Gatz: Creatief met slecht bestuur

unnamed

Petra Van Brabandt & Robrecht Vanderbeeken 

Tijdens de zomervakantie besliste minister Gatz over de projectsubsidies voor kleine organisaties en

individuele kunstenaars.

In maart vroegen 150 kleine organisaties samen 5,9 miljoen aan om hun projecten te financieren. De

beoordelingscommissie en administratie beoordeelde hiervan 70 organisaties artistiek en zakelijk positief, dit

voor een geadviseerd bedrag van 2,4 miljoen. Van individuele kunstenaars kwamen er 130 aanvragen voor

een totaalbedrag van 2 miljoen binnen. De commissie beoordeelde 59 kunstenaars dubbel positief, voor een

geadviseerd bedrag van 800.000. De minister zette echter de schaar in deze adviezen en besliste 29

organisaties samen 1 miljoen te geven en voor 21 kunstenaars 300.000 op zij te zetten. Deze positieve

beslissingen betekenen evenwel niet dat de minister voor deze 29 organisaties en 21 kunstenaars de

beoordelingscommissie volgt; bij de gelukkigen wordt danig beknibbeld op het geadviseerde bedrag. Deze

drastische inperking van projectsubsidies tegen de beoordelingscommissie en administratie in is ongezien.

Wat ook ongezien is, is hoe de minister in tijden van financiële schaarste de vrijheid nam om 7 negatieve

adviezen toch om te zetten in een positieve beslissing. (http://www.rektoverso.be/artikel/de-

projectsubsidies-zijn-weer-de-pineut)

Reacties bleven niet uit. Na de actie van HOOGTIJd tijdens TAZ, het theaterfestival in Oostende, nam het

kunstenaarsplatform State of the Arts en de belangenbehartiger voor de beeldende kunstenaar, NICC, het

initiatief voor een open brief, gesteund door ruim 400 medeondertekenaars, ACOD Cultuur, Hart boven Hard

en Kunstenoverleg oKo. (http://www.dewereldmorgen.be/artikel/2015/08/24/de-kunstenwereld-roept-

gatz-op-tot-wijziging-mentaliteit) De open brief wijst ondermeer op de volgende drie zaken.

Ten eerste slaagt de minister er niet in, ondanks zijn intentieverklaringen in pers en visienota, om een

substantieel deel van het budget voor het kunstendecreet voor projectsubsidies te vrijwaren. Op een

totaalbudget voor cultuur van 450 miljoen gaat 150 miljoen naar het kunstendecreet. Na de huidige

beslissingsronde is het duidelijk dat de minister daarvan in 2015 slechts 4,8 miljoen (3,4%) aan kleine

kunstenaars en organisaties spendeert. Dit komt in de verste verte niet overeen met de 10% die kunstenaars,

het kunstenveld en het Kunstendecreet verdedigen. Een minimum aan realisme stelt dat zelfs deze 10% norm

amper tegemoet komt aan de veranderende artistieke context. We noteren de armoedeval van ‘producerende’

kunstenaars, de nieuwe werkvormen en samenwerkingsverbanden in o.a. werkplaatsen, de eigen-huis-eerst

pragmatiek waarmee sommige kunstinstellingen reageren op de overheidsbesparingen en de nefaste effecten

hiervan op de arbeidsmarkt voor kunstenaars, en het belang van een gezonde en brede artistieke basis.

Ten tweede, doordat de minister besliste om aan de projecten die subsidies krijgen minder middelen te

besteden dan was geadviseerd, trekt hij in één beweging de expertise en het zakelijk inzicht van zijn

adviseurs in twijfel en slaat hij alle berichten over de armoedeval bij producerende kunstenaars in de wind.

Ten derde vraagt men de minister waarom hij in tijden van crisis toch van vrijgevigheid getuigt ten aanzien

van 7 negatief geadviseerde projecten: tegenspraak troef, enerzijds zouden de middelen ontoereikend zijn om

een groter aantal dubbel positief beoordeelde projecten te ondersteunen, anderzijds neemt hij de vrijheid om

tegen de adviezen in sinterklaas te spelen. Welke ‘ranking’ heeft hij hier voor aangewend?

