State of the Arts voert cultuuroppositie van onderuit

ScreenHunter_82 Nov. 26 16.56

Robrecht Vanderbeeken 

In de artistieke werkplaats W-o-l-k-e in Brussel vormden een 70tal kunstenaars een kring, er werd heerlijk gekookt, en binnen een strikte planning volgenden zes kritische interventies elkaar op. Einat Tuchman en Gosie Vervloessem maakten bij de verwelkoming meteen de strijdbare verhouding duidelijk: ‘onze harten zijn vandaag bij de fietseling van Hart boven Hard tijdens de staking in Antwerpen’.

Dit overleg was allerminst een rondje lobbyen voor eigenbelang in een achterkamertje, wel een officiële gelegenheid voor kunstenaars om als burger hun stem aan deze regering te laten horen. State of the arts voert al ruim een jaar strijd. Dat de minister hen nu serieus neemt, is iets dat ze afgedwongen hebben door hun initiatieven. Hier sprak bovendien het hart van de cultuursector. Want zonder kunstenaar, geen kunst en dus geen kunstenwereld. Daarmee zat dit overleg op de hartslag van de maandagstaking, die opnieuw duidelijk maakte dat de werkende mens de motor achter de economie is.

De vergelijking loopt nog verder: zoals Hart boven Hard haar Alternatieve Septemberverklaring aan MP Bourgeois I overmaakte, zo deelde State of the arts die avond eigenlijk haar ‘Alternatieve nota Cultuur (2014-2019)’ mee: geen besparingen, geen vermarkting maar een openbare cultuursector waarin kunstenaars en cultuurliefhebbers centraal staan. De Cultuurminister wil zijn beleid tegen april concretiseren. Nu heeft hij er naast het nieuwe Kunstendecreet en zijn beleidsnota een belangrijk document bij: de visie van de oppositie van onderuit. Hierbij een verslag van het overleg. Een geluidsopname van de avond vindt u hier.

We are calling’

 

Besparingen zouden noodzakelijk zijn? Kobe Matthys opende zijn interventie met de opmerking dat dit een dooddoener is, evenzo de logica dat er geen alternatief zou zijn. Toch wil State of the arts het debat omdat er in de beleidsplanning alarmerende zaken staan. Ze trekken aan de alarmbel – We are calling –  zoals ze dat ook al aan het parlement deden deze zomer. De diversiteit van de kunsten is in gevaar en daar is iedereen het slachtoffer van. Gatz repliceerde ontwijkend, voelde zich niet aangesproken. Als op het einde van rit blijkt dat zijn beleid niet deugt, zo stelde hij, moesten we maar niet op hem stemmen. Petra Van Brabandt repliceerde laconiek dat we nu ook niet op hem konden stemmen, hij kwam immers niet op met de verkiezingen. Hij zit bij toeval op deze post.

De interventie die er op volgde, kon Gatz nog moeilijk ontwijken: Diederik Peeters zette zich naast de minister en las hem vriendelijk maar kordaat een brief voor. Een relaas over de dubbele klap die de kunstenaar kreeg. Naast de besparingen op het beschikbare kunstenaarsbudget zullen ook de besparingen op de instellingen aan de kunstenaar doorgerekend worden.

Een zakelijk leider als Stefaan De Ruyck (Vooruit) benadrukte dat in zijn opinie De kunstenaar zelf ligt op het kapblok (DS, 24/09): besparen op structurele werking is bijzonder moeilijk, de kunstenaar is daarentegen een variabele kost. Omdat de situatie van de kunstenaar vandaag zo precair is, deed Peeters meteen een paar rake constructieve voorstellen. Iets dat vandaag bovenaan op het politieke agenda moet staan: de sociale zekerheid van de kunstenaar. Want zoals het er nu naar uit ziet, staat het kunstenaarsstatuut vanaf januari op de helling.

Gatz schoot vervolgens even van de pedalen met het antwoord dat hij bijvoorbeeld ook bij Jeugd moet besparen. Kunstenaars moeten dus niet denken dat zij alleen het slachtoffer zijn. Hij voegde er aan toe dat we hopelijk niet de hele avond over geld zouden praten. Een bizarre reactie, want besparen op de jeugd is evengoed een probleem en als je niet met de bevoegde minister over besteding van middelen kan praten, met wie dan wel?

Maar Gatz herpakte zich: wat die ‘fitness’ betreft, om terug te komen op iets dat hij in een interview met Walter Trio verklaarde (Klara, 27/09), daarmee bedoelde hij niet dat de sterkste of de rijkste wint. Het kon ook de origineelste zijn. Hij nam de KVS als voorbeeld. Opmerkelijk, want dit cultuurhuis ondergaat nu een zware besparing en wordt in het regeerakkoord bij naam geviseerd: het zou meer Vlaamse vlag en wimpel moeten worden.

