boegeroep getrakteerd. Socialisme is voor de socialisten blijkbaar ouderwets, uit de tijd, voorbijgestreefd. In de plaats daarvan kiest men voor de redding van het kapitalisme als beste weg voor de belangen van de zwakkeren in de samenleving.

Was de parlementaire aanpak, achteraf beschouwd, de beste? Was de keuze voor evolutie eerder dan voor revolutie de juiste? Het antwoord op die vragen is niet eenvoudig. Enerzijds kan men zeggen ‘ja’, want via de zachte aanpak in parlementen en regeringen is er heel veel gerealiseerd. De socialistische partijen hebben in West-Europa en Scandinavië een heel ander soort kapitalisme ontwikkeld dan bijvoorbeeld in de Verenigde Staten. In de Verenigde Staten is het kapitaal volledig de baas. Gewone mensen moeten alle mogelijke voorzieningen zelf kopen en betalen: ziekteverzekering, onderwijs, pensioen. Het is een harteloze samenleving waarin je, als je arm bent, zo goed als onmogelijk uit die armoede weg kan. Vele mensen hebben er een armtierig bestaan en de kloof tussen arm en rijk is er schrikwekkend groot. In West-Europa en Scandinavië hebben we een vriendelijker kapitalisme, dat via het systeem van sociale zekerheid toch nog kansen biedt aan degenen die het niet getroffen hebben. Ook als je arm bent kan je je kind naar een goede school sturen en zelfs aan een goede universiteit laten studeren, zodat je kind het later beter kan hebben. Ook als je arm bent kost je medische verzorging relatief weinig, en je krijgt de beste medische verzorging ongeacht je arm of rijk bent. Dat is een verwezenlijking van de socialisten in het parlement en in regeringen, en die verwezenlijking staat er zwart op wit. Die verwezenlijking moet steeds weer verdedigd worden, want ze ligt permanent onder vuur vanuit neoliberale hoek. Mensen zoals Jean-Marie Dedecker hebben een bloedhekel aan alles wat naar de welvaartstaat ruikt. Men heeft dus constant socialisten nodig om de welvaartstaat te verdedigen en zo mogelijk nog uit te breiden – ook al vinden sommigen dat precies door de realisaties van de welvaartstaat de socialisten zichzelf overbodig hebben gemaakt.

Anderzijds moet men de vragen ook met ‘neen’ beantwoorden. De radicale democratie die de socialistische principes vooropstellen is zeker niet gerealiseerd. Vooral in de derde fase van de evolutie die ik boven beschreef zien we dat de socialisten steeds meer echte macht afstonden aan het grootkapitaal. Overheidsbedrijven werden geprivatiseerd en er werd een neoliberaal beleid gevoerd. Het gevolg laat zich raden: regeringen, ook met socialisten, hebben nog nauwelijks greep op het kapitalisme, en onze democratie is gereduceerd tot het vrij stemmen bij verkiezingen. De grote, alles omvattende  democratie die het socialisme in gedachten had is zeker niet gerealiseerd, integendeel: ze is nog verder ingekrompen. En jammer genoeg blijken de hedendaagse gematigde socialisten dat niet in te zien of niet te willen begrijpen. Ze zijn tevreden over zichzelf, gaan ervan uit dat hun aanpak de juiste is, dat er geen alternatief voor bestaat, enzovoort. Er zit geen strijd meer in dit socialisme, het heeft de strijd opgegeven. Daarmee heeft het ook de socialistische droom van een betere wereld opgegeven, een wereld van gelijkheid en rechtvaardigheid. Van een beweging die een heel andere wereld voorstelde is ze geëvolueerd naar een partij zoals de andere, en dat is te betreuren. Socialisten hebben altijd een heel ander verhaal verteld dan andere politieke partijen. Hun visie week grondig af van die van andere partijen, die doorgaans tevreden waren met het behoud van wat er was. Socialisten stonden altijd voor verandering, voor grondige en diepgaande verandering, voor de totale verandering van de samenleving. Die idee, dat ideaal, is verloren gegaan. Jammer.

Is socialisme actueel?

Het was niet de bedoeling van de drie voorgaande hoofdstukken om wat nostalgie op te roepen: beelden van die goeie ouwe tijd toen socialisme nog een machtig politiek ding was. Neen, het was de bedoeling om een stuk geschiedenis te schetsen, om duidelijk te maken waar socialisme vandaan komt en hoe de socialistische idealen doorheen de geschiedenis zijn opgepikt en uitgewerkt. Het gaat hier om ideeën en idealen die al ruim een eeuw leven, en die onze samenleving grondig hebben beïnvloed in gunstige zin. Het zijn ideeën die mensen overal ter wereld de kracht hebben gegeven om zich te verzetten tegen uitbuiting en onderdrukking, en voor vrijheid, gelijkheid en democratie. En die ideeën dreigen nu verloren te gaan. Enerzijds zijn de socialistische partijen hiervoor zelf verantwoordelijk. Zoals ik heb gezegd in het vorige hoofdstuk hebben ze zelf het socialisme opgegeven en vervangen door een reeks ideeën die nog nauwelijks afwijken van die van andere partijen. Je zou kunnen stellen dat politici vandaag de dag allemaal in het zelfde grijze pak rondlopen; alleen heeft de ene een blauwe, de andere een oranje en nog een andere een rode stropdas om. Anderzijds is er ook de kracht van het ‘T.I.N.A. argument’ dat ik vroeger al heb vermeld – ‘there is no alternative’, er is geen alternatief meer voor het kapitalisme waarin we leven. Zeker na de ineenstorting van de Sovjet-Unie is die idee, dat kapitalisme het beste en meest perfecte systeem is, door velen aangenomen als waarheid, ook door vroegere socialisten. Men berust dus in dit systeem, ook al is men er ontvreden mee. En tenslotte is er ook het feit dat we in een verwen-maatschappij leven. We hebben alles en kunnen alles. Er lijken geen grenzen te bestaan aan het geluk dat we onszelf via consumptie kunnen verschaffen. Dat niveau van welvaart maakt mensen minder bewust van wat er fout gaat in de wereld, en het maakt ze minder strijdbaar.

Eigenlijk betekent dit dat men ophoudt met denken. Men houdt op te denken buiten de gebruikelijke lijntjes. Men denkt niet meer over mogelijke alternatieven. En men is ook opgehouden met denken over de grote idealen die socialisme voorstaat: gelijkheid en rechtvaardigheid voor iedereen, gelijke kansen voor iedereen om zich volledig te ontplooien en te ontwikkelen, ongeacht ras, stand, huidskleur, leeftijd of geslacht. Men is eigenlijk opgehouden te denken over de vele heel diepe ongelijkheden die ons systeem kenmerken. Men aanvaardt die ongelijkheden met slagzinnen zoals: ‘er zullen altijd rijken en armen zijn’, ‘er zijn nu eenmaal winners en losers’, of ‘iedereen wil toch rijk worden?’ Zo’n slagzinnen leggen het kritische denken aan banden, ze doen je ophouden met verder te denken dan je neus lang is. En socialisme is nu net een uitnodiging om verder te denken, even buiten de lijntjes te kleuren, het ondenkbare te denken, je met argumenten te verzetten tegen wat er is omdat je gelooft in een betere wereld. Het is een rebelse houding die niets aanvaardt zonder het eerst grondig en kritisch te hebben overdacht. Het is die houding waarvan ik in het begin zei dat ze je regelrecht in de politiek plaatst. Ze maakt je tot iemand die niet enkel denkt over de eigen belangen, maar ook over die van anderen. Ze maakt je tot een geëngageerd iemand, die zich inspant voor zij die het minder goed hebben – en daardoor ook je eigen wereld beter maakt.