Het antwoord van de minister op deze open brief spreekt boekdelen. http://www.demorgen.be/opinie/een-

brief-van-sven-gatz-subsidies-geven-is-geen-kunst-beleid-vraagt-tijd-a2429914/

Het bevestigt drie bestaande problemen van zijn beleidscultuur.

Sofisme. De minister gaat in zijn brief niet in op de terechte vraag naar transparantie over de verdeling van

de middelen binnen het budget voor het kunstendecreet, noch op de vraag naar een structurele verhoging van

het aandeel projectsubsidies binnen dit budget. Wat doet hij wel? Hij verwijst in lyrische termen naar het

totale budget voor “cultuur” en naar het rijke aantal cultuurinstellingen in Vlaanderen, en herinnert ons aan

de algemene besparingen opgelegd door de regering. Dat het totale budget voor cultuur met 5% verminderd

is, is echter oud nieuws en was helemaal niet het onderwerp van discussie in de open brief van de

kunstenaars. Zelfs dat op het budget voor het kunstendecreet relatief meer bespaard is (7,5%) dan op het

totale budget voor cultuur (5%), werd in deze brief niet op ingegaan. De focus lag op het gebrek aan

transparantie en op de wanverhouding van de besparingen binnen het budget voor het kunstendecreet, de

verdeel-en-heers, zeg maar. Dit betreffen beleidsbeslissingen binnen de bevoegdheid van de minister, en

geen politieke beslissingen van de regering, zoals de minister verkeerdelijk suggereert. Met de pompeuze

“crisis-maar-groots-cultureel-Vlaanderen” retoriek, loopt de minister in een cirkel rond een daadwerkelijk

overleg met zijn gesprekspartners heen. Op de echte vragen komt geen antwoord: Neemt de minister de

artistieke praktijken van kleine organisaties en individuele kunstenaars ernstig? Wanneer komt er

transparantie over het aandeel van de projectsubsidies in het gehele budget voor het kunstendecreet? Welk

percentage wordt de streefnorm voor de komende subsidierondes? En waarom wordt er op de

projectsubsidies zoveel meer bespaard dan op pakweg de instellingen?

Zijn sofisme stopt hierbij niet, een tweede bekende medley van minister Gatz is zijn piste van alternatieve

financiering: de kunstenaar moet stoppen met klagen en op zoek gaan naar alternatieve financiering. Meer

nog, de minister zal hem hierbij in de nabije toekomst een duw geven met het creëren van allerlei dubieuze

tax shelter structuren. Hier creëert de minister bewust een verkeerd beeld van de zakelijk positief

geadviseerde projecten. Helaas kunnen weinig projecten vandaag nog gerealiseerd worden exclusief op basis

van projectsubsidies. In het zakelijk plan van de aanvragen staan de externe financiële bronnen al vermeld

en deze wegen mee in de zakelijke beoordeling van een project. De alternatieve financiering die minister

Gatz als oplossing voorstelt, is dus al deel van de realiteit. Kortom, stellen dat projecten die minder dan de

geadviseerde middelen kregen maar elders financiering moeten vinden, is een aanfluiting van alle

initiatieven die organisaties en kunstenaars al ondernemen. Ze hebben al elders naar geld gezocht, en precies

daarom hebben ze ook een zakelijk positief advies gekregen.

Volksbedrog. In zijn weerwoord suggereert de snerende minister dat de klachten van de “kunstenaars en

andere petitioneerders” geen democratisch draagvlak hebben; met zijn repliek doet hij er alles aan om dit

draagvlak onderuit te halen. En dit terwijl uitgerekend de minister het best geplaatst is om de impact van

cultuursubsidies in het totale overheidsbudget te relativeren. Het is duidelijk dat zijn antwoord niet

geschreven is om de discussie met “kunstenaars en andere petitioneerders” aan te gaan, maar om de publieke

opinie te bespelen.

De retoriek van minister Gatz wordt ondersteund door ontransparante communicatie en strategisch

dubbelzinnig taalgebruik. We wezen er al op hoe hij probeert de indruk te wekken dat deze kunstenaars geen

externe middelen zoeken en hun lot laten afhangen van subsidies. Het zaaien van verwarring tussen het

budget voor cultuur en het budget voor het kunstendecreet is een vergelijkbare zet: de minister gaat ervan uit

dat de publieke opinie het verschil tussen beide toch niet kent, laat staan dat ze zicht hebben op de posten

binnen het kunstendecreet. Dit maakt dat hij kan stellen dat hij in 2015 al ‘556 projectsubsidies toegekend

(heeft), verdeeld over 264 kunstenaars en 292 organisaties’. Ronkende cijfers, maar hij gooit hier wel alle

subsidies op één hoop en heeft het niet over de specifieke projectsubsidies waarvan sprake in de open brief.