De interventie van Linda Suy, vervolgens, haakte hier met een knappe metafoor handig op in: eerder dan fitness is er permacultuur nodig. De kunsten zijn een ecosysteem, geen monocultuur waar je zomaar wat kan ploegen, zaaien, sproeien en oogsten. Soms duurt het jaren vooraleer er een rijk, veerkrachtig weefsel groeit. Door kranen dicht te draaien, zet je meer droog dan je lief is. Het marktdenken van het Angelsaksisch model daarentegen, staat gelijk aan een aversie voor artistiek risico, het botst met democratische controle en betekent sowieso een verlies aan sociale en maatschappelijke focus.

Kate MacIntosh voegde er later fijntjes aan toe dat ze in het verleden het Angelsaksisch model persoonlijk al in andere landen heeft mogen ondergaan: ‘misery starts when business is becoming the curator.’ Het beste bewijs dat dit model niet werkt, zou volgens haar de meeting zelf zijn: de vele internationale aanwezigen zijn ‘culturele asielzoekers’ die samen met andere kunstenaars in Brussel nog wel kunnen realiseren wat elders al lang onmogelijk werd. Het resultaat is een diverse mix uit alle hoeken van de wereld. En diversiteit, zo stelde de minister terecht, daar moet toch aan gewerkt worden?

Het nieuw Kunstendecreet is slechts een basis voor overleg

 

Suy wees er tevens op dat het ondemocratisch is om het nieuwe Kunstendecreet als een voldongen feit te zien. Het zit vol valkuilen, je kan er alle kanten mee op. Overleg is nodig met alle betrokkenen. Dat is een cruciaal punt dat An De Bisschop (Demos) ook al benadrukte in een stevig opiniestuk De berg komt wel naar Mozes!, dat ze als reactie op een schuine column van Tom Naegels schreef, maar dat De Standaard blijkbaar weigerde. Te kritisch wellicht, voor de Ombudsman dan. Over de nood aan zelfkritiek gesproken…

Be aware: onder de camouflage van mooie progressieve ideeën over diversiteit bevat het nieuwe Kunstendecreet heel wat Trojaanse paarden, waarmee de uitverkoop van de sector meteen zijn beslag vindt. Een ‘cross-over’ met creatieve industrie? Ook dat wordt tegenwoordig verkocht onder het mom van een schottenloos en divers cultuurbeleid. Suy benadrukte hoe dit decreet de grote instellingen nog meer zal bevoordelen. De Bisschop wijst daarenboven op het nefaste neoliberale karakter van het beoogde beoordelingssysteem. Zonder deze waakzaamheid zet het decreet de deur open voor de stille overname door de markt.

Het voorlopig goede nieuws is dat Gatz aangeeft dat we daar inderdaad nog over moeten praten. Afgaande op zijn beleidsnota echter, en met N-VA als partner, valt het zeker te vrezen dat vooral de hefbomen voor een rechtse en marktconforme cultuurpolitiek, die dus in dit decreet al klaar zitten, benut worden en andere niet.

Suy gaf voorts aan dat de kunstensector als ecosysteem evenzeer impliceert dat er sommige initiatieven artistiek uitgebloeid geraken. Het decreet riskeert daarentegen instellingen in stand te houden die beter zouden ‘uitstromen’. Dat ontlokte aan Gatz de bedenking dat het moeilijk is die keuzes te maken. Als minister krijg je dan kritiek over je heen.

Myriam Van Imschoot was het daar terecht mee oneens. Wie de adviezen van de beoordelingscommissies bekijkt, merkt dat de sector wel degelijk aan zelfkritiek doet en jaar naar jaar moeilijke aanbevelingen maakt over wat moet blijven en wat niet. Helaas overrulen ministers dat steeds vanuit partijpolitieke dienstverlening, met als gevolg een sector die uitwassen en staartgroei kent. De minister moet dus helemaal geen nefaste kaasschaaf hanteren, maar gewoon de adviezen van de sector zelf ter harte nemen. Dat democratisch werk is de vorige jaren al gedaan, hij kan dat zo overnemen.

Nog voorlopig goed nieuws: op de vraag van Bart Vandenput wat er met de provinciale cultuurwerking zal gebeuren, antwoordde Gatz dat die middelen na het afschaffen van de provincies niet verdwijnen maar overgedragen zullen worden: ‘you can quote me on that’. Christophe Meierhans deed een reeks strategische voorstellen voor een beter cultuurbeleid zonder daarbij het belang van de publieke ondersteuning van de kunsten te ondermijnen of kunst te verwarren met entertainment of creatieve industrie. Gatz vond het voorwaar interessante ideeën die hij zeker wil overwegen.