Zo’n houding is vandaag meer dan ooit nodig. Velen denken dat socialisme zijn tijd heeft gehad, dat het een ideologie is van het verleden. Ze zijn fout. Het is een ideologie die onze huidige wereld meer dan ooit nodig heeft. Die wereld is onrechtvaardig, en ik zei eerder al dat ze niet vanzelf rechtvaardiger zal worden. Ze heeft een motor nodig die anders draait dan de huidige, en socialisme kan daarvoor dienen.

Laat ons daarom de kern van de zaak nog eens in herinnering brengen. Zoals ik bij de aanvang zei, is socialisme een ideologie die draait rond een kritiek van het kapitalisme. Kapitalisme heeft goede kanten zowel als slechte. De goede kanten komen erop neer dat kapitalisme perioden van grote welvaart schept, die vele mensen toelaten een goed leven te hebben. De slechte kanten ervan draaien rond twee punten. Ten eerste wordt kapitalisme aangedreven door ongelijkheid, en ten tweede produceert kapitalisme naast perioden van welvaart ook perioden van crisis, die vele mensen het leven moeilijk maken. We zitten thans in zulk een crisis en de gevolgen daarvan hoor je dagelijks op de radio of zie je dagelijks op TV. Het is de mode geworden om de slechte kanten van kapitalisme af te schilderen als uitzonderingen, als uitwassen van een anders best wel prima systeem. Perioden van crisis worden bijvoorbeeld voorgesteld als tijdelijke slechte perioden, als korte dipjes in een systeem dat voortdurend welvaart schept. We zagen dat bij het begin van de huidige crisis, toen men zag dat banken ons geld op allerlei eigenaardige manieren belegden om torenhoge winsten te behalen voor zichzelf. Die praktijken van de banken werden afgeschilderd als ‘overdreven’ kapitalistisch, als uitzonderlijke en ongezonde wanpraktijken die men wel zou kunnen rechttrekken. Oefen wat meer overheidscontrole uit op de banken en alles valt vanzelf wel in de plooi.

Vanuit een socialistisch standpunt zijn de slechte kanten van het kapitalisme echter permanent. Het zijn geen uitzonderingen of afwijkingen, maar integendeel, ze zijn de regel. Kapitalisme drijft op concurrentie, op een voortdurende wedstrijd om de hoogste winsten. Het gevolg daarvan is dat er naast winnaars in die wedstrijd ook verliezers zijn, en dat deze ongelijkheid net de kern uitmaakt van het kapitalisme. De grootste verliezers zijn de zwaksten: zij die aan de bodem van de ladder moeten werken om de winsten van ondernemingen te verzekeren. Denk aan de 14-jarige kinderen uit Bangladesh die jouw mooie nieuwe Nike-schoenen vervaardigen. Het is dank zij deze ‘losers’ van het kapitalisme dat jouw schoenen hier aan een redelijke prijs verkocht kunnen worden, terwijl er toch enorm veel geld aan wordt verdiend. Precies dit proces, waarbij de kost van arbeid – de lonen – laag wordt gehouden om de winsten te verhogen, is het kloppend hart van het kapitalisme. Vanuit een socialistisch standpunt zijn crisissen ook geen uitzonderingen maar zijn ze de regel, en is het kapitalisme eigenlijk voortdurend in crisis. Perioden waarin heel veel winst wordt gemaakt worden afgewisseld door perioden waarin de winsten magerder zijn, en waarin er dus fabrieken moeten sluiten, werknemers moeten afgedankt worden, en zo meer. Wanneer we de twintigste eeuw bekijken zien we dat er eigenlijk maar één periode is geweest zonder crisis: de periode tussen de tweede wereldoorlog en de vroege jaren zeventig. Voorafgaand aan die periode van bloei was er de grote crisis van de late jaren twintig en de jaren dertig, die over de hele wereld zijn gevolgen liet voelen. En volgend op die periode van bloei was er de oliecrisis van de vroege jaren zeventig, waarin alweer de hele wereldeconomie achteruit ging. Die laatste crisis duurt eigenlijk nog altijd voort, en wat we nu meemaken is een heftige kramp in die crisis.

Een socialist zal dan ook zeggen, en aantonen met feiten, dat kapitalisme zich van de ene crisis naar de andere sleept, en dat perioden van welvaart eigenlijk de uitzondering eerder dan de regel zijn. Het is met andere woorden een ziek systeem, dat voor heel veel mensen in de  wereld geen oplossing is, maar net het probleem is. Kapitalisme slaagt er niet in een wereld te bouwen waarin mensen gelijk zijn, waarin ze rechtvaardig behandeld worden en zichzelf ten volle kunnen ontplooien. Het is daar nooit in geslaagd, en zal daar ook nooit in slagen, omdat het systeem nu net die grote groep van ‘losers’ nodig heeft die zorgen voor de superwinsten van de ‘winners’. Het is een systeem dat een heel hoge menselijke kost heeft, en die kost is ondraaglijk voor miljoenen mensen in de wereld. Vanuit onze luie zetel in België (een zetel die we dankzij de socialisten hebben gekregen) voelen we dat niet zo, want, zoals ik al eerder zei, wij behoren tot degenen die het heel goed hebben in het kapitalistisch systeem. Zoals we straks nog zullen zien, ons gemiddeld inkomen is een veelvoud van wat de meeste mensen in de wereld verdienen, en we kunnen dan ook naar hartelust consumeren. Het 14-jarige kind in Bangladesh kan zich de schoenen niet permitteren die het maakt; wij wel. En in een samenleving zoals de onze zijn er steeds voldoende mensen die vinden dat we nét deze schoenen nodig hebben om ‘cool’ en ‘in’ te zijn. Daardoor, door ons concumptiegedrag, houden we de onmenselijke arbeidsomstandigheden van die 14-jarige kinderen in stand.

We zitten nu in een fase van de geschiedenis die we ‘globalisatie’ noemen: de wereld wordt één dorp, en het is vandaag de dag vanzelfsprekend dat we T-shirts dragen waarvan het katoen in Brazilië is geoogst, in China is geweven, in Vietnam is gestikt en in Turkije is geverfd, vooraleer het bij ons in de winkel belandt. De economieën van zowat alle landen in de wereld zijn met mekaar verbonden in één groot wereldwijd systeem van handel, en de T-shirt die we dragen is dus doorheen de handen gepasseerd van mensen in Brazilië, China, Vietnam en Turkije. Als deze T-shirt goedkoop is, kan je je wel inbeelden hoe laag de lonen zijn van al deze mensen. Zij hebben allemaal heel hard gewerkt aan die ene T-shirt, en ze hebben daar bijzonder weinig aan verdiend. De fabrikant daarentegen, degene die de T-shirt uiteindelijk van een merk voorziet, in de winkel legt en verkoopt, heeft er veel winst op gemaakt. Ons consumptiegdrag is iets wat invloed heeft op heel de wereld, en telkens wanneer we iets kopen begeven we ons in dat kapitalistische systeem dat vele mensen uitbuit. Ons gedrag is verbonden met het lot van al die mensen, en dat is iets wat we goed moeten begrijpen in deze tijd van globalisatie. Telkens wanneer wij iets doen heeft dat een effect op het leven van mensen over de hele wereld. De weelde waarin wij leven heeft een prijs, en die prijs is niet beperkt tot het geld dat we eraan spenderen. Die prijs is ook dat andere mensen arm blijven en worden uitgebuit. We zien die mensen niet, en we kennen ze niet, maar ze zijn er wel.