Daarnaast kiest hij wijselijk om het aantal projecten in plaats van de totale som te vermelden, een cijfershow

dus, en spreekt hij al helemaal niet over verdeelsleutel, verhoudingen en relatieve bedragen. Ook in de

communicatie rond de beslissingen van deze zomer mist het de minister en zijn communicatiemedewerkers

aan transparantie. In zijn repliek stelt de minister dat het geld op is, eerder stelden zijn medewerkers dat er

nog geld opzij gezet is voor internationale projecten, even later werd ook dit weer ontkend.

Wanbeleid. Een dergelijk gebrek aan transparante en coherente communicatie is slechts een eerste teken van

slecht bestuur. Helemaal door de bocht ging minister Gatz met het opvissen van negatief beoordeelde

projecten. Het toont ten eerste een gebrek aan vertrouwen in zijn adviseurs; goed bestuur kenmerkt zich door

enkel in hoogst uitzonderlijke, transparante en democratisch gelegitimeerde omstandigheden af te wijken van

het advies van beoordelingscommissies. In tijden van besparingen en zuinigheid, waar de minister ons

trouwens in elke communiqué aan herinnert, wekt deze handelswijze bovendien een schijn van willekeur en

partijdigheid die strijdig is met elke vorm van goed bestuur. In zijn repliek heeft minister Gatz zich niet de

minste moeite getroost om zijn beslissing te motiveren en deze schijn te counteren met duidelijke feiten,

bedragen, en argumenten.

Een laatste punt van slecht bestuur is meer fundamenteel. Door te snijden in de geadviseerde bedragen trekt

de minister niet alleen het zakelijk inzicht van zijn adviseurs en administratie in twijfel, maar stuurt hij ook

een bedenkelijk boodschap de wereld in. Minister Gatz onderschrijft de visie dat de kunstenaar zichzelf maar

moet uitbuiten. Een loon, een inkomen, een correcte vergoeding is teveel gevraagd; subsidies dienen om verf

te kopen en medewerkers te betalen. Dit getuigt van een onaanvaardbare visie: kunstenaarschap als

uitzondering op arbeid, arbeidsbescherming en arbeidsrecht. Die visie gaat hand in hand met een

opportunistisch doorschuiven van de kunstenaar naar de sociale zekerheid. Wanneer een kunstenaar budget

tekort komt, zoals het geval zal zijn in de gehonoreerde projecten, dan zal zij haar project natuurlijk niet

opbergen. Zij zal eerst haar materiaal en medewerkers betalen, en zich nadien genoodzaakt zien een

werkloosheidsuitkering aan te vragen. Het oneigenlijke ‘kunstenaarsstatuut’, zoals dit in de volksmond heet,

betekent niet meer of niet minder dan dat de kunstenaar werk verzet waarvoor zij niet correct vergoed wordt

en de sociale zekerheid het tekort voor huur en supermarkt bijpast. Met het beknibbelen op correct berekende

geadviseerde bedragen geeft de minister het signaal dat deze uitbuiting acceptabel is, en speelt hij meer nog

dan zijn voorgangers de verantwoordelijkheid door naar de sociale zekerheid. Als overheidsdepartementen

elkaar de verantwoordelijkheid doorschuiven, heet dat duidelijk slecht bestuur. De minister beloofde de

correcte verloning en respect voor de arbeid van de kunstenaar te verdedigen en uit te dragen. De visie die hij

in zijn repliek op de open brief bevestigt, is dat je aan kunstenaars altijd een beetje minder kan geven dan

wat ze verdienen. Dit is nefast voor een cultuur waar uitbuiting van de kleine kunstenaar eerder regel dan

uitzondering is.

Petra Van Brabandt is filosofe en werkt bij Sint-Lucas Antwerpen

Robrecht Vanderbeeken is filosoof werkt bij De Groene Waterman, een huis voor boeken, ontmoeting en

cultuur

by-nc

by-nc