Katrien Reist, ten slotte, wees op de meerwaarde van de collectieve werking eigen aan artist-run organisaties. Ook de kunst heeft een economie, maar ze is daarom nog geen economie. Dat is een essentieel inzicht dat vandaag fel onder druk staat. De alternatieve modellen van samenwerking, kennisontwikkeling en creatie die kunstenaars onderling ontwikkelen, bieden waardevolle rolmodellen of prefiguraties voor een andere huishouding van onze toekomstige samenleving. Dat gaat niet over verkoopbare output, wel over innovatief sociaaleconomisch veldwerk.

En wat zou Gatz er van vinden om in de driehoek die de sector is, met instituten aan de top en kunstenaars aan de basis, de rollen eens om te keren? Geef de basis eens de middelen en laat instituten hun best doen om de kunstenaar ervan te overtuigen om met hen samen te werken? Kortom, binnen het beschikbare budget kan Gatz in principe wonderen doen. Het is een kwestie van willen.

Het democratisch conflict

 

Even een stap terug. In tijden van drastische besparing, die zonder overleg dictatoriaal werden opgelegd, en een beleidsnota die ontegensprekelijk wil inzetten op de vermarkting, zou je verwachten dat kunstenaars en hun organisaties passen voor overleg. Ook de kater van het ‘cultuurforum’ van voormalig minister Schauvliege speelt mee: zij verzamelde de sector in een kring voor een ‘allemaal-samen-strategie’, om daarna het overleg danig te rekken zodat uitputting intrad, om dan uiteindelijk eenzijdig de ministeriële beleidsnota door te drukken. Niet opnieuw. Het vertrouwen is weg.

Voor kunstenaars was het overleg met Gatz opschorten strategisch echter geen optie, om de eenvoudige reden dat ze nog niet aan de onderhandelingstafel uitgenodigd waren. Dat ligt nu anders: minister Gatz kent hun eisen en mag zich aan reacties en acties verwachten als blijkt dat ook hij wil ‘discussiëren’ voor de schone schijn.

Het pleit voor de minister dat hij zijn avond vrijmaakte en beloofde om open te staan voor een vervolgoverleg. Als zijn legitimiteit als kunstliefhebber en democraat hem dierbaar is, dan kan hij State of the arts simpelweg niet negeren. Hun protest loont: ze wisten kunstenaars te mobiliseren om samen stapsgewijs hun conflict met deze regering op scherp te stellen, en vinden bij elkaar de stimulans om pacifisme en defaitisme te overwinnen.

Dat is niet alleen sterk maar ook belangrijk, want zij representeren de bron sector. Inzake cultuurpolitiek zijn zij de eigenlijke oppositie van onderuit. Laten we ons dus zeker niet misleiden door de fameuze commissie Cultuur in het parlement. Van de 15 leden bevat die slechts 3 oppositiestemmen. Daar kunnen we dus vooral veel theater voor de tribune verwachten. Beleidstechnisch kan Gatz er met een knip zo elk beleid gestemd krijgen zolang hij N-VA op hun wenken bedient. Er zal alleen sprake zijn van echte democratie, zonder mediagenieke cosmetica, als de minister rekenschap geeft aan de eisen van kunstenaars.

To be or not to be: ministeriële legitimiteit?

Legitimiteit is de minister dierbaar. Dat blijkt uit het feit dat Gatz de vergelijking met de Nederlandse kaalslag die avond afwees. Hij is naar eigen zeggen Zijlstra niet, want de sanering is minder zwaar en het klopt niet dat hij er op aanstuurt dat kunstenaars en hun instituten maar een oplossingen binnen de markt moeten zoeken. Want in tegenstelling tot Zijlstra, zegt Gatz dat hij wél naar publiek geld wil zoeken.

Die tegenargumenten hangen helaas als een ballon te zweven aan een draadje, zo licht zijn ze. Want de Vlaamse besparing is misschien minder zwaar, het Vlaamse budget lag in vergelijking met het Nederlandse budget al veel lager, onderging al menige kaasschaaf en onze kunstensector is al jaren niet geïndexeerd. De Vlaamse besparing is er bovendien een van meerdere fronten. Vervolgens, met zijn voorkeur voor het Angelsaksische model kiest Gatz wel degelijk voor vermarkting – zijn beleidsnota is op dat punt historisch en du jamais vu. Hij mag dan wel de intentie hebben publiek geld te zoeken, mooi, daar zijn vooralsnog geen vooruitzichten op.

Het enige verschil zit dus in de attitude: Zijlstra sprong op de kar van de apathie jegens de kunstwereld, die bij een breed publiek ook vlot gecultiveerd werd door de grote media aldaar. Gatz wil daarentegen zijn gezicht niet verliezen en naar eigen zeggen wél iets betekenen voor de sector.