Wanneer we dus vandaag de dag nadenken over ongelijkheid, moeten we nadenken over ongelijkheid op wereldschaal. Het hedendaagse proletariaat bevindt zich in de landen die we ‘lage-loonlanden’ noemen – landen zoals India, de Filippijnen, Vietnam, Brazilië en andere landen in de derde wereld waar mensen aan een hongerloon moeten werken aan producten die dan met veel winst op onze markten en in onze winkels verkocht worden. Bij ons hebben de meeste mensen een job en een degelijk inkomen. Hun inkomen is ook beschermd door allerhande wettelijke regelingen, dus het is veilig. In de derde wereld daarentegen bestaan zo’n wettelijke regelingen niet. Mensen kunnen zonder boe of ba afgedankt worden, moeten werken in ongezonde omstandigheden, en kunnen de meest belachelijke lonen krijgen voor hun werk. Het gaat hier letterlijk om miljarden mensen: de meerderheid van de mensen in de wereld leven in zo’n omstandigheden, en die omstandigheden houden de weelde van een minderheid (van ons dus) in stand. Het gaat mij er hier niet om een schuldcomplex te bezorgen aan iedereen die dit leest. Wel moet men beseffen wat er aan de hand is, en dat het hier om echte vormen van ongelijkheid gaat waarin wij een rol spelen, of we dat nu beseffen of niet. En als we ons willen inzetten voor een betere wereld moeten we beseffen dat die wereld draait rond onze rijkdom. Dat is niet onze schuld, maar wel onze verantwoordelijkheid.

Globalisatie dwingt ons om socialist te zijn, het maakt socialisme meer dan ooit nodig, en het maakt socialisme meer dan ooit internationaal. De ongelijkheden in de wereld nemen immers toe, zowel tussen verschillende landen als binnen de landen. Er komt een steeds groter kloof tussen arm en rijk, en die kloof wordt nog versterkt en uitgediept door de economische crisis waarin we ons bevinden. Zo’n crisis raakt de zwakkeren natuurlijk veel harder dan degenen die wat overschot hebben. Derde wereldlanden hebben het dus moeilijker dan ooit, en binnen alle landen (ook het onze) treft de crisis de sociaal zwakkeren harder dan de rijken. Sinds het begin van de crisis is het percentage werklozen onder de allochtonen bijvoorbeeld spectaculair gestegen. Zulke crisissen treden om de handvol jaren op, en telkens brengen ze hopen miserie mee voor de zwakkeren. Het zijn de zwakkeren die hun loon zien dalen of hun werk kwijtspelen tijdens een crisis, terwijl hun rekeningen alsmaar stijgen. De voedselprijzen zijn de laatste tijd over de hele wereld enorm gestegen, de energieprijzen eveneens. Er waren in 2008 in tientallen landen voedselrellen, vaak met dodelijke slachtoffers, en in een dozijn andere landen waren er stakingen en protesten tegen de stijgende brandstofprijzen. En dat was voor het uitbreken van de zware economische crisis, die dit alles allicht nog een stuk erger maakt. De vrije markt is duidelijk niet vrij voor degenen die onderaan de ladder staan. Zij hebben geen keuze, moeten nemen wat er in hun richting komt, en moeten daar de gevraagde prijs voor betalen. Laat ons even een voorbeeld bekijken.

Sinds het begin van de huidige economische crisis verdubbelde de werkloosheid zowat in de Verenigde Staten, van rond de 4% naar 7.6% van de werkende bevolking. Zo’n vier miljoen mensen verloren er hun job tussen januari 2008 en januari 2009, en dat in een land waar men geen werkloosheidsuitkeringen heeft zoals hier. Wie z’n baan verliest, verliest zijn of haar inkomen en raakt in zeer ernstige problemen: het huis kan niet meer afbetaald worden, medische verzorging of geneesmiddelen kunnen niet meer betaald worden, er is geen geld meer om de school of de universiteit van de kinderen te betalen, noem maar op. Binnen die cijfers merken we echter iets belangrijk op. Bijna 13% van de zwarte werknemers zijn werkloos, en bijna 10% van de migranten uit Latijns Amerika – telkens is dit hoger dan het gemiddelde van 7.6%. We merken dus dat, terwijl de werkloosheid geweldig stijgt over de hele bevolking, ze het hardst toeslaat bij groepen die het in de samenleving al moeilijker hebben dan anderen. De zwakkeren krijgen de hardste klappen. Daar komt nog bij dat de benzineprijs de afgelopen jaren zowat verdriedubbelde, met een piek in het najaar van 2008, en nu nog altijd het dubbele is van tien jaar geleden. Voedselprijzen stegen het afgelopen jaar met ruim 5%. De zwaksten in de samenleving zijn dus meer werkloos, net wanneer het leven een flink stuk duurder wordt. Intussen meldt de oliemaatschappij Exxon de grootste winsten uit z’n bestaan – ruim 40 miljard dollar in 2008. De dure benzineprijs blijkt dus goed te zijn voor de fortuinen van de aandeelhouders van de grote oliemaatschappijen, en die fortuinen worden betaald door de gewone mensen.

Nog een voorbeeld. Het jaarlijkse inkomen van een doorsnee inwoner van Ethiopië is 90 dollar, dat in Congo is 100 dollar. In Pakistan is dat 470 dollar, in Albanië 1740 dollar per jaar, en in Turkije 2790. Ons 14-jarige arbeidertje uit Bangladesh kan gemiddeld 1870 dollar per jaar verdienen. Wanneer we echter naar Europa kijken zien we dat het jaarlijks gemiddeld inkomen in België 25820 dollar bedraagt, in Zweden 28840 dollar en in Zwitserland bijna 40000 dollar. Noorwegen spant de kroon met 43350 dollar per jaar. Ook de Verenigde Staten doen het niet slecht: 37610 dollar. En ook Japan zit met 34510 dollar per jaar in de top-tien van rijkste landen. Laat ons dat nu even kort met mekaar vergelijken. Het gemiddeld inkomen in Noorwegen is 542 keer groter dan dat van Ethiopië. Iedere Noor verdient dus evenveel als 542 Ethiopiërs samen (een flink dorp). Het gemiddeld inkomen in België is 258 keer groter dan dat in onze voormalige kolonie Congo, zowat vijftig keer hoger dan dat van Pakistan, en negen keer hoger dan dat van Turkije. En dan is er nog iets vreemd aan de hand. Men heeft ook cijfers die per land het verschil uitdrukken tussen de 10% rijkste mensen en de 10% armste. Het gekke daar is dat deze verschillen tussen de rijksten en de armsten vaak het grootst zijn bij de armste landen. Hier volgen wat cijfers. In Japan is het verschil tussen de armsten en de rijksten 4,5. De rijksten verdienen dus 4,5 keer zo veel als de armsten. In Duitsland is dat cijfer 6,9, in Belgie 8,2, in de Verenigde Staten is het 15,9. Maar dan krijgen we landen zoals Guatemala, met een gemiddeld inkomen van 1910 dollar. In Guatemala verdienen de rijksten 48 keer zo veel als de armsten. Brazilië heeft een gemiddeld inkomen van 2710 dollar, en het verschil tussen arm en rijk is 51. En als we dan echt naar enkele van de aller-armste landen ter wereld gaan kijken, dan wordt het helemaal schokkend. Honduras (gemiddeld inkomen 970 dollar) heeft een cijfer 34, Haïti (gemiddeld inkomen 380 dollar) een cijfer 71 en Lesotho (gemiddeld inkomen 590 dollar) een verbijsterend cijfer van 105. De rijkste mensen in Lesotho verdienen met andere woorden zoveel als 105 van de armste mensen samengeteld. Dus wat zien we? Dat in arme landen er bovendien nog eens een enorm verschil is tussen arm en rijk. Het gemiddeld inkomen van die landen is zeer laag, en het is grotendeels in handen van een kleine groep rijke mensen. De armste mensen daar hebben dus gewoonweg niets. De verschillen in inkomens zijn verbazend, en dit geldt over de hele wereld. In Groot-Brittanië verdient een topmanager gemiddend 212810 Pond per jaar, terwijl een bibliotheekassistent er gemiddeld 10749 verdient – zowat twintig keer minder dus. Er zijn natuurlijk meer bibliotheekassistenten dan topmanagers.