Toch is hij functionaris in een regering die zich duidelijk tegen de kunstwereld keert. Toch heeft hij nog geen enkele toegeving op de besparingen gedaan. Integendeel: met de cultuurnota kiest hij duidelijk voor de verdere uitverkoop. Gatz zal dus wat beter aan de façade moeten werken. Om maar iets te zeggen, waarom reageert de minister eens niet op hoe De Standaard recidiveert in hun rancuneuze beeldenstorm tegen de cultuursector?

Een week na de stomp in de maag van Tom Naegels deed die krant het gestamp nog eens over: als opwarmer voor het interview met Gatz’ medewerker Sigrid Bousset stelt journalist Filip Rogiers dat in de tijd van Eric Antonis en Antwerpen 93 alles nog wel prima was: “het leek toen alsof kunst de wereld nog kon redden, vandaag is de vraag eerder: kan de kunst zichzelf wel redden? Zou ze niet beter eerst bewijzen wat ze waard is, voor ze over korting op subsidies begint te klagen? Dat alles van waarde weerloos is: zelfs kunstenaars beginnen er van te geeuwen.” ( DS Weekend, 22/11).

Je kan niet beweren dat je met dergelijke cynische tussendoortjes nog een mediadebat wil voeren. Het is de georganiseerde vernedering met het oog op heksenjacht. Alleszins een gemiste kans voor een Cultuurminister die zijn cultuurliefde wil duidelijk maken, wars van een Big Beer business discours.

Kortom, de kunstwereld is samen met Hart boven hard vertrokken voor een lange cultuurstrijd en zal nog veel harder op haar strepen moeten staan. Het is een hart- en zielenstrijd waarmee ze ook zichzelf kan heruitvinden.

by-nc

Advertenties

Het kapitalistisch realisme van Bourgeois I

ScreenHunter_74 Nov. 19 16.40

 

Robrecht Vanderbeeken 

Aantonen dat onze Vlaams beleid inzake ideologie ver heen is, kan eenvoudig zijn. De filosoof Mark Fisher werd bekend met zijn boekje Capitalist Realism waarin hij een diagnose maakt van de ziekte van onze tijd: hoewel de kapitalistische organisatie van onze economische huishouding een keuze is, want het gaat om mensen die beslissen dit zo te doen, beschouwen we het als een onontkoombaar natuurfenomeen. Er zou domweg geen alternatief voor zijn.

Dat maakt het beleid dat onze bestuurders voeren tot wat ‘postpolitiek’ heet, omdat dit beleid ideologisch vanuit een pensée unique vertrekt. De mooie vormgegeven en kleurrijke staalkaart aan politieke partijen blijken immers vele kleuren grijs te zijn. Het gaat in ideologisch opzicht om een opvallend smalle bandbreedte.

Neem vervolgens de beleidsnota ‘Algemene omgevingsanalyse voor Vlaanderen bij de hand. Dit document omschrijft hoe de huidige Vlaamse regering de wereld wil zien. Het wereldbeeld, zeg maar, waarop ze hun beleid zullen uitzetten. Daar staan veel merkwaardige zaken in. Scrol vervolgens ineens door naar de conclusie en stel vast hoe het bespaar- en vermarktingsbeleid dat de regering wil doordrukken (als we er niet in slagen ze te doen vallen…) wordt voorgesteld.

Ze noemen het een ‘verzelfstandiging’. Klinkt beter, want we zijn ten slotte toch geen kleuters. Het zou om een fenomeen gaan dat zich in de toekomst zal voltrekken. Een beetje zoals de seizoenen, of eb en vloed. Het is uiteraard naïef om tegen die ‘realiteit’ in te gaan. Het is ook treffend om lezen dat ‘de crisis’ hier als een persoon of instantie wordt voorgesteld die voor ons een bepaald beleid verkiest. Leest u even mee?

Onder ‘3.2 VOORUITZICHTEN’ lezen we: “Vanuit een recente analyse van het verzelfstandigingsbeleid in dertig landen (Verhoest e.a., 2012) detecteert Verhoest (2012) drie belangrijke trends die waarschijnlijk een weerslag zullen hebben op het verzelfstandigingsbeleid in Vlaanderen. In de eerste plaats blijkt het erg moeilijk om verzelfstandigde organisaties op eenduidige manier aan te sturen. Daarnaast dwingt de crisis ertoe om meer en intenser samen te werken tussen departementen, agentschappen en andere organisaties. Verder spelen er veel meer factoren dan verzelfstandiging om te komen tot een goed en performant bestuur.

Daarmee samenhangend zullen ook de samenwerkingen met de privésector verder toenemen en intensifiëren. De grote maatschappelijke uitdagingen, de immense financieringsbehoeften en de noodzaak om te innoveren en tot meer efficiëntie te komen bij de realisatie van publieke taken, zijn daar niet vreemd aan (Europese Commissie, 2009). Er kan worden verwacht dat de thans gehanteerde technieken en vormen van publiek-private samenwerking die de afgelopen jaren zeer matuur zijn geworden, zullen evolueren. Verhoest (Verhoest, 2012) ziet drie trends waarlangs pps zich de komende jaren zal ontwikkelen.

In de eerste plaats zal pps verder aan belang winnen op het lokale niveau en zal het voor kleinere en lokale projecten belangrijk blijven. Verder zal vooral de financiering (lenen, betalen, waarborgen …) het grootste pijnpunt of de grootste struikelblok zijn in tijden van financiële en economische crisis.

Ten tweede is te verwachten dat er een diversificatie van pps zal komen, zowel naar vorm, sectoren als financieringswijze. Tot nog toe berusten veel vormen van pps in belangrijke mate op private financiering, maar door de financieel-economische crisis is dat minder evident geworden.

Ten derde is een verdere standaardisatie noodzakelijk opdat pps ook aantrekkelijk is voor kleinere projecten, maar moet er op sommige vlakken (zoals bij contracten) toch aan maatwerk worden gedaan. Waar dus op het gebied van verzelfstandiging kan worden verwacht dat in de toekomst minder zal worden ingezet, zal het belang van publiek-publieke en publiek-private samenwerking en afstemming toenemen.”

Bon, u hoort het: professor zonnebloem is langsgegaan bij madam soleil. Het enige wat we nog moeten doen is een sterrenkijker bovenhalen en naar de lucht staren. Vaststellen hoe de privatisering uit de lucht zal vallen, hoe er privaat-publieke constructies als sterren aan de hemel zullen verschijnen en hoe daar het sterrenbeeld van de melkkoe in te ontdekken zal zijn. Want ‘de crisis’ wil dat wij, de gemeenschap, die noodlijdende privaatpublieke hemellichamen wat meer van ons sterrenstof toewaaien, ‘zuurstof’ blazen, vanuit de kant van het publieke.

Voila. Laten we al die mediadebatten nu maar opschorten en op het strand gaan wandelen. Doe toe, die parlementen met al dat ‘onfatsoenlijk’ geruzie. Al die democratische schijn is eigenlijk blasfemie, want het staat toch al in de sterren geschreven. De goden hebben het zo beslist. Wees gegroet, vol genade, zonder amen.

by-nc

 

De culturele proleet

Robrecht Vanderbeeken

Afbeelding

Een verzameling musea, waaronder M HKA Antwerpen, kreeg onlangs van de Europese Unie een zak geld voor een samenwerking rond thema’s als ‘Europese identiteit’ en zoiets als ‘revolutie’. Deze museumconfederatie kreeg daarom meteen de naam ‘L’Internationale’ mee, een vette knipoog naar het strijdlied van de arbeidersbeweging. Nochtans gaat het hier duidelijk niet om ‘de bevrijding’ van de kunstenaar maar om het zelfbehoud van een exclusieve en toevallige groep instituten – sommigen weliswaar noodleidend – die ‘iets’ willen doen rond enkele vage thema’s. Terwijl het volstrekt onduidelijk is wat dan wel de artistieke urgentie zou zijn waaruit vertrokken wordt en die dit project dus legitimeert. Kortom, als we dan toch trendbewust goochelen met erfgoed in strijdbare termen, laten we de oefening dan eens voluit maken. Hoe zit het nu eigenlijk met ‘de klassenstrijd’ van de hedendaagse kunstenaar?

Klassenbewustzijn

De evidentie dat er subsidies naar cultuur gaan, wordt vandaag systematisch door populistische tafelspringers onderuit gestampt. Daar is de sector helemaal niet op voorbereid. Ook kunst is nu een markt geworden, investeringen moeten renderen en alleen als je verkoopt ben je een kunstenaar. Wie slecht verkoopt is bijgevolg een slechte kunstenaar. Laat de markt haar werk doen zoals een ‘ecosysteem’, publieke interventies met subsidies zouden die ‘harmonie’ alleen maar verstoren. Nochtans voelt bijvoorbeeld geen enkele professor zich een ‘subsidieslurper’. Ook al maken sommige academici als ambtenaar carrière bij gratie van de gesubsidieerde kunst. Toch moet de kunstenaar zich tegenwoordig altijd maar schuldig voelen en vooral sorry en dank u leren zeggen.

Kunstenaars incarneren vandaag helaas al zelf de neoliberale waarden: het zou om één grote afvalwedstrijd naar de top gaan – bij het pantheon van ‘de canon’ behoren – wie slaagt mag langs de mediagenieke erehaag van de hall of fame. Zoals bij de benepen show rond filmdiva’s worden sterkunstenaars tegenwoordig bewonderd alsof het hemellichamen zijn. Wie faalt mag aanschuiven in de lange rij van het precariaat. Dat hebben deze losers dan wel aan zichzelf te danken want – zo gaat het riedeltje – de ‘echte’ kunstenaar komt er uiteindelijk wel. Ook in de kunst heerst dus de ‘verschoven klassenstrijd’: kunstenaars leren naar opzij en omlaag stampen, in plaats van naar boven.