Men begint op basis van deze cijfers wel een paar dingen goed te snappen. Ten eerste snapt men wellicht dat de wereld een héél onrechtvaardige plek is, waarin de middelen héél erg ongelijk verdeeld zijn. Er zijn die reusachtige verschillen tussen de verschillende landen, en er zijn daarnaast nog eens die enorme verschillen tussen arm en rijk binnen één land. Ten tweede begint men misschien ook beter te begrijpen waarom er migratie is en waarom migratie niet kan gestopt worden. Iemand uit Pakistan verdient, zoals gezegd, gemiddeld 470 dollar per jaar, omgerekend een slordige 400 Euro. Indien men die Pakistani in België een schandalig hongerloon betaalt van 400 Euro per maand, dan verdient hij of zij twaalf keer zoveel als in Pakistan. Betaalt men hem of haar het gemiddelde salaris van de Belg, dan verdient de Pakistani vijftig keer zoveel als in Pakistan. Voor de opbrengsten van één jaar werken in België zou de Pakistani dus vijftig jaar moeten werken in Pakistan. Zelfs voor het hongerloon van 400 Euro per maand zou de Pakistani thuis twaalf keer langer moeten werken. Iemand uit Turkijke kan in België gemiddeld negen keer zoveel verdienen als in Turkije. Eén jaar werken in België brengt dus even veel op als negen jaar werken in Turkije. Dit zijn allemaal realiteiten, geen verzinsels, en ze verklaren waarom mensen have en goed achterlaten en naar landen zoals België komen om er de kost te verdienen, vaak in zeer laag betaalde jobs. Zelfs die heel kleine opbrengsten zijn enorm in verhouding tot wat ze thuis kunnen verdienen. Rijk worden ze er doorgaans niet van. Ze leven hier vaak op de rand van de armoede want het leven is hier schrikwekkend duur, en ook na hun terugkeer is hun broodje niet altijd gebakken. Ze hebben wat spaargeld en kunnen misschien een eigen zaakje starten.

De cijfers maken ons nog iets duidelijk. Dit is het ware gelaat van het kapitalisme: ongelijkheid. Het is een grove leugen te beweren dat het kapitalisme voor iedereen een mate van welvaart produceert. Het doet dat natuurlijk voor de Britse topmanager, die elk jaar een salaris verdient waarvoor een gemiddelde Ethiopiër ruim duizend jaar moet werken. Die Ethiopiër, maar ook het 14-jarige jongetje in Bangladesh en de Pakistaanse migrant die hier voor 400 Euro per maand werkt als bordenwasser in een restaurant: dat zijn allemaal de slachtoffers van het kapitalisme. Ze zijn niet alleen: de miljoenen Amerikanen die hun baan verliezen omwille van deze crisis horen er ook bij. En de mensen bij ons die astronomische rekeningen voor gas en electriciteit moeten betalen, waardoor de energiebedrijven superwinsten realiseren, ook dat zijn slachtoffers. Onrecht zit in de kern van het kapitalistische systeem, en zoals we uit onze cijfertjes konden opmaken: elke Noor tel voor ruim vijfhonderd Ethiopiërs. Voor elke rijke mens bestaan er honderden arme mensen in de wereld. Die rijke mens zal men niet snel horen kankeren over kapitalisme. De honderden armen hoort men doorgaans niet, want weinig rijken liggen wakker van hun geklaag.

Kapitalisme zal niet vanzelf een beter en rechtvaardiger systeem worden. Het kan dat niet, want het is er niet voor gemaakt: het is gemaakt voor het scheppen van de rijkdom van een kleine groep ten koste van de armoede van een veel grotere groep. Dat alles maakt socialisme meer dan ooit actueel en nodig. De wereld heeft een alternatief systeem nodig, een systeem dat wordt aangedreven door rechtvaardigheid en gelijkheid, niet door ongelijkheid en onrecht. Laat degenen die socialisme verouderd vinden hier maar eens over nadenken: de economische crisis waarin we ons nu bevinden werd al geruime tijd geleden voorspeld door socialisten. Hij wordt door hen ook samenhangend verklaard, en op een manier die klopt als een bus. En enkel socialisten hebben de recepten die een blijvende en duurzame oplossing kunnen bieden voor de telkens weerkerende kolieken van het kapitalisme. Het bewijs is er: sinds het uitbreken van de crisis halen allerlei neoliberale politici en regeringen allerhande socialistische maatregelen uit de kast: overheidssteun voor de industrie, nationalisatie van bepaalde banken en verzekeringsinstellingen, het stimuleren van de economie door het plannen van grote openbare werken, enzovoort. Amper een jaar gelden zouden zo’n maatregelen weggelachen zijn als ‘ouderwets socialistisch’. Nu zijn ze de enige maatregelen die enig soelaas bieden voor de crisis. Van een gebrek aan actualiteit heeft socialisme de laatste tijd dus niet te klagen.

Tot slot: engagement

Laat ons even terugkeren naar de vraag die ik in het begin van dit boekje stelde. Wat doe je wanneer de wereld een erg onrechtvaardige plek blijkt te zijn? Ik zei toen: je begint daar vragen over te stellen, en die vragen zorgen ervoor dat je je in de politiek begeeft, in de ruimste zin van het woord. De verschillende hoofdstukken uit dit boekje toonden aan dat je die vragen kan stellen aan de hand van een samenhangend denkkader, dat van het socialisme. Je sluit daardoor aan bij een lange traditie van kritiek op het kapitalisme, een kritiek die de grond van de zaak raakt en niet enkel aan de oppervlakte ervan blijft. Het valt trouwens op dat haast niemand het woord kapitalisme nog gebruikt. Het was lange tijd precies alsof er geen kapitalisme bestond. Wie het woord gebruikte werd meteen afgeschilderd als extreem-links. Recent, sinds het uitbreken van de economische crisis, merken we echter dat steeds meer mensen kapitalisme als woord en als begrip opnieuw beginnen gebruiken. Door de crisis is het kapitalisme plots terug zichtbaar geworden, vooral in z’n slechte gedaante. Dat biedt ons de kans om onze socialistische opmerkingen en kritieken te laten horen. Zoals ik bij het einde van het vorige hoofdstuk zei: socialisme is actueler dan ooit, en je ziet meer en meer mensen terugkeren naar het socialisme omdat het, als enige, diepgaande ideeën ontwikkelt over dingen zoals de crisis. Je moet je niet meer schamen voor socialistische ideeën, de economische crisis heeft ze plots weer afgestoft en naar de oppervlakte gehaald.