Door allerlei verzinsels zoals ‘de creatieve klasse’ van de neoliberale ideoloog Richard Florida, leven sommige kunstenaars in de waan dat zij één groep vormen met reclameboys, digitale bohemiens, de soldaten van de creatieve economie, de verkopers van de speelgoedindustrie, etc. Het zou vanaf nu om één grote club ‘creatievelingen’ gaan, ‘schottenloos’, zoals marktgerichte politici zeggen. De kunstenaar die werkt uit passie, innerlijke noodzaak zelfs, wordt zo op één hoop gegooid met de creatieve ondernemer die vooral geniaal is in het creëren van winst. Deze ‘klasse’ – sterker nog: deze ‘klasseloze klasse’ –  is één grote leugen, een ‘vals bewustzijn’ zeg maar, omdat er simpelweg geen maatschappelijke groep is waarbij de sociale en economische belangen onderling zo verschillend zijn als bij de kunstenaar.

Sommigen voelen zich op hun plaats in ‘burgerlijke salons’, werden er rijk, en voelen zich daardoor niet alleen mentaal ver verwijderd van wat ‘de arbeider’ heet. Toch is de kunstenaar, zoals de intellectueel, iemand die moet werken voor zijn levensonderhoud en dus tot het zogeheten ‘proletariaat’ behoort. Straffer nog: de vrije kunstenaar in zijn atelier verricht volgens de kapitalistische logica geen nuttige arbeid in de industriële productiemachine en behoort dus tot het ‘lompenproletariaat’. Zoals de zwerver, de crimineel, de bedelaar, het huispersoneel, kortom iedereen die, bij afwezigheid van een socialistisch geïnspireerde maatschappij, volledig afhankelijk is van de liefdadigheid van de kapitalist.

Avant-garde

Dat de kunstenaar de voorhoede van de samenleving zou zijn, is nog zo’n illusie die vooral tegen de kunstenaar wordt gebruikt. Politici en academici verwijzen hun verantwoordelijkheid namelijk graag door naar de kunstenaar: die moet de wereld maar redden. Om er dan meteen bij te zeggen dat het hen niet zal lukken waardoor de kunstenaar weggezet kan worden als romantisch genie of utopische nar. Het ‘instituut kunst’ krijgt zo niet alleen de veel te zware taak ‘maatschappelijke vernieuwing’ op de schouders geladen, waardoor de speelse aanzet tot artistieke vernieuwing net dreigt te worden verpletterd om vervolgens, bijvoorbeeld, niet verder te geraken dan wat aandoenlijke groene propaganda. Noodzakelijk activisme misschien, maar geen kunst.

Tevens wordt ‘de vernieuwing’ teveel binnengeleid, om niet te zeggen vastgezet, binnen één vrij beheersbaar alsook vrij ‘burgerlijk’ en formatterend domein van de samenleving: de culturele sector. Bestaande uit enkele fel gecontroleerde publieke instellingen waarrond de kunstmarkt als een versmachtende bruidsluier naar boven groeit. Want de verbeelding mag vandaag zeker niet vrij op straat lopen. Te gevaarlijk! Alleen de angst wordt voortdurend op ons los gelaten.

Desondanks is de voorhoede wel degelijk te vinden in de verbeelding en het scheppend vermogen dat voortkomt uit de handen en de hoofden van alle werkende mensen, niet in de laatste plaats de cultuurwerkers, zoals de kunstenaar en de intellectueel. Maar als de verbeelding de voorhoede van de samenleving is, dan is de hedendaagse reductie van alle kunst en cultuur tot economisch glijmiddel bijzonder veelzeggend. En als de verbeelding de voorhoede van de samenleving is, dan is het niet zo overdreven te stellen dat de beslissende strijd met de marktconforme, verkleuterende tijdsgeest misschien vooral in het denken over cultuurbeleid begint.