Ik heb in dit boekje heel sterk de nadruk gelegd op het denken. Socialisme begint immers bij een bepaalde manier van denken, bij een aantal ideeën die teruggaan tot die van Marx en Engels. Die manier van denken is ter zelfder tijd heel ingewikkeld en heel simpel. Het is heel ingewikkeld als je alle details van de theorieën van Marx en Engels wil snappen. Het is tegelijkertijd heel eenvoudig, want alles draait rond één vraag: wie heeft hier voordeel aan? Bij alles wat gebeurt kan je je die vraag stellen: wie heeft hier voordeel aan? De regering geeft een aantal miljarden aan de banken: wie heeft hier voordeel aan? Het is die vraag die, wanneer je ze doordenkt, je duidelijk maakt dat het de aandeelhouders van de banken zijn die dat geld onrechtstreeks krijgen. De gewone mensen, van wie het geld van de staat komt, zien het niet. Zij betalen de toekomstige winsten van de aandeelhouders. De samenleving heeft hier dus geen voordeel aan, wel de aandeelhouders van de banken. Die ene simpele vraag maakt zo een heel proces los van nadenken, onderzoeken, kritiek. In een kapitalistische samenleving zijn er immers heel weinig dingen waaraan iedereen voordeel heeft. Die enkele dingen zijn toevallig de zaken waar de socialisten een rol in hebben gespeeld: goedkoop kwaliteitsonderwijs voor iedereen, een betaalbare gezondheidszorg voor iedereen, enzovoort. We hebben die dingen in vroegere hoofdstukken overlopen. Maar de regel is dat in een kapitalistische samenleving de belangen verdeeld zijn, en als je de ene voordeel geeft dan gaat dat ten koste van de andere. Ik gaf eerder al kort het voorbeeld van ‘een bedrijf redden’. Stel, een bedrijf heeft het moeilijk: de winsten dalen. Het bedrijf gaat dus ‘herstructureren’ zoals dat heet. Dat betekent doorgaans dat het bedrijf enerzijds probeert om de loonkosten naar beneden te halen, door loonsverhoging te weigeren of door de arbeiders langer te laten werken voor het zelfde loon. Anderzijds betekent dat, dat het bedrijf bepaalde delen zal proberen af te bouwen of te sluiten. Het zal werknemers afdanken. Zo wordt een bedrijf ‘gered’. Maar ‘redden’ staat hier voor een heel merkwaardig iets. Wat gered wordt, is de winst van het bedrijf, en die winst gaat (alweer) naar de aandeelhouders van het bedrijf, de echte eigenaars van het bedrijf. De werknemers van het bedrijf zijn natuurlijk niet gered. Zij moeten loon afstaan of verliezen kortweg hun job en staan op straat. Dus wie heeft bij die ‘redding’ van het bedrijf nu eigenlijk voordeel? De aandeelhouders, niet de werknemer.

Die ene vraag steekt dus een denkproces op gang dat je heel veel leert over de werkelijke verhoudingen in onze samenleving. Ze leert je nadenken over het feit dat alles, elk ding dat we bezitten, een prijs heeft, en dat die prijs niet enkel de prijs is die jij ervoor in geld hebt betaald. Er zit ook een prijs aan vast die te maken heeft met de arbeidsvoorwaarden van degenen die het ding hebben gemaakt. Er zit een menselijke en een ecologische kost aan vast. Wanneer we in december een bakje aardbeien kunnen kopen in Carrefour dan weten we dat die niet uit België komen – het is het seizoen van de aardbeien niet. Ze komen uit Zuid-Afrika of Chili of Nieuw-Zeeland, en zijn per vliegtuig hierheen gevlogen. Dat ene bakje aardbeien heeft de lucht flink vervuild en heeft veel gekost qua transport. Het heeft immers de halve aardbol rondgevlogen. Toch is het betaalbaar voor ons, en toch kan Carrefour er winst op maken. Dat komt omdat de mensen die de aarbeien hebben geplant en geoogst zeer weinig hebben verdiend aan die aardbeien. Wij kunnen in december aardbeien eten omdat iemand anders ver van ons er heel hard heeft aan gewerkt, aan een heel laag loon.

Als je dat beseft dan neem je een engagement: het engagement dat die dingen je niet koud laten, dat je ze onaanvaardbaar vindt en dat je vindt dat ze moeten veranderen. Je denken is voorgoed veranderd, je bent een kritisch persoon nu die niet meer zomaar alles aanneemt, en bij vele dingen lastige vragen stelt – zoals ‘wie heeft daar voordeel aan?’ Je gelooft niet dat er geen alternatief is, en je spant je in om na te denken over alternatieven. Die alternatieven liggen in je eigen leven. Je kan bijvoorbeeld beslissen om in december geen aardbeien te eten, omdat er aan die aarbeien letterlijk een luchtje hangt. Of je kan op het etiket kijken van je nieuwe Nike schoenen, en ze weigeren te kopen wanneer daar een laag-loonland zoals Bangladesh op staat. Je kan ook verder gaan dan je eigen leven, en je beginnen inspannen voor de zwakkeren in de samenleving, voor die vele mensen die het niet zo goed hebben als jij, en die slachtoffers zijn van het systeem waarin wij leven. Daar is meer dan werk genoeg aan, en steeds meer. En men heeft daar steeds handen te kort. Er zijn immers nooit genoeg mensen die dat engagement nemen, want de meerderheid stelt zich geen vragen bij het systeem waarin we leven. Je wordt daar effectief beter van, niet in termen van geld want er is niets aan te verdienen, maar je wordt beter als mens. Je wordt minder egoïstisch, leert beter omgaan met de wereld waarin je leeft en waarin je een rol speelt. Je wil dat die wereld beter wordt, maar je beseft dat men dit niet voor jou zal doen. Je moet zelf de handen uit de mouwen steken. En denk vooral nooit dat dit allemaal nutteloos is, dat het niets oplevert. Eén mens die zich voor anderen inspant maakt een hele straat beter. Eén iemand die zich inspant voor het lot van anderen maakt die anderen ook beter. Het geeft ze hoop en wat vertrouwen. Je kan je niet inbeelden hoeveel goeds er kan gedaan worden door honderd goede mensen. Ze veranderen effectief de wereld. Het oude socialistische principe van solidariteit heeft de wereld verbeterd, tegen het kapitalisme in. Solidariteit is, op zichzelf, een vorm van strijd – een strijd tegen het feit dat ons systeem bepaalde groepen van mensen uitsluit, kwetst en arm houdt, omdat wij rijk zijn en rijk willen zijn. Onze wereld heeft nu meer dan ooit pakken solidariteit nodig. Engagement en kritiek zijn nodig in elk aspect van je leven.