De Europese Unie – de voorhoede van besparing, privatisering en een verzorgingstaat voor de markt – heeft de kunsten nu ook ontdekt. Om uit de economische crisis te geraken, klampt men zich vast aan de kosmische kracht die creativiteit is. Het nieuwe cultuurbeleid Creative Europe zet kunst en cultuur daarom in de vitrine, in de hoop dat de EU een innovatieve topregio wordt. De vervreemding: de kunstenaar moet geen kunst meer maken, maar bedrijven vooruit helpen. De uitbuiting: ook de publieke cultuursector staat te koop, als ‘seed money’ voor private investeerders die nu dronken van kapitalisme rondspringen op de luchtkastelen van de financiële markten, verslaafd aan virtuele tweecijferrendementen, en zo de reële economie niet alleen uit het oog verliezen maar ook de grond in gokken. Dat is de artistieke ‘avant-garde’ die er nog mag zijn: lokeend voor investeerders en klanten. Niet klagen maar behagen, braaf zijn, kunstjes doen en blijven lachen. De CEO’s van Vlaanderen halen zonder enige inspraak van onze kunstenaars al meteen een nieuwe baseline boven: ‘Flanders State of the art’, nota bene een leuze gepikt van een groep artiesten uit New York die ijverden voor meer solidariteit in de hoop hun penibele werkomstandigheden te verbeteren.

Want kunstenaars worden echt wel uitgebuit, dikwijls te beginnen door onze kunsthuizen zelf. Een van de vele omerta’s uit de sector: heel wat kunstenaars moeten quasi gratis hun diensten aanleveren. Ze mogen immers al blij zijn met de institutionele zichtbaarheid die ze krijgen – goed voor hun c.v. – merci zeggen tegen cultuurambtenaren die wel over de luxe van vakantiegeld en pensioen beschikken.

De barricaden

Welke ‘culturele’ revolutie moet er dan gevoerd worden? Opvallend veel kunstenaars leven onder de armoedegrens. Hoewel beleidsmakers de ‘waarde’ van cultuur zo graag willen kunnen meten in termen van crowdfunding en publieksbereik – investeerders vinden, tickets verkopen en koppen tellen ongeacht wat er daarin omgaat – zodat zij via een neoliberale bureaucratie de cultuursector in hun greep kunnen houden, bestaat daar opvallend weinig onderzoek over. Verpauperde kunstenaars moeten maar beter aan ‘zelfbestuur’ leren doen of, als dat niet lukt, hun linkse hobby opgeven.

Strijd is ook nodig voor onze artistieke toekomst, met name al die getalenteerde kunststudenten die na hun korte opleiding gedropt worden – dat ze hun plan trekken, creatief als ze zouden moeten zijn, foert! – ondermeer omdat kunstacademies gepreoccupeerd zijn met zelfprofilering en ‘onderzoek’ in de hoop academisch te mogen meespelen met grote broer unief. Over ‘vervreemding’ gesproken, of ‘warenfetisjisme’ met façades en output. Zo kweek je natuurlijk bravourekunstenaars die van naast hun schoenen lopen een artistiek medium maken.

De inzet van ‘de strijd’ ligt overigens veel hoger: door de uitverkoop van kunst en de vermarkting die langs alle kanten oprukt, slaat de klepel zo ver door dat de verbeelding wordt doodgeknepen, de fantasie gejat, waardoor wij uiteindelijk allemaal slachtoffer zijn. Want dat maakt van ons allemaal ‘culturele proleten’: verstoken van cultuur maar wel verzadigd van commerce. Wat jolige comedy hier, wat posh design daar en hysterisch tribalisme eigen aan de celebrity-cultuur overal.

Kunst die niet in de marktmantra past, wordt als overproductie beschouwd. Zo gaat dat in de ongelijke markt: er zouden nu eenmaal te veel kunstenaars zijn, het aanbod is groter dan de vraag. Binnen de logica van de kunstmarkt is schaarste noodzakelijk omdat speculatie er essentieel is. Te veel goeie kunst maakt de markt immers kapot. Dan rest er nog alleen ‘chaos’. En het moet vooral verkoopbaar blijven, ook een ‘commodificatie’ van de kunstenaar is onontbeerlijk: kunst is koopwaar, kunstenaars zijn merken. Ondertussen loopt de cultuurwerker als een superhero uit de infantiele amusementsindustrie voorhoede in de onmacht van de flexwerker die als een nacht over Europa neerdaalt. Geen vaste contracten, werken na de uren uiteraard, mini-jobs, stages, vrijwilligerswerk, dat heet plots allemaal investeren in zelfontplooiing. Onzekerheid is de nieuwe zekerheid. Zelfs cultuurambtenaren gaan er al vanuit dat de kunstenaar een ‘kleine zelfstandige’ moet zijn, om daarna wel de neus op te halen als die kunstenaar een acte de présence geeft voor zijn galerij op een kooploopse kunstbeurs.