Je eigen leefwereld ziet er misschien allemaal goed en probleemloos uit, maar is dat niet. Je gaat naar een goeie school, hogeschool of universiteit, waar goed opgeleide leerkrachten je in uitstekende omstandigheden puik onderwijs geven. Ons onderwijs behoort tot het beste in de wereld. De kwaliteit en de prijs van dat onderwijs staan echter constant ter discussie, en nu meer dan ooit. Er is een tendens in de samenleving die het onderwijs ‘competitiever’ wil maken. Concreet betekent dat, dat je in de eerste plaats zou moeten opgeleid worden tot één of andere specialist in één of andere tak van de arbeidsmarkt. Als je afstudeert, zo vindt men, zou je meteen en zonder verdere opleiding moeten kunnen gaan werken. Het moet uit zijn met die flauwe zever die men in scholen, hogescholen en universiteiten verkondigt. Onderwijs dient voor het bedrijfsleven, punt uit – dat vindt men. Misschien heb je daar niets op tegen, maar je moet beseffen dat ons onderwijs van oudsher ook een heel ander doel heeft: het opleiden van verstandige en kritische burgers, van mensen die heel wat meer kunnen dan wat ze voor een bepaalde job nodig hebben. Onderwijs moet hen bewuste mensen in de samenleving maken, mensen die de grote waarden van die samenleving kennen, er kunnen over nadenken en ermee kunnen omgaan. Die dimensie, waarbij onderwijs de hele samenleving bedient en niet enkel de bedrijfswereld, die dreigt nu verloren te gaan. Ook de democratische dimensie van ons onderwijs staat permanent ter discussie. Net als in de Verenigde Staten en Groot-Brittanië wil men opleidingen in het hoger onderwijs (zeg maar: de universiteiten) gevoelig duurder maken. Hoger onderwijs kost de staat handenvol geld natuurlijk, en besparingen zijn voor elke minister graag meegenomen. Maar een duurder hoger onderwijs betekent meteen dat heel wat mensen niet meer binnen raken in het hoger onderwijs. En raad eens wie? Niet de kinderen van de rijken – die kunnen hoge inschrijvingsgelden spelenderwijs betalen. Het zijn de kinderen van zij die het niet breed hebben. En zo belanden we bij een hoger onderwijs dat niet meer tot taak heeft de besten uit de hele samenleving op te leiden, maar enkel nog tot doel heeft de kinderen van de rijke elite het vereiste diploma te bezorgen. Er bestaat een zeer grote kans dat jouw kinderen in die moeilijke situatie zullen belanden en dat jij als ouder een klein fortuin zal moeten bijeensparen om je kind te laten studeren. Dit is al het geval in de Verenigde Staten en Groot-Brittanië, waar de zogenaamd ‘grote’ universiteiten (denk aan Oxford en Harvard, bijvoorbeeld) vol zitten, niet noodzakelijk met de verstandigste en meest begaafde jongeren, maar zeker met de rijkste. Zoals ik zeg is er een tendens in België die ook die toer op wil. Het is aan jou om je daar met hand en tand tegen te verzetten. We hebben jongeren nodig die snappen waar dit alles om draait, en die hiertegen luidkeels protesteren. Want dit gaat om hun eigen leefwereld, hun eigen onmiddellijke belangen. Het gaat ook om een zoveelste socialistische verwezenlijking die zomaar te grabbel zou worden gegooid, en dit is ontoelaatbaar.

Tenslotte nog dit. De vraag ‘wie heeft daar nu voordeel aan?’ geldt natuurlijk ook voor jou. Wie zal er later voordeel hebben aan jou? Enkel jij zelf? Enkel jij zelf en een bedrijfsleider? Of de hele samenleving? Dat is een cruciale vraag die je moet beantwoorden voor jezelf. Ze beïnvloedt de wijze waarop je studeert, wat je studeert, en wat je met die studies later wil aanvangen. Er zijn verschillende keuzen in dat verband. Als je geneeskunde gaat studeren kan je dat doen louter voor het geld. Je kan als arts flink je boterham verdienen. Maar je kan het ook doen, zoals de artsen van Geneeskunde voor het Volk, op een manier die tegen de stroom ingaat. Je werkt dan aan het laagste tarief (of soms gratis), en je schrijft systematisch de goedkoopste geneesmiddelen voor. In ons land betaalt de ziekteverzekering zich blauw aan dure geneesmiddelen waarvoor evenwaardige goedkopere alternatieven bestaan. Je weigert dan ook aan over-behandeling te doen: je stuurt mensen niet naar specialisten als dat niet echt nodig is, en je laat niet om de haverklap allerhande dure onderzoeken uitvoeren als het niet hoeft. Er zijn gevallen bekend van bejaardentehuizen waarin de bejaarden elke paar maand allemaal naar een bevriende kliniek worden gebracht voor dure en nutteloze onderzoeken. Welnu, tegen zo’n overdreven gebruik – misbruik dus – verzet je je dan, en je geneeskunde komt dan de hele samenleving ten goede. Je kan ook advocaat worden en je inspannen als advocaat voor de zwaksten in de samenleving: asielzoekers, mensen die in de problemen komen omdat ze arm of dakloos zijn. En je weigert zaken waarin misbruik van het recht dreigt gepleegd te worden, zoals wanneer een grote belastings-ontduiker je vraagt om allerhande procedurekwesties op te halen tijdens het proces, zodat hij er zonder kleerscheuren vanaf raakt. Ook dan zijn je studies van nut voor iedereen, niet enkel voor jezelf. Je staat voor die keuze en je bent daar vrij in. Maar de vraag ‘wie heeft er voordeel aan mij?’ kan je niet ontwijken. Je bent een loser indien je antwoord daarop enkel ‘mezelf’ is.

by-nc

NMBS trekt de kaart van de repressie

St.-Ghislain 27/06/2010

Auteur: een acid-militant 

Sinds de besparingsregering en haar aanval op de publieke sector zijn de problemen bij het spoor niet meer weg te branden uit het nieuws: klachten van gebruikers over het nieuwe vervoersplan, politieke druk om een minimumdienstverlening in te voeren, oplopende schuldenberg (5 miljard), enzovoort. Men zou denken dat het allemaal woorden zijn, maar dat er in de praktijk niet veel verandert zolang er niets beslist is.[1] De mensen hebben toch hun vaste benoeming, een goed salaris en genoeg verlofdagen, dus wat hebben ze te klagen?

 

Strengere sancties voor het spoorpersoneel: toeval of een algemene trend?

Het lijkt er nochtans op dat het NMBS-management repressiever optreedt tegenover haar personeel dan vroeger. Collega’s kunnen zelf minder flexibel omspringen met hun werkuren, bijvoorbeeld voor een onderlinge ruil in ploegendienst, maar moeten wel meer beschikbaar zijn voor het bedrijf wanneer de uurroosters van de ploegendienst minder lang op voorhand gekend zijn. Een kwartier voor tijd vertrekken, hoewel de “aflos” er al is, wordt strenger gecontroleerd en gesanctioneerd.

Ook interessant is om te kijken naar het sanctiesysteem. NMBS heeft een tuchtsysteem met verschillende gradaties van waarschuwing over lichte tot strenge vermaning, afhouding van een deel van het salaris, (korte of lange) schorsing, tot afzetting als de zwaarste sanctie. Maar waar men vroeger eerder licht over een aantal zaken ging, grijpt men nu rapper naar het zwaarder geschut.

Voorbeelden van enkele recente sancties voor het personeel:

  • Een collega die een discussie heeft met de ticketcontrole over het al dan niet 1e of 2e klasse van zijn vrijbiljet? boete betalen, alle verkeersvoordelen voor een jaar ingetrokken en een bijkomende tuchtsanctie.
  • Een onderstationschef die enkele keren te laat komt en wiens uniform niet in perfecte staat is? een maand geschorst.
  • Een loketbediende die teveel rookpauzes neemt? ontslagen.

Voor elk individueel geval heeft de directie meestal wel een uitleg klaar om de zware sanctie te rechtvaardigen (“we moeten rekening houden met wat er in het verleden gebeurd is”, bijvoorbeeld), maar wanneer we het sanctiebeleid globaal bekijken, dan valt het op dat er vroeger zaken gemakkelijker door de vingers gekeken werden, en dat de collega die in de fout ging er na een gesprek met zijn directe overste vanaf kwam met een blaam. Die periode lijkt echter voorbij.

 

Meer repressie: een sluipende evolutie of een doelbewuste keuze van het management?

Indien het klopt dat dit een algemene trend is, moeten we ons afvragen hoe dit komt. Enerzijds is het niet verwonderlijk, aangezien de repressie neemt overal toeneemt in de samenleving en bij onze overheden: gasboetes, strengere migratiepolitiek, culpabiliseren van werkzoekenden, enzovoort. Wanneer die normen opschuiven en het sociaal meer aanvaardbaarder wordt om sneller en zwaarder te straffen, zullen werknemers dat ook voelen op hun werkplek. De strengere sancties bij het spoor zouden dan enkele duiden op een onbewuste, sluipende trend die zich overal laat voelen.

In de publieke sector echter kan een repressievere opstelling van het management ook een doelbewuste keuze zijn. De openbare staatsbedrijven staan immers onder druk om te evolueren naar een “modern”, flexibel neoliberaal bedrijf. Voor onze neoliberale regeringen moet de markt in alle publieke sectoren immers “opengegooid” worden om de staatsbedrijven te laten concurreren met privébedrijven. Deze liberalisering wordt in de eerste plaats door Europa opgelegd[2], als een voorwaarde zonder dewelke de dienstverlening niet meer leefbaar zou zijn, of compleet achterhaald, volgens de heersende ideologie. “If you don’t have competition, what have you got?” verwoordde eurocommissaris voor transport Sim Kallas het in de Panorama-uitzending “het vrije spoor”. Hij bedoelt natuurlijk dat een publieke firma nooit zo een goede klantenservice kan verlenen als een privébedrijf, en dat de openbare bedrijven beter snel ontmanteld worden. Hij verwees ook naar de planeconomieën van het Oostblok, die compleet gefaald hadden en waar we dus volgens hem niet meer naartoe moeten.

Maar met sterke vakbonden die waakzaam zijn voor degelijke werkomstandigheden, zal die omschakeling “competitief” bedrijf niet zo gemakkelijk verlopen. Daarom zou een directie kunnen anticiperen op een toekomstige krachtmeting met de vakbonden door zich eerst strenger op te stellen tegenover elk van haar personeelsleden afzonderlijk (vooraleer er een collectieve weerstand op gang komt tegen de afbraakpolitiek). Door strenger op te treden en te straffen wordt immers duidelijk gemaakt dat de lat om als ambtenaar bij de publieke sector te (mogen) blijven werken, hoger gelegd wordt: je moet goed op je tellen passen, altijd waakzaam blijven om geen fouten te maken, anders zwaait er wat. De bedoeling is dan uiteraard ook dat de gesanctioneerde collega’s als voorbeeld dienen voor anderen in de werkzetel of bedrijf: “pas maar op om niet te veel fouten te maken of wantoestanden (bijvoorbeeld slechte werkomstandigheden) aan te kaarten, want hetzelfde lot kan je beschoren zijn.”

Het blijft uiteraard speculatie in welke mate dit allemaal het gevolg is van een algemene trend in de samenleving, dan wel van een bewuste managementkeuze. Wel duidelijk is dat het domein van de “tucht” meer ruimte laat voor interpretatie dan bijvoorbeeld de verloning of de arbeidsduur, die eenduidig vastgelegd zijn in de collectieve arbeidsovereenkomsten, en waar zonder akkoord met de vakbonden niet zomaar iets kan aan veranderen. Terwijl op gebied van sancties het management gemakkelijker een precedent kan scheppen (“twee keer te laat komen bestraffen we vanaf nu met een maand schorsing”), dat dan ineens de algemene norm wordt. Dus het zou in elk geval een bewuste keuze van het management kunnen zijn om op dat terrein een stap vooruit, in hun optiek, te zetten tegenover het personeel en haar vakorganisaties.

 

Welk belang heeft het management erbij om repressiever op te treden?

Collega’s vinden strenge of buitenproportionele straffen vaak onbegrijpelijk. “Dit is toch niet motiverend?”, is de reactie. Ze gaan er dan van uit dat het management van een openbaar bedrijf in de eerste plaats bekommerd zou moeten zijn om het welzijn haar werknemers, en dat positieve motivatie van het personeel de beste garantie is voor een goede dienstverlening aan de gebruikers van de openbare dienst. Iemand die een maand geschorst wordt voor een bagatel, zal volgens hen niet extra gemotiveerd zijn om zijn werk nadien zorgvuldiger te doen. Bovendien verplicht de directie andere collega’s om de verloren werkdagen op te vullen op een moment waar ze anders verlof hadden, wat op zijn beurt spanningen zal meebrengen tussen de verhouding werk-privé, en de motivatie evenmin ten goede komt. Overdreven streng optreden lijkt volgens die logica contraproductief te zijn.

Maar het is naïef om te denken dat het welzijn van de werknemers de eerste prioriteit is van het management. De goed verkopenden managementboeken over het belang van positieve evaluatie, medezeggenschap van het personeel, identificatie met het bedrijf als motivatie enz., duiden vermoedelijk meer op een gat in de markt voor mensen die dat graag lezen als ontspanning, dan op een reële situatie in de bedrijfswereld. (of in het beste geval op wishful thinking van ondernemersfilosofieën die denken het werkvolk meer uren te kunnen doen kloppen door brainwashing)

Beter is het om te kijken naar wat “de politiek” verlangt van haar openbare bedrijven om te begrijpen hoe het management reageert. Zoals boven aangehaald is er de dwingende noodzaak om te schakelen naar een marktgericht, competitief bedrijf, naar het voorbeeld van de privé. De Posterijen (“Bpost”) wordt daar meestal als na te volgen voorbeeld gesteld. Minister Labille veroorzaakte bij zijn aanstelling wel wat commotie over het salaris van Johnny Thijs, maar dat leek meer op profileringsdrang dan op terechte verontwaardiging. Over het algemeen worden de verdiensten van Thijs door politici van alle strekkingen geprezen: hij maakte van de post een beursgenoteerd bedrijf, voerde afslankingen door, schafte het statuut af, bracht meer flexibiliteit (en minder zekerheid) in de werkuren, kortom een geslaagd voorbeeld om een bedrijf opnieuw “performant” te maken.

Het is dan ook logisch dat men voor de NMBS een zelfde soort management wil aantrekken, dat volgens de neoliberale principes tewerk gaat om het bedrijf verder te “herstructureren”. Descheemaeker had al een geknipt profiel voor de job om de NMBS op die manier te leiden, hij schrok er bijvoorbeeld niet voor terug om in zijn afscheidsboek het NMBS-personeel als luiaards af te schilderen, en hun syndicale vertegenwoordigers als naïeve sullen. Cornu is misschien iets minder grof, maar ook hij miste zijn entree niet met zijn brief aan het personeel dat de vertraging van de treinen vooral te wijten waren aan de nonchalance van het personeel bij de eerste vertrekken, terwijl structurele oorzaken niet vermeld werden.[3]

We zien hier dan ook een bewuste keuze van onze regeringen in om “agressievere” managers aan het hoofd te stellen van de overheidsbedrijven. Van kapitaal belang hierin is de besparingspolitiek van Michel-I, en haar prioriteit om de binnenlandse begroting binnen de Europese “norm” te krijgen. Hierdoor worden alle andere beleidsaspecten overschaduwd, en beschouwt men de publieke sector in de eerste plaats als een terrein om besparingen door te voeren ter wille van de begroting. Hoe openbaar vervoer, onderwijs, en ziekenzorg moete georganiseerd worden in het belang van de gebruikers en het milieu is hierbij al lang geen prioriteit meer, zelfs geen bijzaak.[4]

Maar deze politieke conjunctuur en het gezochte profiel van de top van het management beïnvloedt onvermijdelijk de algemene bedrijfscultuur en de oriëntatie van het HR-management. HR zet de plaatselijke directies ten eerste duidelijker onder druk om voor zwaardere straffen te kiezen. Aangezien veel plaatselijke oversten vaak zelf nog afhankelijk zijn van een evaluatie voor hun verdere loopbaan, zullen er weinigen aan deze druk weerstaan. Anderen zullen gemakkelijker met de nieuwe, strenge wind in de samenleving meedrijven en dan vanuit een soort plichtsbesef strenger toe te kijken op “verspilling” of “nonchalance” bij hun personeel. Op die manier sijpelt de repressieve cultuur top down door naar de werkvloer.[5]

Wanneer daarenboven nog eens de salarissen van het management ter discussie gesteld worden in de pers, en minister Galant zegt dat ze ter wille van besparingen met de borstel door een aantal directieniveaus wil gaan, zal die bijkomende druk op het management ook hierdoor naar onder geventileerd worden.