De artistieke volksbeweging

Moet kunst dan politiek worden? Ja, net om vrij te kunnen zijn. Nog zo’n illusie: de ‘vrije’ kunst los zou staan van de maatschappij. Net door te verdwijnen in de waan ‘vrij’ te zijn, dreigt de kunstenaar zijn autonomie te verliezen, gerecupereerd als hoer van de ‘culturele hegemonie’ van de zakenelite, onze consumptiecultuur en wegwerpeconomie. Elke kunstenaar werkt immers binnen een sociale context en is dus als publieke figuur onvermijdelijk een volksvertegenwoordiger. Ook het negeren van die rol is een politieke daad. Wat op zich heel interessant kan zijn: ‘vrije’ kunst als mistgordijn en spiegel van the empire of freedom. ‘Abstracte’ kunst als de ultieme verbeelding van de Geldgod met de onzichtbare hand?

Kunst op voorschrift is sowieso een farce. Kunstenaars moeten net vrij zijn om zelf hun maatschappijkritische draai te vinden, of te verliezen, of net de grote verdwijntruc in heel dit dramaspel te verbeelden. Tegenverbeelding is nodig, een tegenkracht tegen de cultuurpolitiek die alleen mikt op return on investment, op citymarketing, creatieve handel en oppompen van de nationale trots. Laten we toch niet vergeten dat het huidige sociaal-liberale beleid van kabinet Rutte II de kaalslag van Zijlstra braaf uitvoert en ondertussen de zwarte piet doorschuift. Laten we dus vooral niet vergeten dat ook de traditionele partijen, zoals de nieuwrechtse uitdagers, blijkbaar niet in staat zijn een ‘politiek’ draagvlak voor cultuur te realiseren. Dat zullen we dus zelf moeten doen.

De cultuursector doet elk neoliberale beleid een groot cadeau door te volharden in zijn versnipperd individualisme, door vooral niet solidair te zijn, en zijn ‘strijd’ te beperken tot een ‘multitude’ van allemaal uiteenlopende, vluchtige strovuurtjes van verontwaardiging. Protest lijkt zo eerder een excuus te zijn, een illustratie van de zelfverklaarde strijdbaarheid, hoewel men toch vooral niemand wil bruuskeren. Zoals iemand die bedeesd op zijn tippen rondloopt in een tentoonstelling, verkrampt, schrik om iets om te stoten of te vertrappen. Tegen deze tijdgeest van feelgood ‘horizontalisme’ in, is er een nieuw ‘verticalisme’ nodig. Om uit de kooi van de verdeel-en-heerspolitiek te geraken die uiteindelijk niemand spaart als er echt bespaard moet worden. Wachten op spontane acties die iemand anders wel zal doen, is knielen bij de status quo. Vandaag zijn er in heel Europa voorbeelden genoeg te vinden wat er dan met cultuur gebeurt: afbraak, uitverkoop, solden.

Cultuurwerkers hebben elkaar een vijandigheid voor ‘politiek’ aangepraat. ‘Macht’ zou corrumperen, maar ondertussen dealen sommigen uit zelfbehoud wel in partijpolitieke achterkamertjes en worden wij als politieke leken allemaal tegelijk onder de voet gelopen. Laten alvast één zaak duidelijk zijn: een ‘verticalisme’ onder de vorm van een institutioneel spinnenweb zoals de museumconfederatie L’Internationale, die  binnenkort het voorprogramma van diezelfde EU mogen spelen, is een goed voorbeeld van hoe de sector net niet gemobiliseerd en georganiseerd zal geraken. Want de sector, dat zijn niet zozeer de cultuurpolitici uit de cultuurcommissie, noch onze gelauwerde cultuurmanagers. Dat zijn ook niet die kleine gelegenheidsbelangenbehartigers van een subsector, waarvan een coördinator al eens misbruik durft maken om zijn overstap naar de partij van de Cultuurminister voor te bereiden, om zijn oppositiewinkeltje na de verkiezingen wellicht bij het groot vuil te parkeren. De sector, dat zijn ook niet de steunpunten, die zo ‘strijdvaardig’ zijn dat zij er bij het zogenaamd gezamenlijke overleg over het nieuw Kunstendecreet eigenhandig voor gezorgd hebben dat zij nu onder de rechtstreekse controle van de overheid vallen. Misschien waren zij het beu om als schoothondje van de administratie versleten te worden. In de toekomst vervalt dergelijke kritiek officieel omdat zij dan per decreet de externe beleidswoordvoerder zijn.

Nee! De sector, dan zijn de beeldend kunstenaars, dansers, acteurs, dichters, schrijvers en regisseurs, de cultuurwerkers, de kunststudenten, kunstcritici en curatoren. Dat zijn, kortom, alle mensen uit de sector erfgoed, kunsten en sociaal-cultureel werk, samen met hun breed publiek aan cultuurliefhebbers. Wij zouden dringend, op Europese schaal, samen de handen in elkaar moeten slaan. Want alleen op die manier kunnen wij vermijden dat de Cultuurminister bij de volgende bijltjesdag (die er zeker komt) in de media moet jammeren ‘dat er toch geen politiek draagvlak in de het parlement’ te vinden is.