Taak van de vakbonden: syndicale tegenmacht ontwikkelen om repressie te stoppen

Vakbonden zijn als de tegenpool van het management organisaties die niet de winst of besparingsdoelstellingen moeten nastreven[6], maar integendeel het welzijn van de werknemers en respectabele werkomstandigheden. Ook, of misschien eens te meer, wanneer die in conflict dreigen te komen met de doeleinden van het management onder druk van de besparingen. Een assertieve opstelling van de vakbonden over buitensporige strafmaatregelen kan vermijden dat personeel aan te veel willekeur wordt onderworpen.[7]

Vakbondsvertegenwoordigers spelen daarom best snel op de bal spelen om actief strafvermindering te bepleiten voor geviseerde collega’s, ook tegenover oversten waar ze op een ander niveau misschien een persoonlijk positieve relatie mee onderhouden. Hierdoor zal de drempel voor de directie om haar personeel zwaarder te straffen opnieuw hoger komen te liggen, want ze weten dat ze er steeds een syndicale tussenkomst moeten bijnemen wanneer ze een collega viseren.[8]

Ook onder collega’s is het belangrijk om te blijven discussiëren, en de sancties niet als een individueel probleem te zien – “hij zal wel iets mispeuterd hebben, anders zou er zo geen zware straf aan vasthangen” – maar als een algemene trend. Wanneer we nog een stap verder kunnen gaan, en solidariteit organiseren (onder de vorm van een brief, petitie of werkonderbreking), zullen onze syndicale organisaties ook automatisch een assertievere houding aannemen bij de verdediging van betichte collega’s.[9]

Op een meer politiek niveau moeten we inzien dat toenemende repressie hand in hand gaat met de besparingspolitiek waardoor de NMBS net als andere publieke sectoren en sociale verworvenheden onder vuur ligt, en dat verzet tegen de repressie dus ook niet los staat van de strijd tegen de besparingspolitiek. Voor een overheid en het management van haar publieke bedrijven zal het immers een bewuste strategie zijn om de werknemers van “beter beschermde” sectoren eerst individueel trachten te ondermijnen, vooraleer collectieve aanvallen, zoals op het statuut, in te zetten. Ook daarom hebben de erkende organisaties er alle belang bij om niet te lichtzinnig om te springen bij aanwijzingen van strenger optreden van de directie.

Hopelijk kan deze inkijk op de interne keuken van de NMBS een bijdrage leveren aan de mobilisaties tegen de sociale afbraakplannen van onze publieke sector: voor het behoud van statuut in alle sectoren, voor respectabele werkomstandigheden, voor een degelijke verloning en koopkracht, voor publieke diensten in het belang van de burgers en het milieu, tegen vermarkting van alles en de dogma’s van de besparingen.

Noten

[1] Er zijn uiteraard al concrete veranderingen na de opsplitsing tussen Infrabel en NMBS, werknemers die daardoor van afdeling veranderd zijn, bijvoorbeeld de omroepers op de seinhuizen.

[2] Niet dat onze federale overheden daar een andere richting zouden in uitgaan. De wet op de autonome overheidsbedrijven, in 1991 gestemd toen Di Rupo minister van transport was, zette de deur open voor de ontmanteling van de Post als publiek bedrijf. De strikte opsplitsing tussen Infrabel en NMBS was geen eis van de Europese instellingen, er moest enkel de voorwaarden geschapen worden om andere vervoersmaatschappijen toe te laten. Waar Frankrijk en Duitsland juridisch bezwaar maakten tegen een strikte opsplitsing van tussen hun infrastructuur en de vervoersmaatschappij, wilde de Belgische regering eerder de beste leerling van de Europese klas tonen door nog een stapje verder te gaan dan de Europese richtlijnen.

[3] In het bedrijfsblad van maart 2015 wordt er ook een verband gesuggereerd tussen dalende stiptheid en stakingen, dat echter niet wetenschappelijk hard gemaakt kan worden.

[4] Ook de regering Di Rupo was een duidelijke besparingsregering, die bijvoorbeeld de toelage voor de NMBS met 50 miljoen per jaar verminderde, maar ze schreeuwde het minder van de daken. De besparingsdwang vanuit Europa is misschien ook één van de redenen waarom het zolang duurde vooraleer het kabinet Di Rupo tot stand kwam: een regering die openlijk moet toegeven dat ze het geld bij haar burgers moet gaan halen zal vanzelfsprekend weinig enthousiast zijn om aan haar taak te beginnen. De regering Michel heeft dan het voordeel dat de ban al wat gebroken was.

[5] Een passage in “Het Spaanse Spook” van Suske en Wiske toont treffend aan hoe militaire bevelen van boven naar onder over verschillende stadia een steeds dwingender of repressiever karakter kunnen krijgen. De generaal van het Spaanse leger (ten tijde van de bezetting onder de hertog van Alva) vraagt aan zijn veldmaarschalk om een versperring uit te weg te ruimen. Wanneer de bevelen naar onderen via de kolonels, luitenants, kapiteins en sergeanten bij het voetvolk aanbeland zijn, is het van “pummels, is die versperring nog altijd niet uit de weg geruimd!!”

[6] In tegenstelling tot wat vaak in de heersende media wordt geponeerd, dat vakbonden moeten “meegaan met hun tijd”, waarbij meestal bedoeld wordt dat ze hand in hand met de bedrijfsleiding een strategie moeten uitwerken om hun onderneming staande te houden in een flexibele, geglobaliseerde arbeidsmarkt waar het just-in-time-principe dominant is.

[7] Een mogelijk probleem is dat syndicale vertegenwoordigers niet gewend zijn om hard tegen het management in te gaan, omdat ze een zekere affiniteit hebben of gemeenschappelijke belangen delen met de vertegenwoordigers van de werkgevers. Een frappant voorbeeld daarvan is Michel Bovy, die van naar vakbondssecretaris naar een kaderpost binnen de NMBS promoveerde. Binnen vakbondskringen wordt het vaak verdedigd dat het beter is om zo iemand te hebben op die post dan iemand anders, omdat hij “onze gevoeligheden” zou kennen.

[8] De verklaringen in de pers van Cornu over nalatigheid en te veel verlofdagen van het personeel, hebben onze vakbonden daarom niet ideaal aangepakt. Ze hebben gereageerd met de opschorting van het sociaal overleg, in afwachting van publiekelijke excuses. Cornu heeft die echter nooit aangeboden, maar het overleg is zonder voorwaarden wel hervat. Het is niet verwonderlijk dat de directie zich nadien gesterkt voelt om haar repressief beleid tegenover het personeel uit te breiden. (De vakbonden hebben immers getoond dat ze blaffen maar niet bijten.)

[9] Die solidariteit voor een geviseerde collega, en collectieve reactie tegen een straf, is geen overbodige luxe. Het risico is immers dat een tuchtmaatregel de collega eeuwig kan blijven achtervolgen: zelfs wanneer de plooien tussen de gestrafte collega en zijn directe oversten al lang gladgestreken zijn, kan (en zal) de HR-afdeling nog steeds verwijzen naar een feit in het verleden om bij een volgende misstap zwaar te sanctioneren. We mogen daarom niet in de val lopen van “teken maar snel je akkoord met deze straf, dan ben je nadien gerust. Het is maar een lichte straf, je komt er nog goed van af en het is toch niet de moeite om hiertegen te procederen.”

by-nc